
Verslag werkoverleg inburgering
woensdag 21 juni 2000
tussen de kabinetsdelegatie en
uitvoeringspartners
0. Aanwezig
- de heer W. Kok minister-president
- de heer R.H.L.M. van Boxtel
minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid
- de heer L.M.L.H.A. Hermans
minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
- de heer W.A. Vermeend minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- mevrouw A.M. Vliegenthart
staatssecr. van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- de heer J.H. van der Aa wethouder
in de gemeente Amsterdam
- de heer P.M.M. Heijnen wethouder
in de gemeente Den Haag
- de heer M. Knol wethouder in de
gemeente Deventer
- de heer N. van der Spek wethouder
in de gemeente Eindhoven
- de heer A.R.J.M. van Huut
wethouder in de gemeente Gouda
- mevrouw G. Gravesteijn wethouder
in de gemeente Gouda
- de heer J. Laurier wethouder in
de gemeente Leiden
- de heer T.J. van der Zwan
wethouder in de gemeente Lelystad
- mevrouw P.M. van der Linden
wethouder in de gemeente Utrecht
- de heer J. Th. J. van den Berg
voorzitter Vereniging van Nederlandse Gemeenten
- mevrouw I. van der Dussen
vice-voorzitter BVE-raad
- mevrouw A. Verlaan ROC Amsterdam
e.o.
- mevrouw K. van de Rest ROC
Utrecht e.o.
- mevrouw A.G.A. Hamoen ROC
Eindhoven e.o.
- de heer P. Boekhoud Albeda
College Rotterdam
- mevrouw J.M.F. van de Beek
voorzitter Centraal Bestuur Arbeidsvoorziening
- mevrouw J van Leeuwen voorzitter
RBA Haaglanden en RBA Zuidelijk NH
- de heer H. Sikkema plv-directeur
Arbeidsvoorziening Nederland
1. Opening
De minister-president verwelkomt de aanwezigen. Hij geeft kort het
doel van de bijeenkomst aan: een poging om door middel van een open
gesprek met de uitvoeringsorganisaties een verbeterslag in de
inburgering te maken. Het kabinet hecht veel belang aan een
succesvolle uitvoering en wil daar dus graag in investeren. Tevens
benadrukt de minister-president dat het kabinet op deze bijeenkomst
absoluut geen zwarte pieten wil uitdelen maar juist een begin naar een
goede samenwerking voorstaat. Dat is dan ook het doel van deze
bijeenkomst.
2. Bespreken van onderwerpen met
betrekking tot de inburgering
De knelpunten in het inburgeringsdossier zijn onderverdeeld in
drie onderwerpen aan de hand waarvan het gesprek gevoerd wordt.
A. Het wegwerken van de huidige
wachtlijsten m.b.t. taallessen voor oudkomers
De wachtlijsten voor oudkomers
bestaan voornamelijk uit zelfmelders, die graag willen profiteren van
de mogelijkheden die het inburgeringstraject biedt. Zij worden echter
verdrongen door de komst van nieuwkomers die wel een
inburgeringsprogramma hebben doorlopen, maar verder willen met de
scholing. Het enthousiasme waarmee oudkomers zichzelf aanmelden voor
de inburgering mag niet beschaamd worden. Daar komt bij dat door een
actieve houding vanuit de gemeenten ("de wijk in op zoek naar
oudkomers") steeds meer mensen bereikt worden die op hun beurt ook van
de voorzieningen gebruik willen maken. Op die manier wordt de vraag
naar taalles groter en kunnen wachtlijsten weer aangroeien.
In de discussie rond de taallessen
is de term wachtlijsten een verwarrend begrip. De wachtlijsten
verschillen per cursus en per regio: juist de noodzaak tot maatwerk en
de daaraan gekoppelde differentiatie zorgen voor wachttijden. De term
wachtlijsten, met zijn negatieve bijklank, is hier niet op zijn
plaats. Het is juist de bedoeling dat zoveel mogelijk mensen gebruik
maken van de voorzieningen. De toestroom tot de taallessen dient dan
ook positief benaderd te worden.
Overeenstemming bestaat over het
punt dat de oplossingen voor dit probleem structureel goede afspraken
tussen gemeenten, ROC’s en RBA’s vereisen. De aanwezigen constateren
verder dat het groeiende enthousiasme voor de taallessen op een
positieve manier beantwoord moet worden. Het enthousiasme waarmee
oudkomers willen inburgeren, wordt door de aanwezigen zeer positief
gevonden.
B. De verbetering van de
uitvoering van de inburgering
De eerste vraag die in dit verband
wordt opgeworpen is de vraag naar de 600 uur van de inburgering. Is
600 uur voldoende om een nieuwe taal machtig te worden en over land en
cultuur te leren? Ook hier maakt differentiatie het vraagstuk
ingewikkeld. Vanzelfsprekend heeft een analfabeet meer nodig dan een
academicus. Enerzijds wordt geconstateerd dat voor een nieuwkomers 600
uur om een nieuwe taal te leren, te weinig is. Anderzijds blijkt uit
de praktijk dat een uitgebreidere taalcursus (900 uur) geen betere
resultaten oplevert. Bovendien ronden veel inburgeraars hun cursus
niet af. Alle partijen pleiten daarom voor een betere inbedding van de
taalcursussen in de arbeidsverhouding. De taalcursussen moeten
afgestemd worden op werkende inburgeraars, terwijl op de arbeidsplek
aandacht voor taal gevraagd mag worden. Dit stelt echter enkele eisen
aan de voorzieningen:
- betere inpassing van de
taalcursus in de arbeidsverhouding (avondlessen etc.);
- meer aandacht voor de succesvolle
werkstage-trajecten;
- voorlopig handhaving van de 600
uur taalcursus;
- meer voorzieningen voor
gesubsidieerde kinderopvang;
- de periode waarbinnen de
taalcursus afgerond dient te worden lijkt te kort.
Ook de inzet bij de
inburgeringscursus stelt soms enigszins teleur. In aansluiting op de
discussie in de Tweede Kamer n.a.v. de Vreemdelingenwet 2000 wordt
daarom voorgesteld de verlenging van de voorlopige verblijfsvergunning
afhankelijk te maken van de inspanning bij het volgen van de
taalcursus door de nieuwkomer. Het zou hier echter niet om een
resultaatsverplichting, maar om een inspanningsverplichting moeten
gaan. Dit voorstel zal worden betrokken bij de evaluatie van de WIN.
Enkele gemeenten pleiten voor de
afschaffing van de gedwongen winkelnering bij de Regionale
Opleidingscentra. Als reden hiervoor wordt aangedragen dat de
onderwijsinstellingen lijden onder een gebrek aan flexibiliteit.
Hierbij dienen twee kanttekeningen geplaatst te worden. Enerzijds
hebben de ROC’s flink moeten investeren om de inburgeringsprogramma’s
aan te kunnen bieden. De spin-off komt net op gang. Anderzijds bestaan
grote verschillen tussen de ROC’s. Het is overigens nog maar de vraag
of marktpartijen de kwaliteit voor deze (lage) prijs kunnen leveren
die ROC’s nu aanbieden.
Op het terrein van de uitvoering
lijkt het idee van grote wijzigingen in de systematiek van de WIN niet
veel voorstanders te ontmoeten. Belangrijker dan zulke wijzigingen is
het op peil brengen van de eigen organisatie, zodat het maatwerk
geleverd kan worden dat aansluit bij de kracht en de ontwikkeling van
de mensen zelf. Een verplichtend element in de inburgering kan hierbij
dienst doen, mits de faciliteiten in orde zijn.
De succesvolle combinatie van
scholing en werk vereist een goede samenwerking tussen diverse
partijen. Het Rijk wordt daarom gevraagd met diverse sectoren
landelijk afspraken te maken. In dit verband wijst het kabinet op het
hedenmorgen getekende convenant met 20 bedrijven. Ook tijdens het
voorjaarsoverleg dat aansluitend aan het werkoverleg inburgering
plaatsvindt, zal werk en inburgering een agendapunt zijn.
Geconcludeerd kan worden, dat diverse partijen op dit terrein in elk
geval de bereidheid tonen aan de slag te gaan met een kwaliteitsimpuls
inburgering.
C. Informatievoorziening en
monitorfunctie
De stroeve informatievoorziening
belemmert een succesvol inburgeringsbeleid. Alle aanwezigen
ondersteunen dit standpunt. De uitvoeringspartners stellen voorop, dat
het verzamelen van alle gegevens een uiterst tijdrovende klus is. De
partners moeten teveel, soms totaal uiteenlopende soorten gegevens
verzamelen in een te korte tijdsspanne. Ook lijkt het voortschrijdend
inzicht met zich mee te brengen dat de honger naar cijfers niet af-
maar eerder toeneemt. Op dit terrein lijkt bij uitstek een taak voor
de in te stellen Taskforce Inburgering te liggen. De Taskforce moet
het monitoren aanjagen. Tegelijk wordt een beroep gedaan op het Rijk
om de uiteenlopende verlangens van de betrokken departementen met
elkaar in overeenstemming te brengen.
De gemeenten wordt aangeraden met
het oog op de informatievoorziening meer met clustervorming tussen
gemeenten te werken en de gelijkvormigheid van contracten na te
streven.
3. Conclusies n.a.v. de
discussieronde
De minister-president benadrukt dat integratie van minderheden in
het algemeen en inburgering in het bijzonder één van de grote
prioriteiten in het land is. De knelpunten die een succesvolle
inburgering op dit moment nog in de weg staan zullen we samen moeten
oplossen. In een goede onderlinge verhouding moeten wij, Rijk en
uitvoeringsorganisaties, richting geven aan het beleid en de
kwaliteitsimpuls dragen. In dit kader stelt de minister-president voor
het werkoverleg van heden over circa zes maanden te herhalen om te
kijken of we kunnen spreken van vooruitgang.
4. Opzet en werkwijze van de
Taskforce Inburgering
De nieuwe projectleider van de Taskforce Inburgering, Ella
Vogelaar, stelt zich voor. De drie taken van de Taskforce zullen de
drie onderwerpen worden die zojuist in het werkoverleg besproken zijn:
- wegwerken van de wachtlijsten
taallessen voor oudkomers;
- verbetering van de uitvoering van
de inburgering;
- opzetten en onderhouden van de
informatievoorziening.
Zij ziet de rol van haar en de
projectorganisatie vooral aanjagend en faciliterend, met een integrale
benadering en oplossingsgericht. Vogelaar benadrukt dat de Taskforce
geen verlengde arm van de rijksoverheid wordt, maar een onafhankelijke
positie zal innemen.
De aanwezigen beklemtonen eensgezind
dat de Taskforce niet in de bestaande verantwoordelijkheidsverdeling
moet gaan ingrijpen. De verantwoordelijkheid moet bij de betrokken
uitvoeringspartners blijven zoals het in de wet geregeld is en niet
langs de partners heen door geregeld worden. Veel meer is het de taak
van de Taskforce partijen op hun verantwoordelijkheid te wijzen en ze
aan te sporen.
In het beleidsveld inburgering
bestaat op dit moment een departementale stuurgroep inburgering. Ter
begeleiding stelt Vogelaar voor een bescheiden begeleidingscommissie
samen te stellen, waarin vertegenwoordigers van de aanwezige partners
zitting zouden kunnen nemen. Als reactie hierop zijn andere geluiden
te horen die juist de stuurgroep aangevuld zouden willen zien met
vertegenwoordigers van CBA, BVE en VNG. De reden daarvoor is dat ook
aan de kant van het Rijk verbeteringen noodzakelijk zijn. In een
stuurgroep kan beter naar de afstemming tussen de departementen
gekeken worden. De minister voor GSI stelt voor eertijds met een
voorstel te komen.
6. Rondvraag en sluiting.
Geen van de aanwezigen meldt zich voor de rondvraag. De minister
voor GSI bedankt de aanwezigen hartelijk voor hun komst en sluit de
bijeenkomst. |