
Uitvoering moties
integratiedebat
Op 18 en 20 april
2000 heeft met de fractievoorzitters in de Tweede Kamer het
Integratiedebat nieuwkomers plaatsgevonden. Het debat betrof het
onderwerp integratie van etnische minderheden in het algemeen en
inburgering in het bijzonder. Tijdens het debat heeft uw kamer een
aantal moties aangenomen (TK 1999-2000, 27 083, nrs. 3, 4, 5, 8, 9 en
10). In deze brief informeer ik u, mede namens de ministers van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en de staatssecretarissen van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, over de wijze
waarop het kabinet uitvoering zal geven aan deze moties.
In de motie op stuk
nr. 3 van het lid Melkert c.s. is een drieledig verzoek aan de
regering neergelegd: voorzien in een kwaliteitsimpuls op alle aspecten
van de Wet inburgering nieuwkomers (WIN), wachtlijsten voor
taalonderwijs oudkomers binnen 1 jaar oplossen en over de voortgang de
Kamer iedere 3 maanden te rapporteren en erin voorzien dat de huidige
VVTV’ers van het taalaanbod gebruik kunnen maken.
Zoals reeds
aangekondigd in de voortgangsrapportage inburgering zullen wij in juni
2000 over de verbetering van de uitvoering van de WIN overleg voeren
met alle (koepels van) uitvoeringsorganisaties.
Het kabinet zal in
verband met de wachtlijsten van oudkomers voor taallessen de komende
maanden een analyse (laten) maken van de precieze samenstelling en
omvang van de wachtlijsten, die op dit moment bestaan. Daarbij moet
worden opgemerkt dat de gemeenten de regie voeren bij het aanbieden
van inburgeringsprogramma’s aan oudkomers en dat gemeenten voor wat
betreft de oudkomers niet uitsluitend zijn aangewezen op de diensten
van de Regionale Opleidingen Centra (ROC’s). In aanvulling op de
rapportage die de Inspectie voor het onderwijs begin dit jaar heeft
uitgebracht op basis van gegevens van ROC’s en die, zoals het kabinet
reeds in het debat aangaf, slechts een indicatie van de huidige
wachtlijsten vormt, is daarom een nadere analyse nodig met behulp van
gegevens (ook) afkomstig van gemeenten. Deze analyse, inclusief een
definitie van het begrip wachtlijst, zal dus op de kortst mogelijke
termijn worden gemaakt, rekening houdend met de beschikbaarheid van de
verschillende uitvoeringsorganisaties
Bij de uitvoering
van deze motie zien wij een nadrukkelijke rol weggelegd voor de
zogenaamde Taskforce, die reeds in de voortgangsrapportage inburgering
is aangekondigd. Behalve het ondersteunen van de
uitvoeringsorganisaties en het stroomlijnen van de outputmeting, zal
de Taskforce ook cruciaal zijn bij het oplossen van de
wachtlijstproblematiek. De Taskforce zal nog vóór de zomer van start
gaan. Voor zover nu overzienbaar zal het een projectorganisatie moeten
worden met alle benodigde deskundigheid om een aanjaag- en
rapportagefunctie te vervullen. In het bijzonder zal bij de
wachtlijstreducering ook het aspect van de informatievoorziening
aandacht moeten krijgen.
Over het verzoek om
ook VVTV’ers de mogelijkheid te geven gebruik te maken van het
taalaanbod kunnen wij kort zijn: die mogelijkheid is er al. Daarop
zijn gemeenten in december 1998 expliciet gewezen, maar wij hebben het
voornemen om dit -wellicht ten overvloede- nogmaals onder de aandacht
van de betrokken organisaties te brengen. Overigens zullen in dit
verband de aantallen VVTV’ers in de gemeenten nog eens worden
gecheckt, zodat een helder beeld ontstaat van de potentiële groep in
te burgeren VVTV’ers. Ten overvloede vermelden wij dat de VVTV’ers
niet onder de werking van de WIN vallen, maar dat het wetsvoorstel
Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000, dat bij uw Kamer aanhangig is,
een uitbreiding van de WIN-doelgroep met de VVTV’ers behelst.
Ten slotte herhalen
wij nogmaals dat, voor zover wij nu kunnen inschatten, voldoende
financiële middelen beschikbaar zijn voor de inburgering van zowel
nieuwkomers als de geprioriteerde groepen oudkomers (opvoeders en
werklozen). Mocht uit de nadere analyse blijken dat die inschatting
niet terecht is, dan zullen wij hierop terug komen.
In de motie op stuk
nr. 4 van het lid Melkert c.s. wordt de regering verzocht een
stimuleringsmaatregel voorschoolse opvang te realiseren, daarmee
uiterlijk 1 september 2000 te starten en daarvoor de benodigde
middelen beschikbaar te stellen en voor de begrotingsbehandeling
daarvoor een implementatieplan aan de Kamer voor te leggen.
Tijdens het debat
heeft het kabinet reeds aangegeven dat vanaf 2001 een substantiële
intensivering op het gebied van de voor- en vroegschoolse educatie is
voorzien. Het kabinet werkt nu aan de vormgeving van deze
beleidsinspanning. Daarbij zal de voorgenomen intensivering worden
bezien in het licht van de motie, die spreekt over een
stimuleringsmaatregel. In de loop van de maand juni zal de Tweede
Kamer hier nader over worden geïnformeerd.
In dit kader is de
notitie over de voor- en vroegschoolse educatie van belang. Deze
notitie is door de staatssecretarissen van OCenW en VWS in een
Algemeen Overleg op 4 april jl. toegezegd en zal in juni 2000 aan uw
Kamer worden aangeboden. Daarin zal tevens aandacht worden besteed aan
de samenhang met aanverwante regelingen en terreinen op het gebied van
integratie van etnische minderheden (zoals peuterspeelzalen,
consultatiebureaus en de besteding van de middelen voor inburgering
oudkomers en van het voor deze voorziening relevante gedeelte van de
zogenaamde CRIEM-middelen).
Ten slotte zal de
staatssecretaris van Onderwijs in juni van dit jaar de hiermee
samenhangende uitwerkingsnotitie Onderwijskansen aan de Kamer
voorleggen.
In de motie op stuk
nr. 5 van het lid Melkert c.s. wordt verzocht om voortzetting van de
projecten voor Antilliaanse, Arubaanse, Turkse en Marokkaanse jongeren
(A/A-T/M projecten). Het betreft hier de voortzetting van 39 projecten
in 33 gemeenten, waarvan de beëindiging van de gedeeltelijke
financiering door SZW per 1 mei 2001 zou plaatsvinden. Eind 2000
worden de projecten geëvalueerd. De projecten zouden vanaf 1 mei 2001
door de gemeenten op door hen te bepalen wijze worden voortgezet. In
het kader van de uitvoering van de motie is het kabinet, conform de
wens van de Kamer, bereid goed lopende projecten te continueren.
De motie op stuk nr.
8 van het lid De Graaf c.s. verzoekt de regering vanaf de begroting
2001 een zogenaamde extra comptabele staat van de voor het
integratiebeleid relevante uitgaven op te stellen.
Het kabinet zal zich
beraden op de mogelijkheden van een dergelijk overzicht. Daarbij zal
de expertise worden betrokken die wordt opgedaan in het zogenaamde
VBTB-traject (‘van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording’),
waarin een dergelijk overzicht reeds wordt genoemd.
In de motie op stuk
nr. 9 van het lid Rosenmöller wordt de regering gevraagd alle scholen
te stimuleren een leerlingvolgsysteem te ontwikkelen en de aanstelling
van leerlingbegeleiders te bevorderen. De minister van OCenW heeft
tijdens het debat al aangegeven dat 90% van de scholen reeds met een
leerlingvolgsysteem werkt. Op dat laatste zal worden ingegaan in de
voortgangsrapportage Klassenverkleining. Deze zal medio mei 2000
worden gepubliceerd. In de uitwerkingsnotitie Onderwijskansen die in
juni zal worden gepubliceerd, zal nader worden ingegaan op de
leerlingbegeleiders. Voor de toekomst kan bovendien de invoering van
een onderwijsnummer het volgen van leerlingen die van school wisselen,
vereenvoudigen.
In de motie op stuk
nr. 10 van het lid Rosenmöller wordt de regering verzocht
-bijvoorbeeld via het komende voorjaarsoverleg- te bewerkstelligen dat
uitvoering van de wet Samen structureel verbetert. Het kabinet zal dit
onderwerp agenderen voor het voorjaarsoverleg en het bespreken met de
overheidswerkgevers. In de nota arbeidsmarktbeleid minderheden die in
juni 2000 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden, worden bovendien
maatregelen aangekondigd om de ondersteuning van werkgevers bij
intercultureel personeelsbeleid uit te breiden.
DE MINISTER VOOR
GROTE STEDEN- EN INTEGRATIEBELEID,
R.H.L.M. van Boxtel |