is gestopt en geeft nu de geschiedenis van inburgering
NIEUWS | VRAGEN | SITEMAP | WAT WAS NIEUW | AGENDA | SERVICE | DISCUSSIE
Beleid

Samenvatting van de belangrijkste wijzigingen van de nieuwe Vreemdelingen-
wet 2000
 

Nieuwe Vreemdelingen-
documenten van  vreemdelingen-
wet 2000

Beleid

Vreemdelingenwet 2000 en inburgeringsbeleid

In de Vreemdelingenwet 2000 is een aantal keuzes gemaakt die gevolgen hebben voor andere beleidsterreinen. Deze veranderingen zijn neergelegd in een invoeringswet. Deze invoeringswet is een verzameling van de wijzigingen in een aantal materiewetten, zoals de ‘Algemene bijstandswet’ en de ‘Wet arbeid vreemdelingen’. Voor een deel zijn deze wijzigingen technisch van aard, voor een deel beleidsinhoudelijk. Dit betekent dat de uitvoerende instanties in meerdere of mindere mate met veranderingen te maken krijgen. Om deze organisaties op de hoogte te stellen van de gevolgen van de invoeringswet, wordt in de brochure ‘Uitvoeringsorganisaties en de Vreemdelingenwet’ (pdf formaat - 516kb) in grote lijnen aangegeven op welke terreinen er wijzigingen zijn. De brochure is gericht op de nieuwe situatie van houders van een verblijfsvergunning.

Relatie inburgering en de vreemdelingenwet 2000

Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 in werking getreden om zo:

  • de kwaliteit van de beslissingen te verbeteren
  • het aantal procedures te verminderen
  • de proceduretijd te verkorten

Dus: een volgtijdelijk vergunningensysteem waardoor iedere asielzoeker (ongeacht de grond voor toelating) dezelfde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (vbt asiel) krijgt. De vergunning wordt verleend voor 3 jaar en kan tussentijds worden ingetrokken (bv bij verbetering in situatie land van herkomst).

Wanneer de betrokkene na 3 jaar nog steeds bescherming nodig heeft, dan wordt de vergunning omgezet in een vergunning voor onbepaalde tijd (vot asiel). Ook een persoon met een vbt of vot asiel, aan wie in Nederland verblijf wordt toegestaan in het kader van gezinshereniging of –vorming, krijgt eerst een vbt. Of dit een asiel of een reguliere vergunning is, hangt af van de omstandigheden van het individuele geval (zelfde nationaliteit, tijdstip van inreis in Nederland). Wanneer van de ‘hoofdhouder’ de vbt asiel wordt ingetrokken of niet wordt omgezet, worden ook de vbt’s van diegenen die de ‘hoofdhouder’ zijn gevolgd naar Nederland, ingetrokken; tenzij de huwelijks- of gezinsband inmiddels is verbroken.

Voor mensen die zijn toegelaten in het kader van de gezinsvorming/hereniging bij diegenen die een vbt regulier of een vot regulier hebben, geldt dat zij in aanmerking komen voor een vbt regulier. Deze vergunning kan, wanneer over voldoende middelen van bestaan wordt beschikt, na 5 jaar worden omgezet in een vot regulier.

Houders van een vbt asiel kunnen gebruik maken van een aantal voorzieningen zoals bijstand, studiefinanciering en zelfstandige huisvesting. Ook geldt in de meeste gevallen, behalve voor diegenen die een verblijf is toegestaan voor een tijdelijk doel, een verplichting tot inburgering. De verplichting tot inburgering vervalt weer in het geval de vbt asiel of de vbt regulier wordt ingetrokken of niet wordt verlengd.

De invloed van de Vreemdelingenwet 2000 op het inburgeringsbeleid

Veranderingen voor de doelgroep van de WIN

De nieuwe Vreemdelingenwet 2000 heeft tot gevolg dat iedere houder van een vbt asiel en de meeste houders van een vbt regulier onder de werking van de WIN zijn gebracht. (De omschrijving van de doelgroep van de WIN is gewijzigd in de ‘Invoeringswet behorend bij de Vreemdelingenwet 2000’.

Ook diegenen die worden toegelaten wegens de algehele situatie in hun land van herkomst (nu VVTV’ers) vanaf 1 april 2001 onder de doelgroep van de WIN vallen.

De overgangssituatie en -problematiek

De nieuwe doelgroepomschrijving heeft tot gevolg dat een aantal vreemdelingen die tot 1 april 2000 tot de doelgroep van de WIN behoorden, na 1 april 2001 niet meer WIN-plichtig zijn (Dit betreft de mensen die met ingang van 1 april 2001 zijn aangemerkt als houder van een vot). Zij zouden hierdoor hun inburgeringsprogramma niet af kunnen maken. Hiervoor is een overgangsrecht met de naam ‘Tijdelijke regeling overgangsrecht inburgering nieuwkomers in verband met de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000’ gecreëerd.

Het is van toepassing op de volgende categorieën vreemdelingen:

  • Toegelaten vluchtelingen en houders van een vtv zonder beperkingen die voor 1 april 2001 WIN-plichtig zijn en bijvoorbeeld in de fase van melding, inburgeringsonderzoek of inburgeringsprogramma zitten.
  • Toegelaten vluchtelingen en houders van een vtv zonder beperkingen die nog in een opvangcentrum verblijven en aan wie de beschikking (Vreemdelingenwet 1994 art. 15d) is uitgereikt, maar die na 1 april 2001 zullen worden overgeplaatst naar gemeenten.

VVTV’ers die zich op 1 april 2001 in de gemeenten bevinden, worden met ingang van 1 april 2001 aangemerkt als houder van een vbt asiel. De gemeenten hebben vanaf 1 april 2001 zes maanden de tijd om deze groep VVTV’ers om te zetten naar de reguliere voorzieningen en deze omzetting administratief te regelen. Door de vreemdelingendiensten zullen zij in de komende periode in het bezit worden gesteld van het bij de nieuwe verblijfsvergunning behorende nieuwe vreemdelingendocument. De VVTV’ers worden onder het regime van de WIN gebracht.

Een deel van de VVTV’ers die worden ‘omgeklapt’ is leerplichtig en valt dus niet onder de WIN; anderen hebben in de tijd dat ze in Nederland woonden al een inburgeringsprogramma kunnen volgen. De omzetting leidt tot een tijdelijke verhoging van de toestroom van nieuwkomers die zich melden voor een inburgeringsonderzoek. Om wachtlijsten te voorkomen, worden per voorschot financiële middelen beschikbaar gesteld aan gemeenten.

Ama’s

Ama’s die na 1 april 2001 naar Nederland komen

Onder de Vreemdelingenwet 2000 krijgen alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama’s) een nieuwe status. In de ‘Regeling aanwijzing nieuwkomers wegens verblijf voor een tijdelijk doel’ is in artikel 2 lid 1 na ‘verblijf als au-pair’ toegevoegd: ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’. Op grond van de status wordt bij de asielaanvraag beoordeeld of hij/zij in aanmerking komt voor een bvt asiel of, als hij niet aan de voorwaarden voldoet, vorr een vbt regulier onder de beperking ‘voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’ (vbt-amv). Deze verblijfsvergunning heeft een geldigheidsduur van een jaar en kan, wanneer nog steeds aan de voorwaarden wordt voldaan, twee keer met een jaar worden verlengd.

Wanneer na drie jaar nog steeds aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt een vbt regulier onder de beperking ‘voor voortgezet verblijf’ (vbt-vv) verleend. Na vijf jaar wordt een vot regulier verleend. De vbt-amv wordt verleend tot uiterlijk achttien jaar (meerderjarig en is er dus geen reden meer voor het verlenen vergunning op basis van minderjarigheid).

Voorbeeld 1: een ama van veertien jaar komt, wanneer hij voldoet aan de voorwaarden, in aanmerking voor een vbt-amv. Op grond van zijn leeftijd is hij leerplichtig en valt hij niet onder de doelgroep van de WIN.

Voorbeeld 2: een ama van zestien komt, wanneer hij voldoet aan de voorwaarden, ook in aanmerking voor een vbt-amv, maar kan voordat hij achttien wordt, de driejarentermijn totdat een vbt-vv wordt verleend, nooit volmaken. Dus ama’s die bij toelating ouder zijn dan vijftien jaar, moeten zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval bij het bereiken van de achttienjarige leeftijd, Nederland verlaten. Hun verblijf is dus in principe tijdelijk en gericht op het verlaten van Nederland.

Ama’s die op 1 april 2001 in Nederland verbleven

Ama’s die op 1 april 2001 beschikten over een ama-vtv en nog geen achttien waren, hebben bij invoering van de Vreemdelingenwet 2000 een vbt-amv gekregen. Voor die groep geldt hetzelfde als voor de nieuwe groep ama’s; deze groep valt dan ook niet onder de WIN.

Ama’s die op 4 januari 2001 achttien waren of tussen 4 januari en 1 april 2001 achttien zijn geworden, hebben op grond van een ‘Tijdelijk besluit vreemdelingencirculatie’ (TBV) de mogelijkheid gekregen om de ama-vtv voor 1 april om te zetten in een vtv-hum. Die vtv-hum is bij de invoering van de Vw 2000 van rechtswege een vot geworden. Wanneer de achttien jarige voor 1 april geen vtv-hum heeft aangevraagd, wordt de ama-vtv onder de vigeur van de Vw 2000 –op aanvraag- omgezet in een vbt-voortgezet verblijf. Omdat voor deze overgangsgroep geldt dat geen sprake is van eerste toelating, valt deze groep ama’s niet onder de WIN.

Veranderingen in het inburgeringsprogramma

  • Melding(stermijn) voor het inburgeronderzoek

Nieuwkomers met een vbt asiel of vot regulier zijn op grond van de WIN verplicht zich te melden voor een inburgeringsonderzoek.

Voor diegenen die op 1 april 2001 of daarna een vbt asiel of vbt regulier krijgen, geldt dat zij zich volgens de geldende regels (zes weken na uitplaatsing uit AZC of zes na ontvangst van de beschikking) moeten melden bij de gemeente voor een inburgeringsonderzoek.

Voor diegenen als houder van een vbt asiel (voormalig VVTV’er) worden aangemerkt, geldt dat er geen beschikking wordt geslagen. Hierdoor is het moment waarop de meldingstermijn in het kader van de WIN ingaat, niet bepaald. Hierin is voorzien door in de ‘Tijdelijke regeling overgangsrecht inburgering nieuwkomers in verband met de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000’, de bepaling op te nemen dat de meldingstermijn begint te lopen op het moment dat het document van de vbt asiel aan de betrokkene wordt uitgereikt.

  • Het inburgeringsonderzoek

Niet iedereen die een vbt asiel krijgt zal uiteindelijk in Nederland mogen blijven. De vergunning kan gedurende een periode van 3 jaar, gerekend vanaf de datum van verlening, worden ingetrokken of niet worden omgezet in een vot asiel. Dit geldt ook voor (eventuele) gezinsleden. Dit systeem heeft in principe tot gevolg dat houders van een vbt asiel verplicht worden aan een inburgeringsprogramma deel te nemen, terwijl de kans aanwezig blijft, dat ze moeten terugkeren naar het land van herkomst. De ambtenaar die belast is met de uitvoering van het inburgeringsonderzoek moet de nieuwkomer hiervan op de hoogte stellen. In het intakegesprek moet de volgende informatie aan de nieuwkomer overgebracht worden:

  1. het inburgeringsprogramma geeft de betrokkene de mogelijkheid om een zelfstandig bestaan op te bouwen in de tijd dat men in Nederland verblijft;
  2. de betrokkene moet er wel rekening mee houden dat op enige tijd de vergunning kan worden ingetrokken, c.q. niet wordt omgezet;
  3. wanneer de vergunning wordt ingetrokken terwijl het inburgeringsprogramma nog wordt gevolgd, stopt het programma en moet de betrokkene zich gaan voorbereiden op de terugkeer;
  4. het volgen van een inburgeringsprogramma is geen argument in het beroep tegen de intrekking of niet-verlenging van de status.

Als uit het inburgeringsonderzoek blijkt dat de vergunninghouder een (deel van het) inburgerinsprogramma moet volgen, wordt het reguliere inburgeringsprogramma gestart.

  • Het educatief gedeelte van het inburgeringsprogramma

De (onvrijwillige) terugkeer is tijdens het educatief deel van het inburgeringsprogramma niet meer expliciet aan de orde, tot het moment dat een beslissing of intrekking of niet omzetting van de verblijfsvergunning actueel is. Dit betekent niet dat de eventuele terugkeer geen onderwerp van gesprek zal zijn tussen de trajectbegeleider en de nieuwkomer, wanneer de nieuwkomer vragen heeft over de (verdere) procedure.

  • Eventuele stopzetting van het inburgeringsprogramma

Wanneer de vbt asiel of vbt regulier niet wordt omgezet in een vot, of wordt ingetrokken en de vergunninghouder op dat moment nog een inburgeringsprogramma volgt, wordt dat gestopt. De betrokkene valt dan immers niet meer onder de doelgroep van de WIN. Gezien de huidige ervaringen is de inschatting dat het merendeel van de vreemdelingen in die gevallen het inburgeringsprogramma al zal hebben afgerond.

Wanneer de vbt niet wordt omgezet, of wordt ingetrokken, moeten de betrokken instanties (gemeenten, Vreemdelingendienst) de betrokkene informeren en verwijzen naar instanties die instructie en voorlichting geven over de terugkeer naar het land van herkomst. Om de zelfstandige terugkeer te stimuleren is in het kader van het terugkeerbeleid een aantal maatregelen genomen. Deze ondersteunen de voorbereiding en de heroriëntatie op de terugkeer, de feitelijke terugkeer, de eerste opvang en het begin van herintegratie in het land van herkomst. De IOM (Internationale Organisatie voor Migratie) bemiddelt in Nederland bij de zelfstandige migratie van vreemdelingen en biedt daartoe een terugkeerregeling aan.

Recapitulerend

Het terugkeerperspectief wordt in het inburgeringsprogramma ingebed op verschillende momenten: tijdens het inburgeringsonderzoek, tijdens de individuele contacten tussen trajectbegeleider en vergunninghouder čn , in het geval van een negatieve beslissing, bij de stopzetting van het programma. In het voorgestelde model is er tevens voor gekozen de feitelijke voorbereiding van de terugkeer buiten de bestaande kaders van de WIN te laten plaatsvinden. Die keuze is gebaseerd op de huidige praktijk waaruit blijkt dat de beslissing over een eventuele niet-omzetting, c.q. intrekking in het algemeen plaatsvindt na de 18e maand, gerekend vanaf de vergunningverlening. In het merendeel van de gevallen zal de betrokkene het inburgeringsprogramma dan al hebben afgerond.

Wel moet de betrokkene ervan op de hoogte zijn dat de vbt asiel kan worden ingetrokken, c.q. niet wordt omgezet en dat hij zich daarna moet voorbereiden op terugkeer naar het land van herkomst. Het zwaartepunt van deze informatievoorziening komt daarom te liggen tijdens de start van het inburgeringsprogramma, namelijk tijdens het inburgeringsonderzoek.

Tijdens het volgen van het inburgeringsprogramma is de trajectbegeleider de eerst aangewezene om de nieuwkomer te informeren over onduidelijkheden in de procedure. De trajectbegeleider kan de betrokkene ook doorverwijzen naar Vluchtelingenwerk of –in het geval er sprake is van daadwerkelijke terugkeer- naar het IOM. Omdat naar verwachting slechts voor een kleine minderheid de terugkeer realiteit zal worden, is ervoor gekozen het educatieve gedeelte van het inburgeringsprogramma hier niet mee te belasten, ook al omdat in het educatief gedeelte van het inburgeringsprogramma geen onderscheid wordt gemaakt tussen vergunninghouders voor bepaalde tijd asiel en vergunninghouders voor bepaalde tijd regulier.

De minister van BZK heeft deze wijzigingen meegedeeld aan de colleges van B&W van de gemeenten, zodat deze in de uitvoering van het inburgeringsbeleid daar rekening mee kunnen houden. De tekst van deze brief is beschikbaar op InburgerNet (Downloadbaar Word document 42kb)

 

InburgerNet werd mogelijk gemaakt door het ministerie van Justitie.