|
Workshop "Afstemming tussen vraag
nieuwkomer en het educatief aanbod"
door: de heer Reiche, consultant en interim-manager bij Piers Groep management consultants
Nieuw systeem: Planning & Control Inburgering
De heer Reiche presenteerde het in opdracht van het ministerie van OCenW ontwikkelde systeem Planning & Control Inburgering (PCI-systeem).
Reiche noemde als de belangrijkste doelstellingen van het PCI-Systeem:
- het verbeteren van de mogelijkheid van het leveren van maatwerk aan de nieuwkomer (door een betere inhoudelijke matching van vraag en
aanbod);
- grotere logistieke efficiency (logistieke matching);
- het creëren van de mogelijkheid van (individuele) monitoring op cursistenniveau, hetgeen ondersteunend werkt bij de kwaliteitszorg van ROC's.
De bedoeling van het PCI-systeem is dat het een module wordt die geplakt kan worden aan de bestaande automatiseringssystemen van de
ROC's.
Presentatie van het PCI-systeem door de heer Reiche
Het PCI-systeem wordt ten bate van educatie-instellingen ontwikkeld. Het kan ondersteuning bieden in de concurrentie met commerciële
opleidingsinstituten. Het beoogt een verbetering te realiseren met betrekking tot de administratieve organisatie, het inburgeringsaanbod en
de matching van vraag en aanbod. Het PCI-systeem wordt in nauwe samenwerking met het ROC Amsterdam e.o. ontwikkeld. Er is aangesloten bij de
praktijksituatie van het ROC. Deze heeft een jaarlijkse instroom van ca. 3000 nieuwkomers, en heeft te maken met alle typen
educatieproducten en problematiek. Deze workshop beperkt zich tot de inhoudelijke
matching.
lnhoudelijke matching vraag en aanbod
Om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen moeten ze vergelijkbaar zijn. Bij het bepalen van de 'vergelijkingskenmerken' worden vijf
uitgangspunten gehanteerd:
- de opleidingsvraag is leidend voor het aanbod en wordt uitgedrukt in termen van toegevoegde waarde;
- voor iedere nieuwkomer wordt een maatwerkprogramma samengesteld;
- het aanbod is gericht op het realiseren van het handelings- resp. beroepsperspectief van de nieuwkomer;
- er is monitoring op cursistenniveau mogelijk;
- er vindt aansluiting op het informatiestatuut OCenW plaats en - waar nodig - met het GFO-Inburgering (VNG).
Op grond van landelijk onderzoek en de praktijksituatie bij het ROC Amsterdam e.o. is de opleidingsvraag in vijf kennisgebieden en drie
vaardigheden opgedeeld en in termen van toegevoegde waarde gedefinieerd. Daarnaast is motivatie van belang. Motivatie speelt (thans)
weliswaar geen rol in de definiëring van de opleidingsvraag, maar is voor de inburgering een belangrijk houdingsaspect. Een hoge motivatie
heeft een positieve invloed op de voortgangsresultaten en het leertempo van de nieuwkomer en beperkt het uitvalsrisico.
Door de kennis- en vaardigheidsgebieden met bijbehorende beheersingsniveaus te combineren met het handelingsperspectief ontstaat de
navolgende matchingsmatrix. Deze matrix vormt het referentiekader waardoor vraag en aanbod inhoudelijk vergelijkbaar zijn. Op grond van de
matrix kan de opleidingsvraag in termen van toegevoegde waarden worden gedefinieerd
en het opleidingsaanbod worden samengesteld.
Figuur 1. Matchingsmatrix vraag en aanbod
Een goede operationalisatie van de
'vergelijkingskenmerken' is essentieel. Wat de kennisgebieden betreft wordt uitgegaan van de KSE. De
beheersingsniveaus van de vaardigheden en motivatie zijn inhoudelijk omschreven.
Start- en streefprofiel inburgering
Op basis van het inburgeringsonderzoek worden de scores voor het startprofiel vastgesteld. Het startprofiel is een
"nulmeting", het geeft het beheersingsniveau van de nieuwkomer bij de start van het educatieve traject weer. Het streefprofiel
geeft het beheersingsniveau op elk van de kennis- en vaardigheidsgebieden aan dat de nieuwkomer aan het eind van het inburgeringsprogramma
kan hebben bereikt. Het gaat nadrukkelijk om het streefniveau dat voor de nieuwkomer haalbaar is. Het bepalen van dit streefniveau blijkt
binnen het ROC Amsterdam e.o. zeer goed uitvoerbaar te zijn,
Figuur 2. Voorbeeld van start- en streefprofiel. 
In figuur 2 is een (willekeurig) voorbeeld van een start- en streefprofiel weergegeven. op grond hiervan wordt het gevraagde
maatwerkprogramma samengesteld. Het is gewenst dat de opleidingsvraag gedetailleerd wordt omschreven, met aandacht voor specifieke
programmaonderdelen (bijv. snel aandacht voor vaktaal), volgorde van programmaonderdelen
(bijv. eerst beroepsperspectief) en leemtes
waardoor een nieuwkomer snel aan de slag kan.
Het is van belang dat de opleidingsvraag onafhankelijk van het aanbod tot stand komt. Het zichtbaar maken van de eventuele discrepantie
tussen gevraagd en beschikbaar aanbod is wezenlijk. Het maakt de nieuwkomer duidelijk wat hij van het
inburgeringsprogramma kan verwachten
en verschaft de educatie informatie over ontbrekend aanbod.
Vraaggericht inburgeringsaanbod
Door de matchingsmatrix met bijbehorende definiëring en structurering ook op het opleidingsaanbod toe te passen, zijn vraag en
aanbod vergelijkbaar. In de navolgende matrix is aangegeven tot welke beheersingsniveaus in het kader van de inburgering kan worden
opgeleid. Deze invulling gaat verder dan wettelijk wordt aangegeven, maar is naar de mening van de ontwikkelaars gewenst om nieuwkomers
daadwerkelijk zo snel mogelijk aan de slag resp. aan het werk te krijgen. De bovengeschetste aanpak kan consequenties hebben voor de
programmering van het inburgeringsaanbod, de structurering (o.b.v. toegevoegde waarde), de instap- en toetsmomenten en de samenstelling van
de cursusgroepen.
Figuur 3. Leerstof-matrix inburgering (voorbeeld)
Elke cel in de matrix representeert een mogelijke module met begin- en eindtermen, waarbij elke module weer opgedeeld kan zijn in
kleinere eenheden. Afhankelijk van de gevraagde maatwerkcursus krijgt de nieuwkomer modules aangeboden die tot het gevraagde
beheersingsniveau opleiden. De leerstof van een lager naar een hoger beheersingsniveau en van sociale naar professionele redzaamheid is in
principe cumulatief.
Het project "Systeem Planning & Control Inburgering" wordt binnen afzienbare tijd afgerond, in de vorm van een
systeembeschrijving. Educatie-instellingen kunnen dan aan de hand van de beschrijving zelf de implementatie van een eigen model ter hand
nemen.
Discussie uit de zaal: Wie bepaalt de vraag?
Na afloop van de presentatie werd uit de zaal de kritische vraag gesteld wie die "vraag" nu eigenlijk bepaalt: de nieuwkomer
of diegene die het inburgeringsonderzoek uitvoert? Het is namelijk een bekend gegeven dat de nieuwkomer zelf bij aanvang vaak een
ambitieniveau heeft dat niet geheel realistisch is. Het niveau van het land van herkomst is meestal niet haalbaar. De nieuwkomer weet aan
het begin van het inburgeringsprogramma vaak ook nog helemaal niet wat hij wil gaan doen, omdat hij zijn nieuwe referentiekader nog niet
kent. De "vraag" van de nieuwkomer verandert dan ook vaak nog tijdens het inburgeringsprogramma. Reiche antwoordde hierop:
"De vraag van de nieuwkomer vormt het uitgangspunt maar we zijn ons ervan bewust dat de vragen en wensen niet altijd geheel realistisch
zijn. De "vraag" wordt dan ook bepaald door de uitkomst van het inburgeringsonderzoek. Diegene die de intake verricht dient de
vraag van de nieuwkomer om te zetten in een realistische vraag. We hebben wel kunnen constateren dat het haalbare NT2-niveau per nieuwkomer
redelijk goed te bepalen is."
Workshop "Implementatie van het gemeentelijk
nieuwkomersbeleid"
door: de heer drs. R. den Uyl,
Landelijk Projectleider implementatie van de WIN en Directeur Vrijbaan
Als landelijk projectleider zorgt de heer Den Uyl voor:
* de communicatie, ofwel de voorlichting over de WIN, naar het veld.
Dit gebeurt onder meer door:
* het verkrijgen van informatie uit het veld.
Dit gebeurt onder meer door:
- verzorgen van backoffice functie van de verschillende helpdesks (onder meer CFI-helpdesk)
- bezoeken aan het veld
- reacties op inburgernet
- incidentele informatievoorziening via onderzoeken, pilotprojecten e.d.
Hoe gaat het met de WIN?
De heer Den Uyl begon zijn betoog met het stellen van de vraag: "Gaat het goed met de implementatie van de WIN?" Waarop hij
vervolgens antwoordde: "Ja en Nee! Ja, want er staan geen slechte berichten over het verloop van de implementatie van de WIN in de
kranten. Maar ook: nee…Want er zit een weeffout in de WIN, namelijk dat VVTV-ers en de AMA’s niet tot de
doelgroepen behoren.
Knelpunten implementatie WIN
Daarnaast zijn er op dit moment een aantal problemen en knelpunten bij de invoering van de WIN:
- Aanmelding. Den Uyl: " De Vreemdelingendienst werkt in veel gemeenten niet goed mee. Het grootste probleem hierbij is de
identificatie van de nieuwkomer. Regioplan heeft een systeem ontwikkeld, maar dit is helaas nog niet operabel."
- De internationale diplomawaardering. Den Uyl zegde toe hier binnenkort op Inburgernet meer informatie over te
zullen geven.
- Verhuizing. Den Uyl: "Dit probleem is inmiddels op papier geregeld, maar in de praktijk verloopt het nog niet goed."
- De doorgeleiding verloopt nog moeizaam. Dit komt vooral omdat er landelijk geen goede aansturing is vanuit Arbeidsvoorziening hoe de
zaken binnen de WIN geregeld moeten worden. Den Uyl: "Ik had gehoopt dat Arbeidsvoorziening een uniforme werkwijze zou presenteren voor
de uitvoering van de WIN-taken. Dat is niet gebeurd: alle regionale arbeidsbureaus doen het op hun eigen manier. En het moet dus door elke
gemeente regionaal uit-geonderhandeld worden."
- De Maatschappelijke Begeleiding dient duidelijker te worden ingevuld. Wat is Maatschappelijke Begeleiding en
wie voert het uit? Den Uyl: "De publicatie over Maatschappelijke Begeleiding uitgebracht door Forum is een halffabrikaat: het boek
biedt niet voldoende handvat voor gemeenten. Vrijbaan en Vluchtelingenwerk Nederland zijn in gesprek over een meer concrete publicatie over
de aanpak van Maatschappelijke Begeleiding."
- De invulling van het beroep van Trajectbegeleider. Den Uyl: "Er moeten
uniforme afspraken komen over de taken, over de caseload. Forum zal binnenkort i.o.v. het ministerie van VWS een
onderzoek uitvoeren naar de professionalisering van de Trajectbegeleider.
Verdere problemen die door Den Uyl werden genoemd:
- Het inburgeringsprogramma biedt nog onvoldoende maatwerk: geen modulair aanbod, beperkt aantal startmomenten, schakelklassen, etc.
- Er moet voor het educatief traject een cliëntvolgsysteem komen.
- Analfabeten (toetsen e.d.)
- Profiel toets (analfabeten)
Doorgeleiding: afspraken met Arbvo en ROC; uitval naar (slecht betaald) werk (zonder perspectief); mogelijkheid resturen.
Speerpunten van beleid
Op een aantal punten dient het beleid verder ondersteund te worden:
- ondersteuning startfase
- regiefunctie/GFO
- doorgeleiding
- samenwerking ROC's
- diversen
- mobiliseren en professionaliseren werkveld
Ondersteuning startfase
Den Uyl: "We volgen twee sporen. Ten eerste ontwikkelen we een invoeringsprotocol. Dat is een checklist voor gemeenten waarop staat
wat ze moeten doen om de WIN in te voeren. Dit invoeringsprotocol stellen we aan gemeenten ter beschikking. Ten tweede zoeken we goede
voorbeelden van uitvoering in gemeenten door oproepen te plaatsen en het veld in te trekken. Die goede voorbeelden laten we beschrijven door
de redactie van de Nieuwsbrief Nieuwkomers en we laten ook artikelen schrijven om in het Handboek WIN te plaatsen."
Ontwikkeling regiefunctie gemeenten
Den Uyl: "De bijdrage van Vrijbaan in dit traject zal bestaan uit drie activiteiten:
- Het verzamelen, beoordelen en verspreiden van externe deskundigheid op administratieve organisatie/automatisering om gemeenten te
ondersteunen;
- Vrijbaan zal een beperkt vergelijkend warenonderzoek houden onder de aanbieders van deskundigheid (externe adviseurs en
automatiseerders);
- Vrijbaan zal een bijeenkomst organiseren (april/mei 1999) waarin de deskundigen en gemeenten die voorop lopen zich kunnen
presenteren."
Ontwikkelen doorgeleiding
Den Uyl: "In dit kader richt Vrijbaan zich op het:
- bevorderen samenwerking met arbeidsvoorziening binnen inburgeringsprogramma
- bevorderen van passende uitstroom in werk, vervolgonderwijs of zorgtrajecten.
Er is een hoofdstuk opgenomen in het handboek WIN en in februari 1999 vonden drie regionale conferenties plaats
om bekendheid te geven aan de werkwijze van arbeidsvoorziening en om gemeenten te informeren over de mogelijkheden bij het organiseren van
uitstroom."
Ontwikkeling educatief programma WIN
" In een inventarisatie bij aanvang (juli 1998) en op verschillende bijeenkomsten en tijdens werkbezoeken is vaak gewezen op de
noodzaak tot verbetering in de samenwerking met ROC's. Dat heeft betrekking op twee onderdelen: 1. de samenwerking van ROC's en
gemeenten 2. de kwaliteit van de vorm van het aanbod van ROC's. We organiseren nu een aantal activiteiten om hierin verbetering te brengen.
Een onafhankelijk journalist zal opdracht krijgen om een aantal voorbeelden van goede educatieve trajecten te beschrijven. Die voorbeelden
kunnen vervolgens in het handboek WIN worden opgenomen", aldus Den Uyl. Daarnaast heeft Den Uyl de bovenstaande punten van kritiek ook
een aantal malen met de BVE-raad besproken. In een recent gesprek met BVE-raad en OCW is afgesproken dat Den Uyl eerst gaat onderzoeken wat
er nu eigenlijk klopt van de beelden die bij gemeenten en ROC's over elkaar bestaan. Den Uyl zal daartoe een ronde maken langs ROC's
en gemeenten.
Diversen
Tot slot zijn er nog een aantal andere thema's die in het kader van de implementatie van de WIN wel extra aandacht verdienen, maar
waar Vrijbaan geen extra aandacht aan zal geven. Dat zijn: maatschappelijke begeleiding; sanctiebeleid en de financiering van de WIN.
Het mobiliseren en professionaliseren van het werkveld
"Het laatste thema waar ik mij vanuit Vrijbaan mee bezighoud en dat ik centraal wil stellen in deze workshop is: het mobiliseren
en professionaliseren van het werkveld. Daartoe kunnen we drie doelen formuleren:
- zorgen voor duidelijkheid over de functie van trajectbegeleider
- zorgen voor een goede basisopleiding
- versterken van kennisuitwisseling onderling en organiseren van belangenbehartiging."
Den Uyl signaleert twee ontwikkelingen waarom het nodig is dat "het veld" op termijn zelf gaat werken aan een
belangenbehartigingsorganisatie met als belangrijkste doelen: kennisuitwisseling en deskundigheidsbevordering.
Eerste ontwikkeling is het belang van de regievoering van de WIN. De Win is een moderne wet die veel harde eisen stelt om je
geld te verkrijgen. Enkele kenmerken: koppengeld, outputfinanciering, strenge termijnen, inbedding in andere wetten (WEB, WIW, nABW, leerplichtwet,
arbeidsvoorzieningen wet), raamwet met lokale invulling, contracten/afspraken ROC, RBA, welzijn, VW).
Voor een goede uitvoering moet uitvoerder zorgen voor:
- afspraken over middelen uit andere regelingen,
- afspraken over werk van andere actoren,
- afspraken over registratie.
Dit vraagt sturing. Daarvoor moet uitvoerder stevig in schoenen staan: mee onderhandelen met ROC en arbeidsvoorziening, afspraken over
intake bij sociale dienst etc.
Tweede ontwikkeling: de bestaande infrastructuur verdwijnt.
Diagram valt weg, Forum (TON) neemt af, subsidie nieuwsbrief nieuwkomers verdwijnt , inburgernet is tijdelijk, er is een ministeriële
verschuiving: VWS trekt zich terug (zie welzijnsnota) en de coördinatie komt bij BZK. BZK vertoont geen initiatief om sterkere
infrastructuur op te tuigen. Kortom: het veld moet zelf voor die ondersteuning gaan zorgen….
De inschatting van Den Uyl is dat de bestaande ondersteuningsstructuur zal verdwijnen. Den Uyl: "Maar er moet wèl een nieuwe
infrastructuur komen! - die infrastructuur zal georganiseerd moeten worden door de coördinatoren van de bureaus nieuwkomers. De vraag is
hoe dit georganiseerd moet worden…? Er zijn een aantal lastige factoren:
ongelijke positie bureau nieuwkomers (gemeentelijk, zelfstandig, fusie trajectbureaus); ongelijke positie hoofden nieuwkomers (breed, smal);
ontwikkeling nieuwkomersbeleid (lage instroom, nieuwe vreemdelingenwet).
Den Uyl gaf drie mogelijkheden van hoe het verder kan gaan:
- Niets doen:
Het gevaar is dat bureau nieuwkomer wet steeds slechter uitvoert.
- Regionale overleggen versterken:
Regionaal overleg is nuttig voor kennisuitwisseling, maar niet krachtig genoeg voor landelijke belangenbehartiging.
- Landelijke vereniging:
Gedacht kan worden aan een divosa-achtige constructie. Dit schept betere mogelijkheden voor belangenbehartiging.
Coördinatoren Bureaus Nieuwkomers Verenigt U!
Na een uiteenzetting van de mogelijkheden voor het vormen van een nieuwe infrastructuur gericht op kennis-uitwisseling en
deskundigheidsbevordering, pleitte Den Uyl voor het oprichten van een Landelijke Vereniging van Coördinatoren Bureaus Nieuwkomers. In de
praktijk signaleert Den Uyl echter eerder regionaal overleg van de gemeentes ter versterking van de onderhandelingspositie naar Arbvo en het
ROC. Den Uyl: " Het is zaak om deze regionale samenwerkingsverbanden verder te versterken. Probeer met andere gemeenten in contact te
komen ook ten behoeve van kennisuitwisseling en het gezamenlijk signaleren van problemen. Als gesignaleerde problemen hardnekkig zijn stap
dan naar het ministerieel departement." Uit de zaal kwam weinig reactie. Zoals mevrouw Van de Steuyt (beleidsmedewerker ministerie van
VWS) opmerkte: "Tot nu toe droeg het Rijk allerlei voorlichtingsvoorzieningen aan. Ik denk dat alle gemeenten nu denken dat het zo mooi
geregeld is en zich nog helemaal niet bewust zijn van het feit dat er op afzienbare termijn een einde komt aan deze
ondersteuningsstructuur."
|