| Zevende voortgangsrapportage GPIO |

Voortgangsrapportage
inburgering
1. Inburgering
nieuwkomers
Inleiding
Jaarlijks komen mensen naar Nederland om zich, vanwege verschillende
redenen, blijvend in Nederland te vestigen. Ons land ziet zich voor de
uitdaging geplaatst hen zo snel mogelijk in staat te stellen een plek
te verwerven in de Nederlandse samenleving. Inburgering is daartoe een
eerste stap. Integratie is echter een langduriger proces en
vereist meer dan een cursus Nederlands en Maatschappij-Oriëntatie. De
Nederlandse samenleving biedt de nieuwkomers een kans, een opstap, van
de nieuwkomers moet worden verwacht dat zij deze kans aangrijpen en
daarmee investeren in hun eigen toekomst. Dit is ook in het belang van
blijvende cohesie in de Nederlandse maatschappij.
Na lange jaren van
discussie, gestart met het verschijnen van het WRR-rapport
"Allochtonenbeleid" in 1989, over een meer verplichtende aanpak van de
inburgering van nieuwkomers, werd de Wet inburgering nieuwkomers (WIN)
op 30 september 1998 van kracht. Nederland is hiermee het eerste
Europese land dat op een dergelijke wijze een wettelijke grondslag
heeft gecreëerd voor de inburgering van nieuwe burgers.
Naar de werking van de Onderwijs- en Welzijnsregeling inburgering
nieuwkomers, de voorganger van de WIN, is enig onderzoek gedaan, ook
door de Algemene Rekenkamer. Van een echte evaluatie van het
inburgeringsbeleid, zoals dit onder de WIN vorm heeft gekregen, kan -
het moge duidelijk zijn - nog geen sprake zijn. De wet is pas
anderhalf jaar van kracht. In de wet zelf is voorzien dat in 2001,
drie jaar na inwerkingtreding, de werking van de wet zal worden
geëvalueerd. Een eerste tussenstand van deze evaluatie komt eind 2000
beschikbaar. Over het eerste volle jaar van de WIN, 1999, zijn nog
geen volledige resultaten beschikbaar (de financiële verantwoording
van gemeenten wordt vóór 1 november 2000 ingediend). Om toch enig
inzicht te krijgen heeft de minister voor GSI besloten op onderdelen
van het inburgeringsprogramma een zogenaamde quick scan uit te
voeren en de Kamer, op basis van deze informatie die ook is besproken
met representanten van de uitvoering, een voortgangsrapportage aan te
bieden.
De nu voorliggende rapportage kan niet meer zijn dan een beperkte,
tussentijdse stand van zaken waaraan geen vergaande conclusies kunnen
worden verbonden. Daarvoor is het beschikbare materiaal niet
toereikend. Wel wordt duidelijk op welke punten verbeteringen
noodzakelijk zijn.
In algemene termen komt een beeld naar voren dat enerzijds tot de
constatering leidt dat er al heel wat tot stand is gekomen maar
anderzijds tot het nemen van maatregelen aanzet.
Want er zijn gemeenten die het inburgeringsbeleid op orde hebben, geen
of weinig moeite hebben met het bereiken van de nieuwkomer, redelijk
maatwerk kunnen bieden, goede (prestatie)afspraken hebben gemaakt met
de ROC’s en Arbeidsvoorziening en een goede administratieve
registratie en informatie-uitwisseling voeren. En er zijn gemeenten
die gedeelten van het hele traject op orde hebben. Maar bij een te
groot deel van de gemeenten schort op belangrijke onderdelen nog te
veel om inburgering tot een succes te maken. Dit vormt aanleiding om
de verdere invoering van de WIN nauw te volgen en nu reeds
verbeteringen aan te brengen; deze voortgangsrapportage is dan ook
(slechts) een eerste stap.
2. WIN: de
randvoorwaarden
Het
inburgeringsprogramma bestaat uit het inburgeringsonderzoek, het
educatief programma van gemiddeld 600 uur (bestaande uit een cursus
Nederlands als tweede taal (NT2), maatschappijoriëntatie (MO) en
beroepenoriëntatie (BO)), en de doorgeleiding naar vervolgonderwijs of
werk. Tijdens het gehele inburgeringsprogramma wordt de nieuwkomer
begeleid door een trajectbegeleider.
De gemeente heeft de centrale regierol. De gemeente roept de
nieuwkomer op voor een inburgeringsonderzoek. Tijdens dit onderzoek
wordt, aan de hand van gesprekken met de nieuwkomer waarin zijn werk-
en/of studievaardigheden aan de orde komen en een zogenaamde
intaketoets, door de gemeente, het ROC en Arbeidsvoorziening, bepaald
óf de nieuwkomer een inburgeringsprogramma behoeft en zo ja, uit welke
onderdelen dit programma moet bestaan en tot welk niveau dit moet
opleiden. Zonodig wordt in dit stadium een diplomavergelijking gedaan.
Deze beslissing wordt neergelegd in een beschikking van B&W. Het ROC
verzorgt het educatief programma. Indien de nieuwkomer verzuimt of
uitvalt moet dit door het ROC aan de gemeente (de trajectbegeleider)
worden gemeld. Deze neemt dan contact op met de nieuwkomer. Indien
mogelijk wordt naar een oplossing gezocht; indien blijkt dat de uitval
wordt veroorzaakt door onwil tot deelname aan het programma door de
nieuwkomer, kan de gemeente een sanctie opleggen.
Na afloop van het inburgeringsprogramma, maar in elk geval binnen één
jaar nadat de nieuwkomer is gestart aan het educatief programma, wordt
een toets afgelegd. Op basis van deze toets stelt het ROC een
verklaring op waarin de resultaten worden aangegeven die de nieuwkomer
heeft behaald. Deze verklaring van het ROC wordt als bijlage gevoegd
bij het inburgeringscertificaat dat de gemeente uitreikt aan de
nieuwkomer. Het laatste gedeelte van het inburgeringsprogramma bestaat
uit de doorgeleiding. De gemeente leidt de nieuwkomer door naar
vervolgonderwijs of de arbeidsbemiddeling na hierover afspraken te
hebben gemaakt met de betreffende instanties.
Uit het bovenstaande
blijkt dat de WIN complex is: de wetgever heeft gekozen voor een opzet
waarin gemeenten, ROC’s en RBA’s effectief moeten samenwerken. Het
succes is dus afhankelijk van de inzet van een groot aantal actoren én
van de goede werking van het systeem (de schakelmomenten). Dit komt
tot uiting in de eisen die aan de uitvoerders worden gesteld zoals een
sterke regievoering, samenwerking (zowel tussen gemeentelijke diensten
als tussen gemeenten onderling en met externe partners als ROC’s en
Arbeidsvoorziening), het aanbieden van maatwerk voor de nieuwkomer en
het sturen op output.
Vanuit de
rijksoverheid is de invoering van de WIN op allerlei manieren
ondersteund. Behalve de regelgeving heeft het Rijk - om zeker te
stellen dat alle nieuwkomers onmiddellijk een inburgeringsprogramma
zouden kunnen volgen - de gemeenten financieel in staat gesteld de
benodigde arrangementen te treffen.
|
Landelijk budget
inburgering: beschikbaar en besteed (in mln. euros) |
| |
1996 |
1997 |
1998 |
1999 |
2000 |
| beschikbaar
budget |
95,75 |
113,45 |
132,95 |
137,95 |
133,87 |
| netto besteed
budget |
84,4 |
89,4 |
107,1 |
---- |
---- |
Begin 2000 is uit de
financiële afrekening over 1998 gebleken, dat bij de gemeenten 19,5%
van het totale budget inburgering nieuwkomers (d.i. 25,87 mln. euro
van de 132,95 mln. euro) niet is besteed aan de inburgering van
nieuwkomers die tot de doelgroep van de WIN behoren. Van deze niet
voor de WIN ingezette middelen is 1,4 mln. euro besteed aan reguliere
educatie (WEB) en 1,73 mln. euro aan de integratie van minderheden in
brede zin (Welzijnswet); de overige 22,73 mln. euro is door de
gemeenten gereserveerd. Hiervan heeft een overgrote meerderheid (84%)
van de gemeenten gebruik gemaakt.
Geconcludeerd kan worden dat er in principe voldoende middelen waren
om het feitelijke aantal nieuwkomers in te burgeren.
Vanuit de
rijksoverheid is van meet af aan voorzien in de ondersteuning van de
implementatie van het inburgeringsbeleid, zowel van de Onderwijs- en
Welzijnsregeling inburgering nieuwkomers als van de WIN. Al in 1994
werd gestart met de Nieuwsbrief Nieuwkomers die tot eind 1999
gemiddeld 5 maal per jaar uitkwam.
Daarnaast werden de gemeenten en ROC’s ondersteund met producten als
het Handboek regie inburgering, de brochure Trajectbegeleiding
nieuwkomers, de brochure Maatschappelijke begeleiding "Inburgering is
maatwerk", het Handboek Maatschappij-Oriëntatie, de NT2-Profieltoets,
lesmateriaal voor Maatschappij Oriëntatie in het Nederlands en in
verschillende andere talen zoals Arabisch, Turks, Farsi, Dahri en
Pashtu, materiaal voor de opzet van het onderdeel Beroepenoriëntatie,
materiaal voor de begeleiding van docenten, de Handreiking
identificatie nieuwkomers, een aanmeldings- en ontheffingsformulier,
modelbeschikkingen B&W, een inburgeringscertificaat en een GFO
(Gemeenschappelijk Functioneel Ontwerp) ten behoeve van de registratie
en informatie-uitwisseling van gegevens. In de loop van de jaren
werden verschillende conferenties georganiseerd. Voor de nieuwkomers
tenslotte werd een brochure (in 9 talen) en een video ontwikkeld.
Speciaal voor de begeleiding van de invoering van de WIN is in de
zomer van 1998 een zogenaamd implementatietraject gestart. Dit traject
was gericht op het overbrengen van kennis en kunde van de WIN.
Een aantal initiatieven lopen door, zoals bijvoorbeeld het Handboek
WIN. Daarnaast is eind 1996 de telefonische Helpdesk inburgering
opgezet waar 3000 à 4000 vragen om informatie per jaar worden
afgehandeld. In 1997 is een inburgeringssite op internet, Inburgernet,
geopend dat, via Gemnet en Internet, zo’n 23.000 bezoekers per maand
heeft.
Op zeer korte termijn zal een Taskforce worden opgezet die als een van
haar taken heeft de uitvoerende instanties te adviseren en te helpen
bij hun werk.
3. De eerste
cijfers
Zoals uit
onderstaand overzicht van de resultaten onder de Onderwijs- en
Welzijnsregeling inburgering nieuwkomers duidelijk wordt bleef het
aantal nieuwkomers met wie een inburgeringsovereenkomst, cq.
beschikking werd gesloten of die het inburgeringsprogramma afsloten
onder de jaarlijks gemaakte ramingen voor inburgering nieuwkomers.
De belangrijkste oorzaken van dit verschil tussen ramingen en
feitelijke prestaties lijken de uitval tijdens het
inburgeringsprogramma te zijn en een lager aantal statusverleningen
dan voorzien.
| |
1996 |
1997 |
1998 |
| macro-budget |
95,7 mln. euro
|
113,45
mln. euro |
132,95 mln. euro |
|
geraamd aantal nieuwkomers |
19.215 |
22.201 |
22.561 |
|
aantal overeenkomsten c.q.
beschikkingen |
16.890 |
17.517 |
19.458 |
| toetsen c.q.
verklaringen |
n.v.t. |
n.v.t. |
11.551 |
Voor wat betreft de
resultaten in 1999, het eerste volle jaar onder de WIN, zijn er alleen
zogenaamde telgegevens bekend. Hieruit blijkt dat de gemeenten 17.531
beschikkingen hebben afgegeven en 17.026 verklaringen. Deze prestaties
blijven ruim onder de geraamde 22.561 nieuwkomers, waarvoor een budget
van 137,95 mln. euro beschikbaar was. De ervaring met de telgegevens
in 1998 was dat de in februari ’98 aangeleverde gegevens, na de
accountantsverklaringen in november, substantieel naar beneden moesten
worden bijgesteld. Dit zal vermoedelijk ook voor 1999, het eerste
volle jaar van de WIN, zo zijn. Veel gemeenten geven in eerste
instantie een hoger aantal beschikkingen en verklaringen op dan door
de accountantscontrole kan worden gewaarmerkt omdat op basis van deze
eerste gegevens het budget wordt verdeeld. Deze geconstateerde
afwijking tussen de voorlopige opgave en de definitieve, door een
accountant gewaarmerkte, opgave van bekostigingsgegevens leidt
daardoor tot een ongewenste hersteloperatie van het inburgeringsbudget
achteraf. Om dit voortaan te voorkomen wordt ernaar gestreefd het
Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers dusdanig aan te passen dat
gemeenten voortaan één maal per jaar, door een accountant gewaarmerkte
gegevens, aanleveren op een nog nader te bepalen datum. Bij deze
wijziging zullen ook andere gebleken knelpunten worden meegenomen,
o.a. een sanctiebepaling bij niet-indienen van het inhoudelijk
jaarverslag. Voor het jaar 2000 zal de Minister van OCW op korte
termijn een ministeriele regeling treffen waardoor het beschikbare
budget 2000 alsnog kan worden verdeeld op basis van de door de
accountants gewaarmerkte bekostigingsgegevens over 1998.
Bij de vaststelling van het landelijk budget voor de inburgering in
het jaar t wordt uitgegaan van de raming van het aantal nieuwkomers
voor dat jaar èn van het gerealiseerde aantal inburgeringsprogramma’s
in het jaar t-2. In de Memorie van Toelichting op de WIN is sprake van
een bandbreedte tussen realisatie en raming. Overschrijdt de
realisatie de bandbreedte in positieve of negatieve zin dan wordt het
landelijk budget aangepast. In het Bekostigingsbesluit zal de
bandbreedte expliciet worden gekwantificeerd.
Naast het aanleveren van de zogenaamde telgegevens zijn gemeenten
verplicht een inhoudelijk verslag te leveren. Op basis van deze door
de gemeenten opgestelde inhoudelijke verslagen uit 1996 en 1997 heeft
de Piers Groep een rapportage opgesteld (per brief van 13 april 2000
aan de Tweede Kamer aangeboden, kenmerk CIM 2000/65716). Hieruit
blijkt dat onder de Onderwijs- en Welzijnsregeling inburgering
nieuwkomers de volgende resultaten zijn bereikt: van de bereikte
nieuwkomers (diegenen die hebben deelgenomen aan een intakegesprek of
hebben laten weten daartoe niet in staat te zijn), heeft in 1996 73%
en in 1997 80% een inburgeringscontract gesloten.
Van de bereikte nieuwkomers is 60% (1996) respectievelijk 71% (1997)
daadwerkelijk gestart met het inburgeringsprogramma. Van de bereikte
nieuwkomers uit 1996 en 1997 heeft 49% respectievelijk 60% het
educatieprogramma afgerond of is daar nog mee bezig. Uit deze gegevens
blijkt dat er nog een verre van bevredigend resultaat is bereikt.
Overigens is hierbij van belang dat de gemeenten over de jaren 1996 en
1997 werden afgerekend op het aantal afgesloten
inburgeringscontracten en het volgen van het programma
gedurende 6 uit totaal 9 maanden(input) en dat pas vanaf 1998 het
aantal afgenomen toetsen cq. het aantal verstrekte
verklaringen (dat aan een inburgeringsprogramma is deelgenomen:
dus output) een belangrijk deel uitmaakt, namelijk 70%, van de
prestatie waarop de gemeenten worden afgerekend.
Deze systematiek, die in de WIN is vastgelegd, moet leiden tot een
hoger percentage nieuwkomers dat het inburgeringsprogramma ook
daadwerkelijk afrondt.
Analyse van de door
de gemeenten aangeleverde gegevens levert enkele vaststellingen op:
- Naarmate de
gemeente groter is en meer nieuwkomers per jaar moet inburgeren
nemen de inburgeringsresultaten af; wel is het zo dat zowel grote
als middelgrote gemeenten betere prestaties boeken in 1997 dan in
1996.
- Nieuwkomers die
een vluchtelingenachtergrond hebben boeken betere resultaten dan
nieuwkomers die naar Nederland komen in het kader van
gezinsvorming- en hereniging.
- De uitval is
hoog, zowel tijdens het inburgeringsonderzoek (het onderzoek leidt
niet tot een contract of onderwijsovereenkomst) als het
inburgeringsprogramma zelf. Volgens de door de gemeente opgegeven
redenen is de uitval tijdens het inburgeringsonderzoek vooral te
wijten aan "persoonlijke omstandigheden" die niet nader worden
gespecificeerd; tijdens het inburgeringsprogramma zelf wordt de
uitval, naast persoonlijke omstandigheden, vooral veroorzaakt door
verhuizing, het vinden van werk en gebrek aan motivatie van de
nieuwkomer.
4. De verbeter-
en actiepunten in kaart gebracht
In deze paragraaf
wordt nader ingegaan op de resultaten van de gehouden quick scans, met
name op de onderdelen waarvan geconstateerd is dat zij (nog) niet naar
behoren verlopen.
De quick scans zijn
met name gericht op uitvoerende organisaties zoals de ROC’s en
Arbeidsvoorziening én hun samenwerking met de gemeenten omdat de
invulling van het inburgeringsproces voor een deel afhankelijk is van
hun functioneren.
a. ROC’s
De ROC’s hebben de
afgelopen jaren een fusiegolf doorgemaakt. De verschillende secties,
de beroeps- en de educatiepoot, moeten aan elkaars cultuur wennen en
gaan samenwerken. De uitvoering van de WIN, waar maatwerk centraal
staat, zou hiertoe een vliegwiel kunnen zijn, maar kan op zichzelf een
te klein onderdeel binnen het ROC blijken om dit zelfstandig tot stand
te brengen. Om de voortgang van het proces van professionalisering te
ondersteunen moet inburgering binnen de ROC’s krachtiger worden
gepositioneerd.
In opdracht van de
ministeries van BZK en OCW, de VNG en de BVE Raad heeft de
projectleiding Implementatie inburgering in de tweede helft van 1999
een verkenning uitgevoerd naar de wijze waarop gemeenten en ROC's de
uitvoering van de WIN organiseren en ervaren (per brief van 13 april
2000 aan de Tweede Kamer aangeboden, kenmerk CIM 2000/65716). Het
onderzoek "Maatwerk in de WIN" maakt een aantal zaken duidelijk:
- Afspraken met de
gemeente
ROC’s en gemeenten sluiten raamovereenkomsten waarin wordt
vastgelegd voor wie en onder welke voorwaarden educatieve
activiteiten worden uitgevoerd. Onder de raamovereenkomsten vallen
meerdere productovereenkomsten waarvan één de inburgering betreft.
Voor zover er productovereenkomsten voor inburgering worden
afgesloten tussen gemeenten en ROC’s zijn deze vaak weinig
gedetailleerd; de nadruk ligt vooral op de organisatievoorwaarden:
het komt weinig voor dat er (gedetailleerde) resultaatafspraken
worden opgenomen. In de meeste gevallen worden geen
prestatieafspraken gemaakt over het te behalen taalniveau,
slaagpercentages en uitwisseling van gegevens; wel wordt in de
productovereenkomsten aandacht besteed aan het aantal uren, de
instroommomenten en de differentiatie in aanbod (hoog/laag
opgeleid).
Het gevolg hiervan is dat er in de meeste gevallen een aanbod is
ontstaan van standaardtrajecten, waarbij het uitgangspunt is de
inpassing van een nieuwkomer in bestaande structuren en niet het
centraal stellen van de nieuwkomer en het vinden van een passend
traject (het zgn. maatwerk).
In overleg met de VNG en de BVE Raad worden de bovenstaande gebreken
geconstateerd en wordt een model-productovereenkomst met hierin
prestatieafspraken ontwikkeld. Afgesproken wordt dit model, met een
aantal voorbeelden van goede samenwerking tussen gemeenten en ROC,
te verspreiden onder gemeenten en ROC’s.
- Het educatieve
programma
De WIN vereist flexibiliteit en maatwerk in organisatie en feitelijk
aanbod.
Wat betreft de organisatie moet het aanbod worden verruimd, in die
zin dat er een ruimer aanbod ontstaat van flexibele openingstijden
('s avonds, weekend, zomersluiting en andere vakantieperioden), het
aantal instroommomenten, het gebruik van doorcontracteren naar
universitaire cursussen of ander aanbod dat goed aansluit bij
bepaalde deelnemers. Recentelijk hebben een aantal ROC’s overigens
contracten met universiteiten gesloten ten behoeve van dergelijke
cursussen.
De mogelijkheden van docentonafhankelijk onderwijs, modulair
onderwijs, taalstages en combinaties van trajecten NT2 en
beroepsonderwijs moeten worden gestimuleerd en vergroot.
Om een extra zekering te geven dat het beoogde taalniveau wordt
gehaald wordt overwogen in de regelgeving op te nemen dat de
Profieltoets NT2 pas wordt afgenomen als 90% van het aantal lesuren,
dat in de beschikking die wordt geslagen na afronding van het
inburgeringsonderzoek, is gevolgd.
Daarnaast wordt in deze tijd de noodzaak steeds groter een
combinatie van werken en leren aan te bieden. Het kabinet hecht
eraan dat het taalniveau, zoals omschreven in de WIN, wordt gehaald.
Een kort, intensief programma met een aansluitend aanbod waarin werk
en leren worden gecombineerd, is een van de oplossingen. Dit kan in
de vorm van taal- en werkstages en programma’s als Nederlands op de
werkvloer waardoor werkende nieuwkomers gelegenheid wordt gegeven
een educatief programma te volgen. Hiertoe moeten afspraken tussen
gemeenten en bedrijven worden gemaakt, in samenwerking met ROC’s,
Arbeidsvoorziening en uitzendbureaus. Alle partijen zijn
hierbij gebaat: de nieuwkomer behaalt het in de wet geformuleerde
taalniveau, de werkgever beschikt over personeel.
Het kabinet zal dit punt agenderen voor het Voorjaarsoverleg met de
sociale partners.
- De informatie
uitwisseling
De WIN stelt andere en hogere eisen aan registratie en
gegevensuitwisseling dan de WEB. Daar zijn de meeste ROC’s nog niet
op ingesteld. Goede cursist-volgsystemen, die nodig zijn voor de
gegevensuitwisseling tussen ROC's en gemeenten ontbreken vaak of
zijn nog in ontwikkeling. Ook verzuimmelding en registratie, voor
een gemeente belangrijke gegevens in verband met de verplichting tot
inburgering, vinden nog onvoldoende plaats. Hierdoor zijn de ROC's
niet in staat de door de gemeente gevraagde gegevens aan te leveren.
Op initiatief van de VNG en de BVE Raad is een model ontwikkeld dat
gestructureerde gegevensuitwisseling mogelijk maakt. Dit zal onder
gemeenten en ROC’s worden verspreid.
b.
Arbeidsvoorziening
De
Arbeidsvoorzieningsorganisatie wordt momenteel in het kader van de
SUWI-operatie opgesplitst. Met name gaat het daarbij om een
(vooralsnog publiek) Reïntegratiebeleid (RIB) en Basisdiensten. In een
volgende fase wordt dit RIB een overheids-NV gedurende een zekere
periode. Tenslotte wordt het RIB volledig geprivatiseerd. In dit
proces zal de overheid bewaken dat de doelstellingen en taken ten
aanzien van etnische minderheden en nieuwkomers geborgd blijven.
Met het oog op een
goede toeleiding van nieuwkomers naar de arbeidsmarkt zijn in de WIN
bepalingen opgenomen over de rol van Arbeidsvoorziening bij het
inburgeringsonderzoek en bij het opstellen van het advies van B&W over
doorgeleiding richting arbeid. Hiermee wordt vermeden dat de
nieuwkomer tussen wal en schip kan geraken. Daarnaast hebben SZW, BZK,
Arbeidsvoorziening en de VNG, naar aanleiding van een bij de
behandeling van de WIN door de TK aangenomen motie, afspraken gemaakt
over de toeleiding van nieuwkomers naar de arbeidsmarkt. Doel hiervan
is een goede samenwerking tussen Arbeidsvoorziening en gemeenten in
het kader van inburgering van de grond te doen komen en zoveel
mogelijk nieuwkomers die dat nodig hebben in vervolg op het
inburgeringsprogramma in aanmerking te laten komen voor een
arbeidstoeleidingstraject.
In opdracht van de Ministeries van SZW en BZK is door IVA Tilburg
(Instituut voor sociaal-wetenschappelijk beleidsonderzoek en advies)
een kortlopende studie gedaan in 26 gemeenten naar de rol van
Arbeidsvoorziening op bovengenoemde punten (Bijlage 2: Quick scan
Arbeidstoeleiding en nieuwkomers, IVA Tilburg, april 2000).
Uit het onderzoek
komt naar voren dat de bijdrage van het Arbeidsbureau, zoals
voorgeschreven, in de meeste gevallen plaats vindt tijdens het
inburgeringsonderzoek en bij de doorgeleiding na afronding van het
inburgeringsprogramma. De betrokkenheid is vooral groot bij het advies
over doorstroming en minder groot bij het inburgeringsonderzoek. De
uitwisseling van gegevens tussen de regievoerder en Arbeidsvoorziening
en de advisering door Arbeidsvoorziening is nog voor verbetering
vatbaar. Het komt voor dat er een te lange periode zit tussen de
afronding van het inburgeringsprogramma en de bemiddeling. Het gevaar
bestaat dat het door de nieuwkomer bereikte niveau van taalbeheersing
daalt waardoor hij niet meer bemiddelbaar is. De doorgeleiding vindt
in veel gevallen alleen schriftelijk plaats en ook dat is niet altijd
voldoende. Uit het onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat de advisering
over nieuwkomers aan gemeenten vanuit Arbeidsvoorziening en ROC niet
altijd overeenstemt. Zeker in deze gevallen is naast schriftelijke
communicatie tussen regievoerder en Arbeidsvoorziening ook afstemming
tussen Arbeidsvoorziening en ROC, geïnitieerd door de regievoerder,
noodzakelijk. Vanwege de zwakke invulling van de regierol door
gemeenten opereren ROC en Arbeidsvoorziening vaak vrij autonoom en
niet op elkaar afgestemd.
De onderzoekers stellen voorts vast dat binnen veel gemeenten nog
onduidelijkheid bestaat over de relevantie van het maken van lokale
afspraken over het aanbieden van reïntegratietrajecten direct
aansluitend op of parallel aan het inburgeringsprogramma aan zoveel
mogelijk nieuwkomers die dat nodig hebben.
Belangrijke succesfactoren voor de totstandkoming van de bijdrage van
Arbeidsvoorziening bij de uitvoering van de WIN en het maken van
lokale afspraken over arbeidstoeleiding van nieuwkomers blijken een
adequate invulling van de regiefunctie van de gemeente en, voor zover
het reïntegratiemiddelen betreft van Arbeidsvoorziening, een reeds
bestaande goede samenwerkingsrelatie tussen de gemeenten en
Arbeidsvoorziening.
Het LIWI zal de
beleidsmatige en wettelijke taken van Arbeidsvoorziening - waaronder
de taken in het kader van de WIN en de Wet SAMEN - op zich nemen en
verantwoordelijk zijn voor de basisdienstverlening, de directe
bemiddeling van fase-1 cliënten. Nader bezien zal worden of
intensievere dienstverlening door het LIWI kan worden verstrekt aan
bepaalde fase-1 cliënten, bijvoorbeeld etnische minderheden. Het RIB
zal zich concentreren op reïntegratieactiviteiten. Het is de bedoeling
om het product ‘Werkstages met Taalondersteuning’ te positioneren in
het RIB. Het reïntegratiebedrijf (RIB) concurreert met andere
reïntegratiebedrijven op de vrije markt. Het RIB zal in de eindfase
van de ontvlechting dus niet meer beleidsmatig gestuurd activiteiten
ontplooien om de kansen van minderheden op de arbeidsmarkt te
vergroten. De vraag welke activiteiten door het RIB uitgevoerd worden
is afhankelijk van de vraag van opdrachtgevers (uvi’s en gemeenten)
die de beleidsmatig gewenste diensten vri
De bovenstaande
knelpunten vormen aanleiding tot overleg van het kabinet met de VNG en
Arbeidsvoorziening om te komen tot samenwerkings- c.q.
uitvoeringsovereenkomsten.
c.
Registratieproblematiek
Gemeenten zijn
krachtens de WIN en het Uitvoeringsbesluit inburgering nieuwkomers
wettelijk verplicht een aantal gegevens over de vaststelling van de
voortgang en de registratie daarvan aan te leveren aan het Rijk. Uit
de door de gemeenten aangeleverde gegevens (zowel de prestatiegegevens
als de inhoudelijke verslagen) blijkt dat het beheer van de
registratie, uitzonderingen daargelaten, bij veel van hen onvolledig
en onzorgvuldig is.
Met de VNG en gemeenten, met ROC’s en Arbeidsvoorziening zullen
afspraken worden gemaakt over de verbetering en beheer van de
registratie.
d.
Trajectbegeleiding
De
trajectbegeleidingstaak, zoals door de WIN omschreven, wordt heel
verschillend en kwalitatief niet altijd even bevredigend ingevuld.
Vanwege de gebleken behoefte aan uniformering en professionalisering
van de trajectbegeleiding is aan FORUM de opdracht gegeven tot het
ontwerp van een functiemodel. Daarvoor worden de functies van de
welzijnscomponent uitgewerkt in taken en activiteiten, worden
resultaten van de activiteiten gedefinieerd in meetbare termen, wordt
het tijdbeslag per activiteit vastgesteld en worden de
randvoorwaarden, zoals kwaliteitseisen, gedefinieerd.
Dit moet resulteren in een functioneel model voor de welzijnscomponent
en in een functieprofiel trajectbegeleiding voor de kleine,
middelgrote en grote gemeenten. De mogelijkheid zal worden onderzocht
om het functieprofiel trajectbegeleiding op te nemen in de relevante
CAO’s. Dit project is eind 2000 gereed.
Onderzocht wordt of een ondersteunende structuur de trajectbegeleiding
steviger kan positioneren.
e. Sanctiebeleid
In het algemeen
overleg over het Boetebesluit inburgering nieuwkomers dat op 23
september 1998 met de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties plaatsvond heeft de minister voor GSI toegezegd na
een jaar een evaluatie te zullen doen waarbij de centrale
vraagstelling zou zijn de wijze waarop in de praktijk met het
sanctiesysteem, de bestuurlijke boete, en de korting op de
bijstandsuitkering wordt omgegaan.
Het onderzoek is gestart in december 1999; het rapport is op 13 april
2000 opgeleverd (bijlage 3: Sanctionering onder de WIN. Een stand van
zaken. Den Haag, 2000).
Het onderzoek bestond uit een kwantitatief en een kwalitatief
gedeelte. Tijdens het kwantitatief onderdeel zijn 86 van de in totaal
118 bureaus nieuwkomers telefonisch bevraagd. In 15 gemeenten die
ofwel een actief sanctiebeleid voeren of dat juist niet doen zijn
daarna gesprekken gevoerd die hebben geleid tot een kwalitatieve
beschrijving van de stand van zaken ten aanzien van de praktijk van
het sanctioneren.
Het onderzoek heeft het volgende uitgewezen:
- 23% van de
gemeenten sanctioneert (de 86 bureaus nieuwkomers hadden een
gezamenlijke taakstelling van 9.887 inburgeraars in 1999 waarvan er
146 zijn gesanctioneerd), terwijl gemeenten aangeven dat de uitval
onder nieuwkomers hoog is;
- Gemeenten die een
sanctiebeleid toepassen doen dit pas zeer kort. Er is dus nog
betrekkelijk weinig ervaring mee opgedaan;
- Als redenen voor
het niet-toepassen van sancties geven gemeenten aan
- zelf slecht
zicht te hebben op de voortgang van de nieuwkomers en dus niet in
staat zijn sancties toe te passen. Hieruit kan worden opgemaakt
dat de grote en middelgrote gemeenten de procedures en
werkprocessen ten behoeve van de WIN nog niet op orde hebben.
- Bovendien is er
twijfel over de effectiviteit van het middel. Er wordt meer heil
gezien in het belonen van goed gedrag en behaalde resultaten. Of
dit echter effectiever is wijst het onderzoek niet uit. Daarvoor
is de WIN te kort van kracht.
Het kabinet gaat
ervan uit dat, op het moment dat de gemeenten hun volgsystemen op orde
hebben, de sanctiesystemen effectief moeten worden toegepast.
Op de toepassing van het sanctiebeleid zal in de volgende rapportage
over inburgering worden teruggekomen.
f. De gemeente
- Regiefunctie
Uit de twee quick scans die de afgelopen maanden zijn
uitgevoerd (naar de relatie tussen ROC’s en gemeenten en naar de
doorgeleiding na afloop van het inburgeringsprogramma) is gebleken
dat veel gemeenten de regiefunctie nog onvoldoende hebben op- of
uitgebouwd.
Hierdoor wordt de voortgang van inburgering zowel op individueel
niveau (de nieuwkomer) als op gemeentelijk niveau belemmerd. Immers,
in het kader van inburgering is het primaire doel van de
regiefunctie van de gemeente er voor te zorgen dat alle uitvoerende
diensten en organisaties hun taken zodanig uitvoeren en op elkaar
afstemmen, dat de nieuwkomer zo goed en zo snel mogelijk het voor
hem vastgestelde inburgeringsprogramma kan afronden. Hieronder moet
ook het flankerend beleid worden verstaan (b.v. kinderopvang).
Met de VNG worden afspraken gemaakt om deze regiefunctie te
verbeteren.
- Samenwerking
tussen gemeenten
Samenwerking tussen gemeenten kan de efficiëntie vergroten. Dit
geldt vooral voor gemeenten met weinig nieuwkomers. Ook kan de
onderhandelingspositie naar andere partners, zoals ROC’s en
Arbeidsvoorziening hierdoor worden vergroot.
In de Memorie van Toelichting bij de WIN is deze samenwerking sterk
aanbevolen. Gebleken is dat dit in steeds geringere mate gebeurt.
Met de VNG is reeds afgesproken dat de komende maanden een dringend
beroep wordt gedaan op gemeenten tot clustervorming over te gaan.
In het verlengde van wat reeds is afgesproken zal met de VNG op de
meest korte termijn worden gesproken over zowel de versteviging van
de regiefunctie als de bevordering van clustervorming tussen
gemeenten. In de volgende rapportage over inburgering zal over de
vorderingen worden gerapporteerd.
- Onderzoek door
KPMG
Om op korte termijn inzicht te krijgen in de aanwending van de door
het Rijk aan gemeenten verstrekte middelen, is KPMG opgedragen een
onderzoek bij een aantal gemeenten te doen. Dit onderzoek moet
vooral een dieper en gedetailleerder inzicht geven in de besteding
van de inburgeringsmiddelen door gemeenten in de jaren 1996 tot en
met 1999 en de kwantitatieve resultaten van het gemeentelijk
inburgeringsbeleid. Voor de jaren tot 1999 zijn slechts globale
cijfers beschikbaar op rijksoverheidsniveau; voor 1999 ontbreken
deze cijfers, afgezien van schattingen over prestaties door de
gemeenten, op dit moment geheel (gewaarmerkte gegevens over 1999
worden voor 1 november 2000 door de gemeenten aangeleverd). Door
KPMG wordt tevens in vijf gemeenten kwalitatief onderzoek gedaan
naar de knelpunten in de uitvoering van de WIN. Het onderzoek wordt
eind april opgeleverd.
5. Houders van
een Voorlopige Vergunning tot Verblijf (VVTV’ers)
De Tweede Kamer
heeft tijdens het debat over het integratiebeleid van 22 november 1999
het kabinet gevraagd te reageren op signalen vanuit de gemeenten, dat
er in 2000 geen geld zou zijn om vvtv’ers in te burgeren. De minister
voor GSI heeft daarop toegezegd om per 1 maart - op basis van de
indicatieve prestatiegegevens van de gemeenten - de Tweede Kamer te
berichten over de middelen om vvtv’ers in te burgeren.
Positie
Tot de doelgroep van het inburgeringsbeleid dat per 1-1-1996 van
start ging behoorden ook de vvtv’ers. Zij konden op vrijwillige basis
meedoen aan de inburgering.
- Onder de WIN zijn
de vvtv’ers niet opgenomen als categorie die verplicht moet
inburgeren. Na omzetting van de vvtv-status in een vtv (vergunning
tot verblijf) komt betrokkene uiteraard alsnog in aanmerking voor
een inburgeringsprogramma. Dit betekent dat het overgrote deel van
de vvtv’ers alsnog op termijn een aanbod krijgt, en dat zij als
zodanig ook meelopen in de omvangsbepaling van de doelgroep en de
voor de inburgering beschikbaar gestelde middelen.
- Gemeenten hoeven
echter niet te wachten totdat de vvtv’status wordt omgezet in een
vtv’status. Immers, de bekostigingssystematiek van de WIN maakt het
mogelijk voor gemeenten om de voor enig jaar niet voor de doelgroep
van de WIN benutte middelen in te zetten binnen het kader van de WEB
of de Welzijnswet voor andere groepen zoals vvtv’ers. Het WIN-budget
biedt deze ruimte ook omdat bij de invoering van de WIN het
macrobudget niet is afgeroomd voor de vvtv’ers hoewel zij vanaf het
moment van inwerkingtreding van de WIN niet langer tot de doelgroep
behoorden. Voor die tijd vormden zij een substantieel deel van de
doelgroep van inburgering. In feite is dit een extra mogelijkheid.
- Vvtv’ers kon
overigens reeds een scholingsaanbod worden gedaan vanuit de
reguliere educatiemiddelen in het kader van een gefaseerd
integratietraject zoals dat al voor deze categorie vanaf 1994 op
grond van de Zorgwet geldt.
Aantallen
Uit de meest recente gegevens van de ministeries van Justitie en
BZK blijkt dat er per ultimo 1999 11.944 houders van een vvtv-status
in de gemeenten verbleven. Hiervan waren er 8.419 in 1999 uitgeplaatst
naar gemeenten. Dit betekent dat 3.525 personen van de 11.944 al in
1998 in de gemeenten verbleven en in dat jaar een inburgeringsaanbod
kunnen hebben gekregen onder de Onderwijs- en Welzijnsregeling
inburgering nieuwkomers.
De IND verwacht in 2000 nog 2.500 nieuwe vvtv-statussen te verlenen.
Dat betekent dat er eind 2000 10.919 (8.419 in 1999 en 2.500 in 2000)
vvtv’ers in gemeenten gehuisvest zijn, die niet tot de doelgroep van
de WIN behoren.
Hierbij moet worden opgemerkt dat de IND heeft aangegeven dat er in
2000 circa 3.110 vvtv- statussen worden ingetrokken, die daardoor niet
in aanmerking komen voor een inburgeringsaanbod. Daarnaast zullen
volgens de IND circa 2.800 vvtv-statussen worden omgezet in een A/VTV
status. Bij deze omzetting komen zij wel aanmerking voor inburgering
en daarom zijn zij reeds meegenomen in de ramingen.
Er zullen dus eind
2000 circa 5.000 houders van een vvtv-status in gemeenten resteren die
niet onder de WIN vallen. Gemeenten hebben hen echter, vanuit de
resterende inburgeringsgelden voor nieuwkomers óf uit de reguliere
educatiemiddelen een aanbod kunnen doen. Of dat is gebeurd en hoeveel
vvtv’ers op deze wijze een scholingsaanbod hebben gehad is op
rijksniveau op dit moment onbekend. Overigens, een gedeelte van deze
5000 personen is nog in de leerplichtige leeftijd en valt dus niet
onder het inburgeringsregime.
Voorts is relevant dat in 1999 veel minder A/vtv-statussen zijn
afgegeven dat werd geprognosticeerd waardoor er minder nieuwkomers dan
verwacht moesten worden ingeburgerd terwijl het macrobudget
inburgering gehandhaafd bleef. Hierdoor hebben de gemeenten in 1999 en
2000 meer financiële ruimte dan verwacht. Hoe groot de reserveringen
of bestedingen aan andere groepen dan nieuwkomers bij gemeenten zijn
geweest in dit jaar wordt echter pas duidelijk bij de afrekening van
1999. Hiervoor leveren de gemeenten voor 1 november 2000 een
financiële verantwoording aan, voorzien van een accountantsverklaring.
Overwegende dat het macrobudget gelijk is gebleven en de instroom van
nieuwkomers minder, is de verwachting dat gemeenten in 1999 minder
hebben besteed aan de inburgering van nieuwkomers die tot de doelgroep
van de WIN behoren en dus meer financiële middelen hebben overgehouden
om aan andere groepen te besteden of te reserveren. Gevoegd bij de in
1998 gevormde reserves van de gemeenten, de beschikbare reguliere
educatiemiddelen en het feit dat in de nieuwe Vreemdelingenwet - ook
financieel - voorzieningen worden getroffen voor de dan weer onder de
verplichte inburgering vallende categorie van vvtv’ers, komt het
kabinet tot de slotsom dat er geen noodzaak bestaat om voor de korte
periode vóór de inwerkingtreding van de nieuwe Vreemdelingenwet nog
een speciaal regiem voor vvtv’ers te ontwerpen.
Ter voorbereiding
van de invoering van de nieuwe Vreemdelingenwet zal een werkgroep
worden geformeerd waar, naast de betrokken departementen, de VNG, de
BVE Raad en Arbeidsvoorziening, deel van zullen uitmaken.
6. Voorlopige
bevindingen en actiepunten
Zoals in de
inleiding al werd aangegeven is deze voortgangsrapportage niet meer
dan een momentopname, terwijl de WIN nog maar kort in uitvoering is.
Wel kan een indruk worden gevormd van hoe de ontwikkelingen zijn,
algemeen en ook specifiek op de verschillende onderdelen van het
inburgeringsprogramma.De WIN is een gecompliceerde wet. Hij gaat uit
van een decentraal, complementair concept, waarbij veel gevraagd wordt
van de samenwerking tussen instanties en waar output een belangrijk
sturingsmodel is. Dat dit alles in een zo’n kort tijdbestek, waarbij
organisaties moesten wennen aan hun taak, niet tot in alle details
geregeld is, is niet verrassend. Het kabinet heeft er daarbij begrip
voor dat veel uitvoeringsorganisaties in reorganisatie verkeerden,
waardoor zij in een complexe omgeving moesten functioneren. Dat het
model kan werken bewijst de praktijk. Het is verbazingwekkend welke
krachten deze wet heeft gekatalyseerd in de samenleving.
Zoals in de wet is
vastgelegd wordt de werking van de wet binnen drie jaar geëvalueerd.
In het voorjaar van 2002 worden de resultaten hiervan bekend. Eind van
dit jaar wordt een tussenrapportage afgesloten. Daarover zal de Kamer
begin volgend jaar worden gerapporteerd.
Zonder af te doen
aan de inspanningen die tot nu toe zijn verricht stelt het kabinet
zich voor om, vooruitlopend op de evaluatie en de resultaten hiervan,
op een aantal onderdelen de volgende intensiveringen en bijsturingen
initiëren.
In dit verband is
vermeldenswaard dat een wijziging van Wet inburgering nieuwkomers bij
de Tweede Kamer is ingediend, waarmee de mogelijkheid wordt geschapen
om onder meer ook Imams een inburgeringstraject aan te bieden. De
maatschappelijke rol die Imams spelen voor hun achterban is namelijk
zodanig, dat inburgering van deze functionarissen een belangrijke
bijdrage kan leveren aan de integratie van hun achterban. Dat is niet
in strijd met de scheiding van kerk en staat die in Nederland geldt.
De actiepunten,
zoals aangekondigd in deze voortgangsrapportage, op een rij:
- Vanuit het
kabinet en de verschillende betrokken ministeries zal indringend
overleg worden gevoerd met de partners op het terrein van
inburgering. De bedoeling is om formele afspraken te maken over
samenwerking, prestaties, uitwisseling van gegevens, etc. Hierover
heeft met de VNG reeds een eerste bestuurlijk overleg
plaatsgevonden; met de BVE Raad en Arbeidsvoorziening wordt op korte
termijn gesproken.
De afspraken moeten in elk geval het volgende omvatten:
- Gemeenten maken
afspraken met de andere partners over de te leveren prestaties, de
bekostiging en kwaliteit van de programma’s en gaan de uitval
tegen. Wat betreft dit laatste wordt de positie van de regionale
meld- en registratiefunctie meegenomen.
- Gemeenten
verbeteren en versterken hun centrale regierol. Zij gaan over tot
clustervorming.
- Gemeenten
maken, geclusterd, productovereenkomsten met ROC’s waarin in elk
geval afspraken worden gemaakt over resultaten in oudtputtermen,
over de flexibiliteit van het educatief aanbod, zowel
organisatorisch (avonden, weekend) als inhoudelijk (o.a. meer
maatwerk, het te behalen taalniveau, het gebruik van de
portfoliomethode, doorcontracteren, werk- en taalstages, werk en
inburgering) en over rapportages over verzuim, uitval en
resultaten;
- Gemeenten maken
afspraken met de ROC’s, RBA’s en werkgevers over de inrichting van
trajecten richting arbeid; dit onderwerp wordt geagendeerd voor
het Voorjaarsoverleg met de sociale partners. Met betrokken
partijen worden samenwerkings- c.q. uitvoeringsovereenkomsten
gesloten.
- In overleg met
de verantwoordelijke instanties op het vlak van de
arbeidstoeleiding zullen extra inspanningen worden gedaan om de
doorstroom van nieuwkomers naar de zorgsector te verbeteren en te
intensiveren.
- Tussen de
verschillende partners (VNG, BVE Raad en Arbeidsvoorziening)
worden bindende afspraken gemaakt over de registratie en
monitoring van de inburgering.
- Naar aanleiding
van de in de quick scans geconstateerde gebreken zal een
Taskforce worden opgezet die twee functies heeft:
- een
ondersteunende rol naar de uitvoerende instanties. Er zijn veel
goede voorbeelden en de uitdaging is om deze tot een landelijke
opmaat te maken. Verspreiding van best practices kan hier
een van de middelen zijn. De Taskforce zal zich ook richten op de
verbetering, in kwalitatieve zin, van de maatschappelijke
begeleiding en de relatie hiervan naar de trajectbegeleiding en
het vak maatschappijoriëntatie te verduidelijken.
- voor een goede
bewaking van de uitgangspunten van inburgering, het proces zelf en
de output is transparantie en inzicht nodig in de verbeteringen en
vorderingen. Hiervoor is monitoring en rapportage noodzakelijk.
Over de resultaten hiervan zal worden gerapporteerd in de
tussenrapportage die begin 2001 aan de Kamer zal worden
aangeboden.
De Taskforce zal medio dit jaar zijn gerealiseerd.
- De uitval baart
zorg. Deze is deels te verklaren uit de aanzuigende werking van een
goed draaiende economie. Maar er moet ook rekening worden gehouden
met slechtere tijden en daarom moet worden voorkomen dat de
nieuwkomers van nu dan terecht komen in dezelfde situatie als de
nieuwkomers uit de ’70er jaren: als eersten werkloos, zonder goede
scholing en maatschappelijk niet zelfredzaam. Inburgering is in deze
pro-actief, dat het een investering voor later inhoudt, zowel voor
de nieuwkomers zelf als voor de samenleving. Dit doel moet steeds
voor ogen worden gehouden.
Uitval wordt ook veroorzaakt door verhuizing. Besloten is na te gaan
of nadere regelgeving noodzakelijk is ten aanzien van het voorkomen
van uitval en vertraging, veroorzaakt door het vinden van werk of
verhuizing, dit mede in het licht van de invoering van de nieuwe
Vreemdelingenwet.
De regionale meld- en coördinatie functie voortijdig schoolverlaten
heeft tot doel het realiseren van een integrale regionale aanpak
voor het voortijdig schoolverlaten. Bezien wordt of de hier
ondergebrachte meld- en registratiefunctie ook ingezet kan worden
voor registratie van de uitvallers uit het inburgeringsprogramma,
alsmede de teruggeleiding en het zoeken naar alternatieve vormen van
inburgering.
Voor vrouwen blijkt het combineren van een inburgeringsprogramma met
de zorg voor een groeiend gezin een zware opgave. Voor een aantal
van hen speelt de religieuze achtergrond een rol in het niet
deelnemen. Maatwerk moet hier een oplossing bieden.
- Mocht uit de
evaluatie van de WIN blijken dat de samenwerking en clustervorming
tussen gemeenten niet tot het gewenste resultaat leidt kan ertoe
worden overgegaan in de WIN een artikel op te nemen waarin
gemeenten, die een geringe instroom nieuwkomers hebben, gedwongen
worden tot samenwerking.
- Het
Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers wordt dusdanig aangepast
dat gemeenten voortaan één maal per jaar, door een accountant
gewaarmerkte gegevens, aanleveren op een nog nader te bepalen datum.
Op korte termijn zal de Minister van OCE een ministeriele regeling
opstellen waardoor het beschikbare budget 2000 alsnog kan worden
verdeeld op basis van de door de accountants gewaarmerkte
bekostigingsgegevens over 1998.
- Om te voorkomen
dat de Profieltoets NT2 te vroegtijdig wordt afgenomen wordt
overwogen om in de regelgeving op te nemen dat deze pas wordt
afgenomen als 90% van het aantal lesuren, dat in de beschikking op
het inburgeringsprogramma staat vermeld, is gevolgd.
De kwaliteit van de programma’s kan tevens worden vergroot door het
gebruik van bijvoorbeeld de portfoliomethode.
- Uit het nu
beschikbare materiaal kan de indruk ontstaan dat inburgering te
vrijblijvend wordt gepresenteerd. Naast maatwerk en
trajectbegeleiding moet het sanctie-instrument, waar nodig,
nadrukkelijker worden ingezet. Op de toepassing van het
sanctiebeleid zal in de volgende rapportage over inburgering worden
teruggekomen.
- Ter voorbereiding
van de invoering van de nieuwe Vreemdelingenwet zal een werkgroep
worden geformeerd waar, naast de betrokken departementen, de VNG, de
BVE Raad en Arbeidsvoorziening, deel van zullen uitmaken.
B. Inburgering
oudkomers
Algemeen
Naast de inburgering van nieuwkomers heeft het kabinet ook ingezet
op de inburgering van migranten die reeds langere tijd in Nederland
verblijven. Een substantieel deel van deze groep zogenaamde oudkomers
verkeert in een achterstandspositie, die met behulp van een
inburgeringstraject kan worden verbeterd. In het Regeerakkoord 1998 is
dit oudkomersbeleid expliciet opgenomen als intensivering ten opzichte
van de reguliere educatie (NT2), die in Nederland verblijvende
migranten reeds konden krijgen en waarvan per jaar zo’n 100.000
personen met een etnische achtergrond gebruik maakten.
Het Regeerakkoord 1998 noemt binnen de totale groep oudkomers twee
specifieke doelgroepen, te weten: werkzoekenden en opvoeders. Deze
keuze is gemaakt om het oudkomersbeleid binnen de (financiële) kaders
zo effectief mogelijk te laten zijn. Gezien de grote omvang van de
doelgroep oudkomers (naar schatting tussen de 100.000 en 300.000
personen) en de ondoorzichtige samenstelling daarvan, is gekozen voor
een gerichte en taakstellende aanpak van de inburgering van oudkomers.
Die aanpak heeft tot gevolg dat de beschikbare middelen zijn
toebedeeld aan de gemeenten waar de problematiek het grootst is,
namelijk de G25, en aan nog eens 17 gemeenten die 7% of meer etnische
minderheden in hun populatie hebben (G17).
Bij de inburgering van oudkomers is vrijwillige deelname aan
programma’s het uitgangspunt. Wanneer oudkomers evenwel een
bijstandsuitkering ontvangen, kunnen gemeenten de deelname aan
programma’s stimuleren door een korting op de uitkering toe te passen
ingeval een oudkomer geen gebruik maakt van het educatieaanbod. Het is
aan gemeenten om de doelgroep te bereiken en voorlichting te geven
over inburgeringsprogramma’s voor oudkomers. Bij de G25 is de aanpak
opgenomen in de Meerjarenontwikkelingsprogramma’s die in november 1999
door het Rijk zijn getoetst en thans onderdeel vormen van de met de
steden gesloten maatwerkconvenanten. De G17 zullen in concrete plannen
van aanpak moeten aangeven hoe zij het oudkomersbeleid gaan uitvoeren
en welke prestaties zij met behulp van de beschikbare middelen gaan
leveren.
Beschikbare
middelen
In het Regeerakkoord 1998 is een budget gereserveerd van 5,67
miljoen euro in 1999, oplopend tot 22,69 miljoen euro in 2002 voor
taal-/inburgeringsprogramma’s voor oudkomers. Daarnaast is op grond
van de motie Melkert (kamerstukken II, 1999-2000, nr. 26 800, nr. 9)
vanaf 2000 structureel 30 miljoen gulden toegevoegd aan de
BZK-begroting ten behoeve van de inburgering van oudkomers. Het
amendement Noorman-den Uyl c.s. (kamerstukken II, 1999-2000, nr. 26
913, nr. 5) leidt vervolgens tot een incidentele verhoging van het
budget in 2000 met 12,7 miljoen euro voor oudkomers (dit bedrag vormt
tevens het leeuwendeel van de motie over besteding van reserves bij
inburgering, kamerstukken II, 1999/2000, 26 800 VII, nr. 26). Dit
levert het volgende overzicht van beschikbare middelen op.
|
Overzicht middelen
oudkomers per jaar (in miljoenen euros) |
| |
1999 |
2000 |
2001 |
2002 |
| 1
Regeerakkoord |
0.67 |
11.34 |
17.01 |
22.69 |
| 2 APB 1999 |
---- |
13.62 |
13.62 |
13.61 |
| 3 Amendement |
---- |
12.7 |
---- |
---- |
| Totaal
beschikbaar |
5.67 |
37.66 |
30.63 |
36.30 |
Deze kabinetsperiode
is dus op grond van het Regeerakkoord 1998 een totaalbedrag van 56.72
miljoen euro beschikbaar. Op basis van de motie Melkert en het
genoemde amendement wordt aan dat totaalbedrag nog eens een bedrag van
53.54 miljoen euro toegevoegd. Het gaat dus om totaal 110.27 miljoen
euro tot en met 2002.
Wachtlijsten
Op dit moment hebben verschillende ROC’s wachtlijsten voor de
inburgering van oudkomers. Dit in tegenstelling tot de situatie bij
inburgering van nieuwkomers, waar geen wachtlijsten voorkomen. Uit een
recente quick scan van de Onderwijs inspectie (zie bijlage 4:
Inspectierapport) naar wachtlijsten voor NT2-onderwijs voor oudkomers
blijkt dat op 1 januari 2000 in totaal 10.362 wachtenden zijn
ingeschreven bij een ROC voor het volgen van een NT2 programma. Van de
44 ROC’s hebben 10 colleges geen wachtlijst en 32 wel. Ruim de helft
van de groep oudkomers die een NT2 programma wenst te volgen, staat op
een wachtlijst van de vier ROC’s in de drie grootste gemeenten
(Utrecht heeft een relatief geringe wachtlijst van 112 personen).
Naar aanleiding van
de quick scan van de Inspectie kunnen de volgende
kanttekeningen worden geplaatst. Uit het rapport van de Inspectie, dat
in opdracht van het ministerie van OCenW is opgesteld, blijkt niet hoe
lang (oftewel: hoeveel langer dan 2 maanden) mensen op een wachtlijst
staan en waarom. Voor een juiste beoordeling van de aantallen is die
informatie wel relevant. Immers, als iemand wacht op een volgend
instroommoment (gemiddeld één keer per 3 maanden) dan behoort die
persoon feitelijk tot de reguliere "werkvoorraad" van de
onderwijsinstelling. Op zich gaat achter die situaties dan geen
probleem in de uitvoering schuil. Daarbij moet overigens worden
opgemerkt dat de drie grootste gemeenten volgens de Onderwijs
inspectie gemiddeld 7 instroommomenten per jaar kennen. Voor die
gemeenten geldt dus niet dat een deel van de wachtlijst reguliere
"werkvoorraad" is.
Uit het Inspectierapport blijkt voorts dat naast het beschikbare
budget ook andere zaken het probleem van de wachtlijsten kunnen
reduceren, zoals: het starten of uitbreiden van open leercentra, het
invoeren van afstandonderwijs en flexibilisering van aanbod en
instroom waardoor vraag en aanbod beter op elkaar kunnen worden
afgestemd.
Vanwege de gerichte en taakstellende aanpak van het oudkomersbeleid
zoals dat nu in gang is gezet, krijgen de grote steden (G25) en de
andere gemeenten (G17) aanvullend geld. Voor zover wachtenden niet in
een grote gemeenten wonen, zullen zij dus een programma aangeboden
moeten krijgen met behulp van reguliere educatiegelden of overschotten
binnen de nieuwkomer budgetten.
De vraag ligt voor
of de extra beschikbaar gestelde middelen, gegeven de gemaakte
kanttekeningen, voldoende zijn om de wachtlijsten weg te werken. Voor
de beantwoording van die vraag is een schatting nodig van de
gemiddelde kosten per oudkomersprogramma. Uitgaande van een gemiddelde
dat tussen de 3.630 en 4.537 euro ligt kunnen, met het op macroniveau
extra beschikbaar gestelde budget van in totaal 110.27 miljoen euro
voor oudkomerstrajecten in de G25 en G17, gedurende deze
kabinetsperiode tot 2003 dus ongeveer tussen de 24.000 en 30.000
oudkomers worden ingeburgerd.
Wanneer de beschikbare 36.3 miljoen euro in 2002 vervolgens
structureel wordt besteed aan oudkomersprogramma’s, ontstaat de
mogelijkheid om na 2002 nog zo’n 8.000 oudkomers per jaar een
programma aan te bieden.
Of de wachtlijsten ook daadwerkelijk zullen worden weggewerkt is
evenwel niet uitsluitend afhankelijk van de beschikbare middelen, maar
ook van de logistieke mogelijkheden. Die zaken moeten op lokaal
niveau, tussen gemeenten en ROC’s of andere onderwijsaanbieders,
worden geregeld. Kortom, het is niet alleen een kwestie van voldoende
budget maar ook van organisatie en van beschikbaarheid van
leerkrachten en leermiddelen.
Inzet van de
middelen en maatregelen
Zoals aangegeven heeft het kabinet besloten om de beschikbare
middelen te verdelen over de G25 en de G17, via respectievelijk de
Bijdrageregeling sociale integratie en veiligheid G25 en de
Bijdrageregeling inburgering oudkomers. De verdeling tussen de G25 en
de G17 vindt plaats op basis van een 70-30% verhouding. Overigens
wordt van het totale budget maximaal 3% bestemd voor een landelijke
ontwikkel- en ondersteuningsstructuur. Tot nu toe is ten laste van dat
budget een inventarisatie van reeds lopende oudkomersprojecten
gemaakt, die de basis is geweest voor de publicatie "Nieuwe kansen
voor oudkomers". Deze publicatie zal worden gepresenteerd op de
conferentie over oudkomers die op 27 april a.s. wordt gehouden. Het
ligt in de rede om voor de verdere besteding van genoemd budget
aansluiting te vinden bij de bovengenoemde Taskforce die zal worden
ingericht voor de ondersteuning bij inburgering van nieuwkomers.
In 2000 is door de incidentele verhoging met 12.7 miljoen euro een
intensivering mogelijk, die met name is gericht op het wegwerken van
ontstane wachtlijsten. Daarvoor is evenwel een grote inspanning nodig
van alle bij de uitvoering betrokken organisaties.
Het kabinet heeft
via de twee genoemde bijdrageregelingen de meerjarige planvorming
expliciet bij de gemeenten gelegd. Bij de G25 vormen de plannen
onderdeel van de Meerjarenontwikkelingsprogramma’s. De G17 maken
aparte plannen van aanpak voor de uitvoering van hun oudkomersbeleid
en de besteding van de middelen, die zij indienen bij het ministerie
van BZK. Deze plannen worden vervolgens getoetst op uitvoerbaarheid en
doelbereiking en vormen de basis voor het beschikbaar stellen van de
financiële middelen. De betrokken departementen realiseren zich
terdege dat zij de uitvoeringsorganisaties bij het ontwikkelen en
uitvoeren van het oudkomersbeleid nadrukkelijk moeten ondersteunen en
monitoren. Dat gebeurt aan de hand van gemeentelijke programma’s,
respectievelijk plannen en hun vervolgens geleverde output.
Voor wat betreft de G17 gemeenten vindt de toetsing van de ingediende
plannen van aanpak voor 1 juli 2000 plaats. Zonodig worden gemeenten
bij de verdere uitwerking ervan door het Rijk ondersteund. Voor wat
betreft de G25 zijn de afspraken gebaseerd op de convenanten van 20
december 1999 tussen Rijk en G25. Daarin is opgenomen dat voor 1 juli
2000 afspraken worden maken over het stelsel van monitoring,
zelfanalyse en visitatie. Aan de G25 zal worden gevraagd om aanvullend
op het Meerjarenontwikkelingsprogramma een meetbare prestatie aan te
geven ten aanzien van het gedeelte van de middelen dat beschikbaar is
uit de motie Melkert en het amendement Noorman-den Uyl c.s.
Aan de G17 zal worden gevraagd voor 1 juli 2000 aan te geven welke
prestaties zij gaan leveren in het kader van taallessen voor oudkomers
over de jaren 2000 en 2001. Langs deze weg vindt ook de besteding van
het aanvullende budget gecontroleerd plaats op basis van plannen en
outputmetingen.
De G25 zullen hun
aanpak baseren op de Bijdrageregeling Sociale integratie en
veiligheid. De GSB-filosofie houdt in dat concrete meetbare afspraken
worden gemaakt over budgetten die aan steden ter beschikking worden
gesteld. Aangezien de afspraken over deze budgetten moeten leiden tot
een aanvulling op de convenanten van 20 december 1999, zullen de
steden worden verzocht aan te geven wat de gevolgen van deze
aanvullende budgetten zijn voor het meerjarig ontwikkelingsprogramma.
Aangezien het onderdeel oudkomers reeds was opgenomen in de meerjarige
ontwikkelingsprogramma’s, zullen de steden worden gevraagd voor dit
onderdeel concreet aan te geven welke meetbare prestatie reeds op
basis van het bestaande meerjarige ontwikkelingsprogramma wordt
geleverd en welke aanvullende meetbare prestatie wordt geleverd op
basis van de extra middelen. Op basis hiervan kan het Rijk samen met
de steden de komende jaren de vinger aan de pols houden en indien
nodig het beleid bijstellen.
De G17 zullen hun
aanpak baseren op de Bijdrageregeling inburgering oudkomers. De
plannen van de gemeenten zullen zich vooral moeten richten op de
organisatie van de oudkomerstrajecten, de uitvoering in samenwerking
met andere partners op het terrein van onderwijs en arbeid (hetgeen
ook regelmatig voorkomt in de plannen van de G25) en het bereiken van
de specifieke doelgroepen, te weten: werkzoekenden en opvoeders. In
verband met het bereiken van de doelgroepen zullen de gemeenten moeten
aangeven op welke manier met andere organisaties, zoals
consultatiebureaus, scholen, arbeidsvoorziening, en zogenaamde
zelforganisaties, wordt samengewerkt. Bij de toetsing van de plannen
van aanpak zal bovendien worden gekeken naar de samenhang van de
maatregelen met gestructureerde programma’s in de voor- en
vroegschoolse periode (opvoeders) en met maatregelen die worden
genomen om een zogenaamde warme overdracht aan de arbeidsmarkt te
bewerkstelligen (werkzoekenden).
Aan de hand van de
plannen van gemeenten en de outputmeting die vervolgens plaatsvindt,
zal onder meer de vraag worden beantwoord of voor bijvoorbeeld
toekomstige opvoeders een zwaarder inburgeringsprogramma moet worden
ingericht en of herhalings-/opfriscursussen in de Wet inburgering
nieuwkomers moeten worden opgenomen.
Tenslotte is
vermeldenswaard dat gemeenten in het kader van de
inburgeringsprogramma’s voor oudkomers de mogelijkheid hebben om naast
de ROC’s, particuliere instellingen te laten meedingen bij de
uitbesteding van de programma’s. Dat draagt bij aan de flexibilisering
van het aanbod en het verminderen van de wachtlijsten bij ROC’s.
Conclusie
In 1999 is op bescheiden schaal een specifiek oudkomersbeleid
van start gegaan. Mede door de initiatieven van de Tweede Kamer zijn
in deze kabinetsperiode extra middelen beschikbaar om het
oudkomersbeleid verder vorm te geven en de huidige wachtlijsten weg te
werken. Deze middelen worden -op basis van gemeentelijke plannen-
toegekend aan de gemeenten waar de problematiek van oudkomers het
grootst is (G25 en G17). De uitvoering van een effectief en
doelgericht oudkomersbeleid voor werkzoekenden en opvoeders, is niet
in de eerste plaats een kwestie van meer geld maar bovenal een kwestie
van organisatie en samenwerking tussen de uitvoeringsorganisaties. De
inzet van nog meer aanvullende middelen, zoals verwoord in de moties
van december 1999 (kamerstukken II, 1999/2000, 26.800 VII, nrs. 25 en
26, voor wat betreft de resterende gelden na uitvoering van het
amendement Noorman-den Uyl c.s. terzake), acht het kabinet daarom
thans niet aan de orde.
Alle inspanningen
van het Rijk zijn erop gericht de gemeenten en andere uitvoerders in
staat te stellen om de uitvoering versneld en effectief ter hand te
nemen. Via monitoring en outputmeting wordt deze uitvoering door de
betrokken departementen bewaakt. Het landelijk projectbureau dat voor
de ondersteuning bij inburgering wordt ingericht, zal daarbij een
belangrijke rol spelen. |
|