
Rapportage inburgering
Hierbij bied ik u, mede namens de
ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport, twee rapporten aan. Allereerst betreft het een verslag van
het vervolgonderzoek naar de wachtlijsten voor taallessen per 1
december 2000 en ten tweede gaat het om een studie van het Sociaal en
Cultureel Planbureau naar de omvang en de kenmerken van migranten die
zich vóór inwerkingtreding van de Wet inburgering nieuwkomers (WIN) in
Nederland hebben gevestigd, de zogenaamde oudkomers.
In deze brief treft u naast een
korte toelichting op beide rapporten, een overzicht aan van de
werkzaamheden van de Taskforce Inburgering, die in juni 2000 is
ingesteld.
Wachtlijsten onderwijs NT2
In het voorjaar van
2000 heeft het kabinet toegezegd dat de personen die op dat moment op
een wachtlijst voor taalonderwijs stonden, vóór 1 mei 2001 een
taalcursus aangeboden krijgen. Die wachtlijst bleek in totaal uit ruim
10.000 personen te bestaan. Teneinde dit proces te kunnen volgen,
voeren de onderzoeksbureaus CINOP en Regioplan elke drie maanden een
meting uit bij alle Regionale Opleidingen Centra (ROC’s). Op 19
oktober jl. heeft u het resultaat ontvangen van de eerste meting, die
is uitgevoerd tijdens de zomer van 2000 en de stand op 1 juli 2000
weergeeft. Bijgevoegd rapport is het resultaat van de tweede meting
van de wachtlijst voor taalonderwijs en geeft de stand op 1 december
2000 weer. Verderop in deze brief wordt ingegaan op de activiteiten
die de Taskforce Inburgering heeft ondernomen met het oog op het
wegwerken van de wachtlijsten voor taalles.
Ten opzichte van de eerste meting
blijkt dat van de ruim 10.000 personen die op 1 juli 2000 op de
wachtlijst stonden, op 1 december 2000 66 procent niet meer op de
wachtlijst staat. Dit impliceert dat er in die periode van vijf
maanden sprake is geweest van een substantiële doorstroming.
Kanttekening hierbij is dat de wachtlijstgegevens van de ROC’s, waarop
dit onderzoek is gebaseerd, op zich nog geen uitsluitsel geven over de
feitelijke cursusdeelname en over het al dan niet succesvol afronden
van een taalprogramma, nadat iemand van de wachtlijst is afgevoerd.
Voor een deel van de personen op de wachtlijst is het volgen van een
dergelijke cursus immers niet verplicht en kan de vraag naar een
taalcursus zijn weggeëbd. Bij de volgende metingen zal worden nagegaan
of het mogelijk is om de betreffende personen te volgen aan de hand
van de registratiesystemen van de ROC’s.
Met de opeenvolgende metingen
ontstaat een steeds beter zicht op de bewegingen van de wachtlijsten.
Op basis van signalen van gemeenten en ROC’s, die de Taskforce
Inburgering ontvangt, is de inschatting gerechtvaardigd dat de
geïntensiveerde aanpak van het wegwerken van de wachtlijst de animo
van personen, die behoefte hebben aan Nederlandse taalles, vergroot.
Het aantal nieuwe personen dat zich in de periode van 1 juli 2000 tot
1 december 2000 heeft gemeld voor een taalcursus, komt namelijk
overeen met het aantal personen dat van de wachtlijst is afgevoerd.
Dat effect is tijdens het Integratiedebat van april 2000 reeds aan de
orde geweest en wekt dan ook geen verbazing.
Tenslotte kan op basis van dit
onderzoek worden geconcludeerd dat de kenmerken van de personen op de
wachtlijst tussen 1 juli en 1 december niet ingrijpend zijn veranderd
en dat de populatie die zowel op 1 juli als op 1 december op de
wachtlijst stond, niet significant afwijkt van de totale populatie.
Nog steeds maken weinig ROC’s gebruik van de mogelijkheid om andere
onderwijsinstellingen in te schakelen bij het verzorgen van taalles.
De komende maanden worden nog twee
metingen van de wachtlijsten bij ROC’s uitgevoerd. De derde meting
geeft de stand van zaken per 15 februari 2001 weer en wordt aan het
eind van de maand mei aan u aangeboden. De vierde en laatste meting
geeft de stand op 1 mei 2001 weer en zal aan het eind van de maand
juni aan u worden aangeboden.
SCP-rapport
Vanaf het begin van
de behandeling van het wetsvoorstel WIN is het onderwerp "oudkomers"
(diegenen die zich hier gevestigd hebben vóór de inwerkingtreding van
de WIN) ter sprake gebracht door de Tweede Kamer. Bepleit werd om
oudkomers alsnog een inburgeringsprogramma (met de nadruk op NT2) aan
te bieden. Het toenmalige kabinet heeft -met instemming van de Tweede
Kamer- verwezen naar het bestaande regulier educatief aanbod, waarvan
oudkomers gebruik kunnen maken.
Het huidige kabinet heeft er, bij
zijn aantreden in 1998, voor gekozen een specifiek oudkomersbeleid,
met een oplopend budget, te gaan ontwikkelen. Dit specifieke
oudkomersbeleid richt zich op twee prioritaire groepen (werkzoekenden
en opvoeders) en heeft ertoe geleid dat er nu, nog geen drie jaar na
het Regeerakkoord, structureel 80 miljoen voor de inburgering van
oudkomers beschikbaar is. Daarvan maken 54 (De G25 hebben, specifiek
voor oudkomers, middelen gekregen in het kader van de Regeling sociale
integratie en veiligheid. De G17 en de G12 hebben via eeb
Bijdrageregeling Oudkomers financiële middelen ontvangen voor de
doelgroep oudkomers.) gemeenten gebruik, naast de 400 miljoen regulier
educatiebudget die jaarlijks aan alle gemeenten wordt verstrekt. De
vraag of deze middelen voldoende zijn, kan alleen worden beantwoord
als er inzicht is in de grootte en de samenstelling van de totale
groep oudkomers. Tot nu toe liepen schattingen van de groep uiteen van
100.000 tot 300.000 personen. De Kamer heeft, om meer inzicht te
krijgen in de problematiek van de oudkomers, het kabinet gevraagd een
notitie op te stellen waarin een oudkomersbeleid voor de middellange
termijn wordt uitgezet. Toegezegd is dat de Kamer deze notitie begin
2001 kan verwachten.
Teneinde aan de wens van de Kamer te
kunnen voldoen, heeft het kabinet het Sociaal en Cultureel Planbureau
(SCP) gevraagd een rapport op te stellen waarin de kenmerken en
samenstelling van de groep oudkomers wordt aangegeven. Dit rapport is
begin februari opgeleverd en wordt u hierbij aangeboden.
Op basis van de CBS
Maandstatistieken en een analyse van kenmerken van oudkomers die
verband houden met maatschappelijke achterstand, heeft het SCP een
berekening gemaakt van de groep die in beginsel in aanmerking zou
komen voor een inburgeringsprogramma. Uitgaande van de prioritaire
groep van het huidige oudkomersbeleid, namelijk werkzoekenden en
opvoeders, komt het SCP uit op een aantal van 464.000 personen. Dat is
een groter aantal dan op basis van schattingen tot nu toe werd
aangenomen en illustreert dat hier sprake is van een serieus probleem.
De betreffende personen hebben een maatschappelijke achterstand, die
blijkt uit een te grote afstand tot de arbeidsmarkt en een slechte
beheersing van de Nederlandse taal. Van belang is na te gaan in
hoeverre de inhaalslag, waarmee dit kabinet is begonnen ten aanzien
van oudkomers, moet worden geïntensiveerd. De aard en omvang van deze
intensivering vergt nadere bestudering en beraad in het kabinet.
De uitkomsten van dit onderzoek
stellen mij en mijn collega’s van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport, voor een aantal fundamentele vragen. Allereerst geldt voor
deze grote groep werklozen en opvoeders dat zij zich in zeer
verschillende omstandigheden bevinden met verschillende niveaus van
achterstand en dat zij dus een zeer gedifferentieerd aanbod moeten
krijgen. De vraag die moet worden beantwoord is dan ook wie van de
groep, die nu door het SCP is geïnventariseerd, welk aanbod moet
krijgen, gelet op zijn specifieke situatie en behoefte. Ten tweede zal
een deel van de totale groep oudkomers reeds een traject aangeboden
hebben gekregen langs de weg van bijvoorbeeld de basiseducatie of de
arbeidsvoorziening. Nagegaan zal moeten worden om welke reden deze
trajecten tot onvoldoende taalbeheersing hebben geleid. Ten derde moet
nader worden geanalyseerd in hoeverre een deel van deze groep de
komende jaren in het kader van de sluitende aanpak voor werklozen
reeds een traject krijgt aangeboden en in hoeverre daarin voldoende
aandacht wordt besteed aan taalbeheersing.
Op basis van de nu bekende gegevens
en de ervaringen die inmiddels zijn opgedaan in het specifieke
oudkomersbeleid, zal het kabinet een notitie oudkomersbeleid
opstellen. Daarin zal een nadere analyse worden gemaakt van de
gegevens uit het SCP-rapport en een inventarisatie van het bestaande
beleid op het terrein van onderwijs, arbeid en welzijn. Vervolgens
worden de dilemma’s in kaart gebracht en wordt een beschrijving
gegeven van het noodzakelijk aanvullende beleid. Aangezien de groep
oudkomers, volgens de bevindingen van het SCP, groter is dan tot nu
toe is aangenomen en de diversiteit binnen de groep aanzienlijk is,
mag duidelijk zijn dat een gedifferentieerd aanbod nodig is, dat zich
over een langere termijn zal uitstrekken. Daarom zal een beschrijving
worden gegeven van de verschillende scenario’s voor een
oudkomersbeleid op de middellange termijn. Deze oudkomersnotitie wordt
u eind mei 2001 aangeboden.
Activiteiten van de
Taskforce Inburgering
De Taskforce
Inburgering heeft de afgelopen periode prioriteit gegeven aan het
wegwerken van de wachtlijsten voor taallessen voor oudkomers. Op grond
van het door CINOP/Regioplan uitgevoerde onderzoek naar de omvang en
samenstelling van de wachtlijsten, zijn door de Taskforce vijftien
regio’s geselecteerd, die een wachtlijst van meer dan 150 wachtenden
voor NT2-onderwijs hadden. Daarmee wordt 90% van de
wachtlijstproblematiek aangepakt. Deze regio’s corresponderen met de
verzorgingsgebieden van de betreffende ROC’s.
In iedere regio heeft de Taskforce
met de betreffende gemeente(n) en ROC afspraken gemaakt om te
bewerkstelligen dat alle personen die op 1 juli 2000 op de wachtlijst
stonden voor 1 mei 2001 de mogelijkheid wordt geboden met een
taalcursus te starten. Deze afspraken zijn in convenanten of
anderszins schriftelijk vastgelegd. De uitvoering van de maatregelen
wordt gevolgd via een regelmatig overleg tussen de gemeente(n), het
ROC en de Taskforce en de wachtlijstmonitor van CINOP/Regioplan. In de
convenanten worden onder meer afspraken gemaakt over de uitbreiding
van cursusgroepen en van het aanbod in de avonduren en over het
voorzien in de benodigde kinderopvangopvangplaatsen. Bovendien hebben
gemeenten en ROC’s aangegeven dat, indien ROC’s onvoldoende capaciteit
hebben om de wachtlijst weg te werken ook andere onderwijsinstellingen
bij het aanbieden van taalonderwijs aan de groep oudkomers zullen
worden ingeschakeld.
Gelet op de wachtlijstproblematiek
in de gemeenten Rotterdam, Den Haag en Dordrecht heeft op 21 december
2000 een apart bestuurlijk overleg plaatsgevonden met wethouders en
voorzitters van de Colleges van Bestuur van de ROC´s uit de
betreffende gemeenten. Tijdens dit overleg is door alle partijen een
bestuurlijk commitment uitgesproken inzake het aanpakken van de
wachtlijstproblematiek en hebben de vertegenwoordigers van gemeenten
en ROC’s aangegeven dat het wegwerken van de wachtlijst van 1 juli
2000 naar alle waarschijnlijkheid kan slagen. Op 14 februari jl. heeft
eveneens een overleg plaatsgevonden met de verantwoordelijke wethouder
en ROC-voorzitter van Amsterdam.
Zowel uit het onderzoek van CINOP en
Regioplan, als uit de bevindingen van de Taskforce blijkt dat de wijze
waarop gemeenten en ROC´s hun wachtlijstbeleid en -beheer vorm geven,
zeer divers is.
De Taskforce zal op basis van de
ervaringen van het afgelopen jaar, na 1 mei 2001 voorstellen doen om
tot een meer structurele aanpak van wachtlijstbeleid en -beheer te
komen, zodat enerzijds meer uniformiteit en transparantie gaat
ontstaan in het beleid van gemeenten en ROC´s en anderzijds landelijke
vergelijkbaarheid wordt bevorderd.
In opdracht van de departementen
heeft de Taskforce enkele pilots gestart op het terrein van zogenaamde
duale trajecten. Daarbij wordt binnen het educatieve deel van het
inburgeringsprogramma een koppeling gelegd tussen taalonderwijs en
beroepsonderwijs en wordt het leren van de Nederlandse taal
gecombineerd met werk. De eerste vorm van een duaal traject wordt door
het ITTA beproefd in een pilot en de tweede vorm door
Orbis/Rijnconsult. Een ander voorbeeld van de combinatie tussen leren
en werk is de pilot binnen TNT Postgroep N.V. (TPG), waarbij (een deel
van) het inburgeringsprogramma op de werkplek zelf wordt uitgevoerd.
Zoals ik heb toegezegd op 13 februari 2001, stuur ik u hierbij een
afschrift van het convenant dat de minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en ik daarover met TPG hebben gesloten.
De opdrachtformulering aan de
Taskforce bevat ook de verbetering van regie en samenwerking op het
terrein van inburgering en de verbetering van de
informatievoorziening. Met de uitvoering van deze opdrachten is de
afgelopen maanden een begin gemaakt.
Tenslotte
Vanaf het
Integratiedebat in april 2000 is, met het oog op het wegwerken van de
wachtlijst die op 1 juli 2000 voor taallessen bestond, door alle
betrokken organisaties een grote inspanning geleverd. De komende
maanden zullen deze inspanningen onverminderd worden voortgezet. De
aandacht zal zich vervolgens met name moeten richten op de structurele
en sluitende aanpak van het oudkomersbeleid en op de verdere uitbouw
van de duale trajecten.
DE MINISTER VOOR GROTE STEDEN- EN
INTEGRATIEBELEID
R.H.L.M. van Boxtel |