Doelgroepen Inburgering
(uit: Er staat een Rus voor de balie...)
Welke nieuwkomers kunnen in het inburgeringsprogramma worden geplaatst? Welke
criteria kunnen daarvoor worden gehanteerd?
Zuid-Europeanen of meer specifiek EU-onderdanen?
Egyptenaren, Polen, Guatemalteken?
Een Fransman of -vrouw die met een Nederlander trouwt?
Een Venezolaanse die met een Nederlander trouwt?
Een Turkse die met een genaturaliseerde Turk trouwt?
Kinderen van een echtpaar waarvan een de Nederlandse nationaliteit heeft?
Moet een officiële verblijfsvergunning zijn uitgereikt?
Er staat een Rus voor de balie en die wil een inburgeringscontract!
Uit deze vragen blijkt dat in de praktijk enige verwarring bestaat over de vraag welke
nieuwkomers onder het inburgeringsbeleid vallen.
Er zijn twee criteria aan de hand waarvan de gemeente bepaalt of een nieuwkomer in
aanmerking komt voor (onderdelen van) het inburgeringsprogramma. Deze criteria zijn:
- de verblijfsstatus en het moment waarop deze wordt uitgereikt,
- de mate van achterstand.
Ten aanzien van asielgerechtigden, afkomstig uit een Asielzoekerscentrum, ligt hier
geen probleem: zij worden immers pas na statusverlening in een gemeente gehuisvest.
Ten aanzien van diegenen die in het kader van gezinshereniging of -vorming naar Nederland
komen moet worden gewacht tot hen een status is toegewezen (een A-status, een vergunning
tot verblijf (VTV) of een voorlopige vergunning tot verblijf (VVTV) (zie ook bijlage 4).
Deze verblijfsvergunning wordt vaak afgegeven met terugwerkende kracht. Voor het
inburgeringsbeleid geldt daarom de datum van afgifte (ofwel uitreiking).
Antillianen en Arubanen verkeren in een aparte positie. Zij moeten zich binnen vijf dagen,
na aankomst in Nederland, inschrijven bij
de gemeente van huisvesting. Zij kunnen door de gemeente vanaf deze datum worden benaderd.
EU-onderdanen kunnen op grond van de huidige Regeling inburgering nieuwkomers voor een
inburgeringsprogramma in aanmerking komen, mits is afgewogen of zij, zonder het volgen van
een dergelijk programma, in een achterstandspositie zouden geraken.
De nationaliteit van een nieuwkomer is dus niet van doorslaggevend belang; op basis van
het beschikbare budget maakt de gemeente, als verantwoordelijke voor de uitvoering van het
inburgeringsbeleid, een afweging. Het controleprotocol is doorslaggevend voor de
rijksoverheid.
Wanneer kunnen personen in de Regeling opvang asielzoekers (ROA) starten met een
inburgeringsprogramma?
De ROA is inmiddels opgeheven maar er zijn mensen die nog in procedure zijn en reeds in
een gemeente zijn gehuisvest. Ook voor hen geldt dat de datum van statusuitreiking
bepalend is voor de te starten periode waarbinnen een overeenkomst moet worden gesloten.
Behoren alleenstaande minderjarige asielzoekers (zgn. AMA-VTVers) die 18 jaar
worden tot de doelgroep van het inburgeringsbeleid?
De positie van AMA-VTVers dient individueel te worden beoordeeld door de
gemeente. Het moment van binnenkomst in Nederland is hierbij het uitgangspunt.
In de meeste gevallen zullen de <18 jarigen na binnenkomst een eerste opvang hebben
gehad en in het (regulier) onderwijs zijn ingestroomd. Zij zijn immers (partieel)
leerplichtig.
Het inburgeringsprogramma is daarmee niet meer op hen van toepassing.
Een speciale positie nemen AMAs in die vlak voor hun 18e jaar naar Nederland
komen. Indien zij 18 jaar worden binnen de periode van vier, c.q. tien maanden na
vestiging in de gemeente, kunnen zij een inburgeringsprogramma gaan volgen.
1.4 Komen gezinsleden van statushouders, die in het kader van gezinshereniging naar
Nederland komen, in aanmerking voor een inburgeringsprogramma?
Deze komen, als zij 18 jaar of ouder zijn, in aanmerking voor een
inburgeringsprogramma.
Wat zijn de criteria voor het vaststellen van een dreigende achterstandssituatie
(opleiding, werkervaring, Nederlandse ouder(s), welgesteldheid)?
Is werkervaring of een hoge opleiding in het land van herkomst relevant als iemand nog
geen Nederlands spreekt? Met andere woorden, is het niveau van beheersing van het
Nederlands alleen bepalend?
De gemeente bepaalt of sprake is van een achterstandssituatie.
Het niet beheersen van het Nederlands is daarbij van groot belang.
Iemand die geen Nederlands spreekt, ook al heeft hij een hoge opleiding gevolgd in het
land van herkomst, zal in het algemeen moeite hebben met het volgen van een opleiding of
het vinden van zijn weg op de arbeidsmarkt.
Bovendien bestaat het inburgeringsprogramma uit meer dan alleen een cursus Nederlands.
De gemeente kan dan ook, in geval de nieuwkomer voldoende beheersing heeft van de
Nederlandse taal, de beslissing nemen hem alleen bepaalde onderdelen van het
inburgeringsprogramma te laten volgen.
Hierbij geldt wel dat, als het educatief gedeelte van het inburgeringsprogramma minder dan
500 uur betreft, een Staatsexamen NT2 moet worden afgelegd.
De inkomenspositie is geen criterium voor het vaststellen van de mate van achterstand.
Attentie
Aan de teksten zoals deze hier verschijnen is een maximale zorg besteed. Ondanks deze zorg
kan aan de formulering geen rechten worden ontleend. Indien u zekerheid over regelingen
wilt verkrijgen, moet u zich schriftelijk tot het betrokken ministerie wenden.
|