
Service
Op deze pagina's vindt
u de nadere regelgeving behorende bij de Wet Inburgering Nieuwkomers, zoals die op 30
september 1998 in werking is getreden
Terug naar:
Tekst WIN
Wet en regelgeving
Service
Terug naar:
De Implementatie
De welkomstpagina |
 |
Positie van de VVTV'ers na 1-1-1999
Brief Min. BZK 28-12-1998
Op 1 januari 1999 treedt het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers materieel in
werking. Vanaf dat moment komen alleen nog nieuwkomers die voldoen aan de definitie in de
Wet inburgering nieuwkomers (WIN), in aanmerking voor bekostiging van de inburgering. Dit
betekent onder meer dat VVTVers vanaf 1 januari 1999 niet meer onder de werking van
de WIN vallen.
In het bestuurlijk overleg van het kabinet met VNG en IPO van 12 november jl. is de
positie van de VVTVers in relatie tot de WIN aan de orde geweest. Afgesproken is om
een ambtelijk overleg over deze kwestie te voeren tussen de VNG, de vier grote steden en
de betrokken ministeries (BZK, VWS, OCenW en Justitie).
Een eerste overleg heeft op 27 november jl. plaatsgevonden. In dit overleg is door de VNG
en de vier grote steden de zorg van veel gemeenten aan de orde gesteld dat er in 1999 niet
voldoende nieuwkomers conform de WIN te verwachten zijn, terwijl er wel een groot aantal
VVTVers gehuisvest zal moeten worden. Aangegeven is dat dit voor gemeenten reden zou
kunnen vormen om terughoudend te zijn met het maken van afspraken over de inburgering van
nieuwkomers met het ROC.
De uitkomsten van dit ambtelijk overleg zijn op een onjuiste manier in de publiciteit
gekomen. Dat heeft ertoe geleid dat over deze kwestie in de afgelopen weken veel vragen
binnen zijn gekomen bij de Helpdesk inburgering, de betrokken departementen en de VNG. Dat
is reden om u bij deze nader te informeren over de positie van de VVTVers in relatie
tot de WIN vanaf 1 januari 1999.
In het ambtelijk overleg is er van de kant van de departementen ten eerste op gewezen dat
ten onrechte op grond van de taakstelling huisvesting statushouders de indruk bestaat dat
er in de eerste helft van 1999 geen houders van A- of VTV-status worden uitgeplaatst naar
gemeenten.
Zoals in de circulaire (met kenmerk CIM98/54079) van 16 november 1998 over de
taakstellingen huisvesting statushouders voor het eerste halfjaar van 1999 is neergelegd,
zijn de taakstellingscijfers gebaseerd op de prognose van het ministerie van Justitie van
het aantal statussen dat zij verwacht in het vierde kwartaal van 1998 en het eerste
kwartaal van 1999 te verlenen.
Gedurende het eerste halfjaar van 1999 dienen de gemeenten te voorzien in de huisvesting
van 4.700 personen met een A/VTV status en 5.800 personen met een VVTV status.
Omdat de taakstellingen niet tussentijds gewijzigd kunnen worden, vindt er een correctie
plaats met de vorige periode. In het tweede en derde kwartaal 1998 zijn er minder
statussen verleend dan was voorzien. Dit wordt verrekend met de nieuwe taakstelling en
leidt tot de aanvullende huisvestingstaakstelling van 100 A/VTV statushouders en 7.300
VVTV statushouders. Hier is dus sprake van een administratieve correctie.
Voor het eerste halfjaar van 1999 zullen, zoals aangegeven, in totaal 10.500 statushouders
in de gemeenten gehuisvest moeten worden, waarvan een aanzienlijk aantal personen, te
weten 4.700, met een A/VTV status deel uitmaakt.
Op 16 november jl. is de VNG geïnformeerd door het ministerie van Justitie over de
voortschrijdende prognose van de statusverleningen vanaf het vierde kwartaal van 1998 tot
en met het derde kwartaal van 1999. Ook daaruit blijkt dat tot 1 oktober 1999 volgens
prognose een aanzienlijk aantal A-/VTV-statussen zal worden verleend.
In welke mate deze taakstellingen ook gerealiseerd zullen kunnen worden is overigens
afhankelijk van het tempo waarmee statussen worden verleend door de IND.
Recent, op 16 en 17 december 1998, is met de Tweede Kamer van gedachten gewisseld over het
zgn. landgebonden asielbeleid (Soedan, Somalië, Irak, Afghanistan en Sri Lanka). Het
gewijzigde beleid zal met name voor het VVTV onderdeel van de huisvestingstaakstellingen
consequenties inhouden. Hierover zult u nader worden geïnformeerd.
Ten tweede wijs ik u er op dat het feit dat VVTVers vanaf 1 januari 1999 niet meer
onder de bekostiging van inburgering vallen, niet betekent dat VVTVers niet meer in
aanmerking komen voor een scholingsaanbod. Sinds 1994 bestaat voor VVTVers een
gefaseerd integratietraject van drie jaar. In het kader hiervan kunnen zij vanaf het
moment van vestiging deelnemen aan programmas in de volwasseneneducatie, in de
tweede fase aan beroepsonderwijs en in de derde fase aan het (scholings)aanbod van
Arbeidsvoorziening. Voor dit aanbod in het kader van de gefaseerde integratie zal een
gemeente overigens gebruik dienen te maken van de daarvoor bestaande vormen van reguliere
bekostiging.
Ten derde is voor gemeenten van belang dat in het kader van de t-2-systematiek van de WIN
gemeenten, naast de mogelijkheid van het reserveren van middelen, ook de mogelijkheid is
geboden om in het geval er te weinig nieuwkomers zijn, een deel van het inburgeringsbudget
te bestemmen voor de reguliere educatie resp. reguliere welzijnsactiviteiten voor leden
van minderheidsgroepen. Een gemeente kan van deze mogelijkheid gebruik maken om
VVTVers vanuit de reguliere middelen een vergelijkbaar programma als het
inburgeringsprogramma aan te bieden, echter alleen niet op verplichtende basis.
Het overhevelen van inburgeringsmiddelen naar de reguliere educatie resp. regulier welzijn
heeft gevolgen voor de prestatie van de gemeente in het kader van de t-2-systematiek.
Immers, de prestaties die met VVTVers worden gerealiseerd, tellen niet mee bij de
prestatie van de gemeente in het kader van de inburgering van nieuwkomers. Dit geldt
overigens evenzeer als er inburgeringsmiddelen worden gereserveerd.
Wat betekent dit voor de bekostiging in jaar t. Zoals bekend worden in jaar t de
inburgeringsmiddelen aan gemeenten toegedeeld op grond van hun aandeel in de prestatie van
alle gemeenten samen in jaar t-2. Het gaat dus om een relatieve en geen absolute
beoordeling van de prestatie van de gemeente in jaar t-2. Het landelijk budget voor
inburgering wordt jaarlijks vastgesteld op basis van een raming van het aantal te
verwachten in te burgeren nieuwkomers. Daarnaast wordt rekening gehouden met de
totaal-prestatie van alle gemeenten in jaar t-2 afgezet tegen het in dat jaar beschikbare
budget. In het geval er aanzienlijk minder nieuwkomers zijn ingeburgerd in jaar t-2 dan
verwacht, leidt dat tot een korting op het landelijke budget voor jaar t. Omgekeerd leidt
de inburgering van aanzienlijk meer nieuwkomers in jaar t-2 tot een ophoging van het
landelijk budget in jaar t.
In het ambtelijk overleg is geconcludeerd dat daar waar gemeenten te maken krijgen met een
verminderde instroom van nieuwkomers deze er goed aan doen - gezien de onzekerheid over de
ontwikkeling van de instroom van nieuwkomers in de komende jaren - de zo beschikbaar
komende middelen niet alleen te reserveren, maar ook gebruik te maken van de mogelijkheid
om deze over te hevelen naar de reguliere educatie resp. reguliere welzijnsactiviteiten
voor leden van minderheidsgroepen en in te zetten voor andere doelgroepen, waaronder de
VVTVers.
Tot slot is met de VNG en de 4 grote steden afgesproken dat er bij wijzigingen in de
situatie opnieuw overleg zal worden gevoerd. De VNG heeft tevens aangegeven het onderwerp
VVTVers op de agenda te zullen zetten voor het bestuurlijk overleg met het kabinet
dat op 10 februari 1999 zal plaatsvinden.
Ik hoop u hiermee, mede namens mijn collegas van de ministeries van OCenW en VWS
en de VNG, voldoende geïnformeerd te hebben.
DE MINISTER VOOR GROTE STEDEN- EN INTEGRATIEBELEID,
voor deze,
de directeur Coördinatie Integratiebeleid Minderheden,
H.K. Fernandes Mendes
Verzendlijst:
Colleges van B&W van alle gemeenten
Gemeentelijke samenwerkingsverbanden
Centrale directies van ROCs (via OCenW)
VluchtelingenWerk Nederland t.a.v. de directie
Arbeidsvoorziening Nederland t.a.v. de directie

|