Klik hier(naar welkomst pagina van InburgerNet)
NIEUWS | VRAGEN | SITEMAP | WAT WAS NIEUW | AGENDA | SERVICE | DISCUSSIE
 
Beleid

Rapportage
Groot project

Eerste voortgangsrapportage

Nummer

Datum
1

6 maart 2002

2

2 juli 2002

3

13 januari 2003

4

2 april 2003

5

29 augustus 2003

6

22 december 2003

7
8
  1. Inleiding
  2. Leeswijzer
  3. Voortgang Groot Project
  4. Uitval bij oudkomers
  5. Duale Trajecten
  6. Resultaten wachtlijstonderzoek taalles (peildatum 1 december 2001)
  7. Stand van zaken van de activiteiten van de Taskforce Inburgering
  8. Hoofdlijnen ‘state of the art’ bij gemeenten
  9. Ten slotte

Bijlagen:
BIJLAGE A: ONTWIKKELTRAJECTEN TASKFORCE
BIJLAGE B: NADERE INFORMATIE OVER DUALE TRAJECTEN

terug naar boven

1. Inleiding

Hierbij bied ik u, mede namens de ministers van OCenW en SZW en de staatssecretaris van VWS, de 1e rapportage in het kader van het Groot Project Inburgering aan. De rapportage gaat in op de voortgang van het project. Er wordt aandacht besteed aan de informatievoorziening, de planning van de volgende rapportages en de accountancy aspecten. Daarnaast bevat de rapportage de door u gevraagde informatie inzake uitval, duale trajecten en wachtlijsten. De rapportage besluit met een tussentijdse beschrijving van de tot nu toe bereikte resultaten van de Taskforce Inburgering en met een beschrijving van de uitvoeringspraktijk bij gemeenten. Dit aan de hand van de door gemeenten ingevulde State of the Art vragenlijst.

Het belang van een snelle inburgering staat buiten kijf. Dat de uitvoering van de inburgering verbetering behoeft, is evident. Duidelijk is dat verbetering tijd vergt. Wat is er de afgelopen periode aan die verbetering gedaan? Parlement en kabinet hebben veel energie gestoken in de realisatie van betere randvoorwaarden. Het budget dat beschikbaar is voor de inburgering van zogenaamde oudkomers, is de afgelopen vier jaar verveelvoudigd. Daarnaast is er stevig geïnvesteerd in de verbetering van het primaire uitvoeringsproces. Hierbij is sprake van een kabinetsbrede inzet. Tijdens een 2-tal bestuurlijke werkconferenties (21 juni 2000 en 25 april 2001) heeft een kabinetsdelegatie gesproken met vertegenwoordigers van gemeenten en uitvoeringsinstellingen over knelpunten en aanpak. Door de departementen gezamenlijk is een Taskforce ingesteld. Die Taskforce heeft, in nauwe samenwerking met gemeenten en Regionale opleidingscentra (ROC’s), wachtlijsten weggewerkt en ondersteunt momenteel met accountmanagement de verbeteringen in het uitvoeringsproces. In de praktijk wordt met nieuwe werkwijzen geëxperimenteerd om gebleken knelpunten op te lossen. En ook werkgevers zijn betrokken bij de experimenten met inburgering in de vorm van duale trajecten. Zowel de relatie tussen gemeente en inburgeraar als de verhouding tussen gemeente en Rijk, heeft in het oudkomersbeleid een meer verplichtend karakter gekregen. In de nieuwe oudkomersregelingen zijn concrete stappen gezet in de richting van prestatiefinanciering.

Ook op het decentrale niveau wordt hard gewerkt aan verbeteringen. Vaak in regionaal verband met een gezamenlijke verbeteragenda. Om die inzet op het lokale niveau, draait het bij de inburgering. Immers, het beleidsterrein is volledig gedecentraliseerd. Gemeenten, Regionale Opleidingencentra (ROC’s), Centra voor Werk en Inkomen (CWI’s) en andere betrokkenen, moeten samenwerken en trajecten combineren. De gemeente voert de regie. Dat lukt op sommige plaatsen steeds beter, maar werkt nog niet overal even goed. Met name de informatievoorziening is nog steeds erg kwetsbaar. Hoewel daar met het ontwikkeltraject 10 van de Taskforce en met het groot project een forse impuls aan wordt gegeven is sprake van een groeimodel. Binnen gemeenten bestaat immers een diversiteit aan registratiesystemen en -modellen. Het vergt derhalve tijd om tot een eenduidige en kwalitatief goede registratie te komen tussen gemeenten, ROC’s en het Rijk.

De Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN) is geëvalueerd. Het eindrapport van deze evaluatie wordt binnenkort aan uw Kamer aangeboden. Daarnaast onderzoekt een interdepartementale werkgroep de effectiviteit van het inburgeringsbeleid. De uitkomsten van dit interdepartementale beleidsonderzoek (IBO) worden nog voor de verkiezingen verwacht.

Inburgering is deze kabinetsperiode in een stroomversnelling geraakt en hoewel begin 2000 nog geen kwantitatieve gegevens over de eerste jaren van de WIN bekend waren, zijn de bekende uitvoeringsknelpunten al wel aangepakt. Inburgering is niet meer weg te denken als cruciaal begin van het integratieproces en als inhaalslag voor oudkomers met een achterstand. De waarden en normen van Nederland krijgen een stevige plaats in het inburgeringsprogramma en het kabinet werkt een voorstel van het Nederlands Centrum Buitenlanders (NCB) uit over een financiële bijdrage van de partner van overkomende WIN-plichtigen (gezinsvormers/-herenigers) aan inburgering.

Wat zijn nu de kernbegrippen bij de verbetering van inburgering? Dat zijn integrale aanpak, maatwerk, duale trajecten, prestatieafspraken, prikkels, maatschappelijke oriëntatie en harmonisatie van regelgeving en verantwoording. Die begrippen hebben de verbetering van de afgelopen tijd gekenmerkt en bepalen ook de agenda voor de komende jaren. Concrete stappen zijn inmiddels gezet, de effecten ervan zullen pas na enige tijd zichtbaar worden, immers dergelijke veranderingsprocessen vragen tijd. Weliswaar ronden jaarlijks zo’n 17.000 nieuwkomers een inburgeringsprogramma af, maar de effectiviteit moet beter. Door blijvend in te zetten op de genoemde kernbegrippen, kan de inburgering niet alleen effectiever maar ook efficiënter worden.

Aan de hand van deze kernbegrippen kan voorts een vergelijking tussen gemeenten worden gemaakt. Daarover zal met de gemeenten overleg worden gevoerd.

terug naar boven

2. Leeswijzer

Deze brief is als volgt opgebouwd. In paragraaf 3 wordt gestart met een schets van de voortgang van het Groot Project. De planning van de rapportages in het kader van het groot project wordt aangegeven en er wordt ingegaan op de accountantscontrole.

In de paragrafen 4 en 5 wordt ingegaan op de door u gevraagde informatie over de thema’s uitval en duale trajecten. In paragraaf 6 wordt stilgestaan bij de periodieke meting van het wachtlijstonderzoek (ditmaal stand per 1 december 2001).

In paragraaf 7 vervolgens wordt een beeld geschetst van de tussentijdse resultaten van de Taskforce. In paragraaf 8 wordt de uitvoeringspraktijk bij gemeenten beschreven, aan de hand van de door gemeenten ingevulde ‘State of the Art’ vragenlijst.

Als bijlagen zijn bijgevoegd een beschrijving van de ontwikkeltrajecten van de Taskforce en een uitgebreidere beschrijving van de stand van zaken rond duale trajecten. Daarnaast zijn bijgevoegd: de rapportage wachtlijstonderzoek van CINOP/Regioplan, het eindrapport van PWC met verwerkte gegevens ‘State of the Art’, alsmede een 2-tal concrete voorbeelden van verbeteragenda’s.

terug naar boven

3. Voortgang Groot Project

3.1 Aanpak informatievoorziening
Inmiddels is een voortvarende start gemaakt met het Groot Project. Tijdens een bestuurlijk overleg met wethouders van de G-54 zijn afspraken gemaakt over de inrichting van de informatievoorziening. De gemeenten spannen zich in zoveel mogelijk mee te werken aan de nieuwe monitor oudkomers. Daarnaast is een aantal andere instrumenten, zoals de State of the Art vragenlijst, ontwikkeld en geïmplementeerd. Hierdoor zijn in beginsel de voorwaarden geschapen voor het tijdig beschikbaar komen van de door de Kamer gewenste informatie.

De monitor oudkomers is inmiddels in de vorm van een internet-applicatie geïntroduceerd bij de gemeenten. Voor analyses is een centrale analysetool ontwikkeld. Het introduceren van de monitor bij de gemeenten is gepaard gegaan met een intensief voorlichtingstraject. Voorts verzorgt PWC in opdracht van BZK/GSI een gericht ondersteuningstraject om gemeenten te helpen bij het invullen van de monitor. Met deze activiteiten wordt gepoogd waarborgen te creëren voor het beschikbaar komen van éénduidige en kwalitatief hoogwaardige informatie.

Door de gemeenten is de State of the Art vragenlijst van de Taskforce Inburgering ingevuld. Deze vragenlijst bevat informatie over de procesmatige aspecten van het inburgeringsproces bijvoorbeeld inzake de kwaliteit van de informatiesystemen, het sanctiebeleid en de incentivestructuur.

In paragraaf 8 van deze brief wordt u op hoofdlijnen geïnformeerd over de bevindingen van deze enquête.

Naast de monitor en de state of the art vragenlijst wordt op een aantal specifieke thema’s gericht onderzoek uitgevoerd; bijvoorbeeld de continuering van het wachtlijstonderzoek en diverse onderzoeken naar duale trajecten.

Alhoewel de nodige voorwaarden worden gecreëerd voor een goede informatievoorziening is één kanttekening nadrukkelijk op zijn plaats. Zoals ook al in de brief van december jl. werd geschetst gaat het bij het op orde brengen van de informatievoorziening om een groeitraject. Niet alle informatie zal metéén het gewenste eindniveau bereiken. Zo zal de eerste meting van de monitor oudkomers (meting van 1 april 2002) gegevens van beperkte betekenis opleveren, omdat het gegevens betreft over de reeds voorbije jaren 2000 en 2001 en gemeenten in beperkte mate hebben kunnen anticiperen op de gegevensvraag. Ten aanzien van de latere (verplichte) metingen wordt dit beter; van de gemeenten kan dan worden verwacht dat zij tijdig hun informatiesystemen afstemmen op de in de monitor gevraagde informatie.

3.2 Invoering verplichte overéénkomst gemeente - oudkomer
Op 30 november 2001 trad de Regeling aanvullende bijdrage inburgering oudkomers 54 gemeenten in werking (zie brief van 27 november 2001; Kamerstuk 27083; nr. 21). Op grond van deze regeling wordt aan 54 gemeenten die reeds eerder een bijdrage hebben ontvangen voor de uitvoering van het gemeentelijke beleid ter verbetering van de inburgering oudkomers een aanvullende bijdrage ter intensivering van dit beleid verstrekt. In deze regeling wordt een aantal nieuwe elementen geïntroduceerd. Eén van deze elementen betreft de verplichting voor de gemeente om met iedere oudkomer die een inburgeringsprogramma start, een overeenkomst te sluiten.

Inmiddels is gebleken dat het voldoen aan deze voorwaarde binnen de in de regeling genoemde termijn (met ingang van 1 januari 2002) bij een aantal gemeenten, mede vanwege de gemeenteraadsverkiezingen, op onoverkomelijke bezwaren stuit. Naar aanleiding daarvan is de gemeenten bij brief van 30 januari 2002 meegedeeld dat de invoeringsdatum van het verplicht gebruik van bedoelde overeenkomst van 1 januari 2002 is gewijzigd in 1 juli 2002. Niettegenstaande dit uitstel is gemeenten verzocht om wel al zoveel als mogelijk te anticiperen op de verplichte invoering per 1 juli 2002.

De ministeriele regeling zal op korte termijn worden aangepast.

3.3 Planning komende rapportages
De volgende rapportage, die u vóór het zomerreces zult ontvangen, zal voornamelijk kwantitatief van aard zijn, zoals door u is gevraagd. Deze rapportage zal gegevens bevatten die afkomstig zijn uit de hiervoor genoemde monitor oudkomers, waarvoor gemeenten op 1 april aanstaande gegevens over de jaren 2000 en 2001 zullen aanleveren. Daarnaast zullen ook de monitor duale trajecten van Regioplan, het wachtlijstonderzoek NT2 (meting 1 mei 2002) en de ontwikkeltrajecten van de Taskforce input leveren voor deze rapportage.

De derde en laatste rapportage van 2002 zal een gecombineerde kwalitatieve en kwantitatieve rapportage zijn. Wederom zult u worden geïnformeerd over de monitor oudkomers, de monitor duale trajecten en de ontwikkeltrajecten van de Taskforce. Gemeenten zullen via de monitor oudkomers op 1 oktober 2002 gegevens aanleveren over de eerste helft van 2002. Deze gegevensaanlevering zal naar verwachting meer inzicht verschaffen over de stand van zaken van het oudkomersbeleid in de G54. Gegevensaanlevering in het kader van het wachtlijstonderzoek vindt tweemaal per jaar plaats, te weten eind februari en eind juni. Derhalve zullen geen recente gegevens met betrekking tot de wachtlijsten kunnen worden meegenomen in de derde rapportage.

3.4 Vormgeving van de accountantscontrole
In de procedureregeling grote projecten is geregeld dat de rapportages in het kader van het Groot Project dienen te zijn voorzien van een accountantsverklaring. De departementale accountantsdienst dient te rapporteren over: a) de projectorganisatie van het Groot Project (inclusief de architectuur van de informatievoorziening) b) de kwaliteit van de financiële gegevens en c) de kwaliteit van de gepresenteerde beleidsgegevens. Er wordt nu een vooronderzoek gedaan naar de inrichting van de controle rond het Groot Project. Op basis van dit vooronderzoek ontwikkel ik een plan van aanpak (auditplan) dat ik uiteraard aan u voorleg. Het plan gaat in op het bereik van de controles (inclusief de te hanteren beoordelingscriteria) alsmede op de vraag wanneer over welke onderwerpen wordt gerapporteerd.

terug naar boven

4. Uitval bij oudkomers

4.1 De omvang van de uitvalproblematiek
Uit het onderzoek naar uitval bij oudkomers dat in het kader van het wachtlijstonderzoek NT2 is verricht bij 6 ROC’s blijkt dat 35% van de deelnemers voortijdig uitvalt. Daarnaast begint 25% van de mensen die op een wachtlijst staan nooit met een cursus. De grootste groep van de uitvallers stopt zonder opgaaf van redenen. Andere redenen van uitval liggen in de persoonlijke/ medische sfeer of hangen samen met het vinden van werk.

In de door de Taskforce Inburgering uitgevoerde ‘State of the Art’ bij gemeenten (zie ook hoofdstuk 8) zijn vragen gesteld over de uitval van inburgeraars. Diverse redenen worden door gemeenten genoemd voor het voortijdig stoppen met trajecten door oudkomers en nieuwkomers. De gemeenten geven aan dat uitval onder zowel oudkomers als nieuwkomers vaak wordt veroorzaakt door zwangerschap of door het vinden van werk. Bij nieuwkomers wordt daarnaast verhuizing genoemd als een belangrijke reden van uitval. In één van de ontwikkeltrajecten van de Taskforce worden diepte-interviews gehouden met een groep uitvallers, zodat meer inzicht wordt verkregen in de specifieke redenen van uitval. De uitkomsten van dit onderzoek zullen in juni beschikbaar zijn.

Ook in de monitor oudkomers zijn vragen opgenomen over redenen van uitval uit inburgeringsprogramma’s. Hiermee wordt met ingang van 2002 structureel informatie gegenereerd over de hoofdredenen van uitval van oudkomers uit inburgeringsprogramma’s.

terug naar boven

4.2 De aanpak van de uitvalproblematiek
De meeste gemeenten hebben naar aanleiding van de ‘State of the Art’ aan gegeven maatregelen te treffen om de uitval te beperken, vaker in het geval van nieuwkomers dan van oudkomers. Zowel bij oudkomers als bij nieuwkomers wordt verzuimbeleid veelvuldig toegepast om voortijdig stoppen te beperken. Echter bij oudkomers nemen maatregelen veelal de vorm aan van meer maatwerk in het aanbod terwijl bij nieuwkomers sancties vaker gebruikt worden. Naast specifieke maatregelen gericht op preventie van uitval hanteren vele gemeenten incentives. Negatieve incentives worden vaker gebruikt bij nieuwkomers dan bij oudkomers; driekwart van de gemeenten zegt negatieve incentives te gebruiken voor nieuwkomers tegenover de helft van de gemeenten voor oudkomers. Bij een negatieve incentivebeleid wordt vooral gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de wet al biedt. In het geval van de nieuwkomers is dat de WIN, terwijl men bij de oudkomers de mogelijkheden gebruikt die de Algemene Bijstandswet biedt. Dit laatste betekent dat de negatieve incentives voor oudkomers met name gericht zijn op de doelgroep werklozen. Positieve incentives worden in mindere mate gebruikt – ongeveer een derde van de gemeenten geeft aan positieve incentives toe te passen. Deze incentives hebben meestal een financieel karakter. In tegenstelling tot het gebruik van negatieve incentives is het gebruik van positieve incentives in grote lijnen hetzelfde bij nieuwkomers als bij oudkomers.

De oplossingen van de uitvalproblematiek dienen te worden gezocht in minder vrijblijvendheid en een betere aansluiting van het cursusaanbod bij de cursusbehoefte. Maatwerk moet de kans op ongewenste uitval verkleinen. De later in deze brief aan de orde komende duale trajecten kunnen daarbij ook een belangrijke rol vervullen.

In het kader van het ontwikkeltraject ‘Vraag & aanbod, uitval en sancties’ werken 4 gemeenten samen aan het ontwikkelen van instrumenten. Deze instrumenten zullen komende zomer beschikbaar worden gesteld aan gemeenten en uitvoeringsinstellingen.

In de eerste plaats is een algemeen instrument ontwikkeld waarmee de cursusbehoefte van oudkomers kan worden vastgesteld. Dit instrument wordt verder uitgewerkt en getest in de vier gemeenten van dit ontwikkeltraject. Met deze vier gemeenten wordt tevens gewerkt aan een handreiking over de wijze waarop meer inzicht kan worden verkregen in de omvang en samenstelling van de groep oudkomers in een gemeente.

Daarnaast moet dit ontwikkeltraject in de zomer van 2002 een set van instrumenten ter bestrijding van uitval opleveren. Deze set zal in ieder geval een handreiking bevatten, die ingaat op de vraag hoe verzuim en uitval wordt gedefiniëerd en in beeld kan worden gebracht. Daarnaast zal een uitgewerkt en getest voorbeeldonderzoek tot de instrumentset behoren, waarmee kwalitatieve gegevens over uitval kunnen worden verzameld. Dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd in drie regionale opleidingencentra. Wanneer het voorbeeldonderzoek onderdeel van de set van instrumenten wordt, kunnen ook andere gemeenten of onderwijsinstellingen het onderzoek laten uitvoeren om beter inzicht te krijgen in de factoren die de kans op uitval uit onderwijsprogramma’s vergroten c.q. verkleinen.

5. Duale Trajecten

In het regeerakkoord heeft het kabinet aangekondigd duale trajecten uit te willen voeren, in de vorm van taal-werkstages en arbeidsmarktgerichte opleidingen. Dit voornemen is direct stevig ingezet, door niet alleen de combinatie van werken en leren te introduceren, maar ook de combinatie van het leren van Nederlands en het volgen van een beroepsopleiding uit te proberen door middel van pilots.

Eind 2000/begin 2001 is, in opdracht van het ministerie van BZK en onder auspiciën van de Taskforce Inburgering, een start gemaakt met de volgende pilots:

1) Duale trajecten waarin een combinatie werd nagestreefd van het leren van Nederlands (NT2) en een beroepsopleiding, gericht op zowel nieuwkomers als oudkomers. Deze pilot werd uitgevoerd door het Instituut Taalonderzoek en Taalonderwijs aan Anderstaligen (ITTA);

2) Duale trajecten waarin een combinatie werd nagestreefd van het leren van Nederlands en werk, gericht op nieuwkomers. Deze trajecten werden zowel beproefd door de adviesbureaus Orbis en Rijnconsult in de vier grote steden, als door TPG-Post binnen het Raamconvenant Grote Ondernemingen.

De pilots waarin taal en beroepsonderwijs werden gecombineerd zijn een groot succes gebleken. In één jaar tijd zijn 1600 cursisten met een duale opleiding gestart en heeft de helft van de ROC’s geparticipeerd. Vanwege dit succes vindt in 2002 een uitbreiding van de aanpak naar alle ROC’s plaats. Overigens zij opgemerkt dat ook buiten deze pilot ROC’s sinds een aantal jaren duale trajecten uitvoeren. De pilot geeft een extra impuls aan deze vorm van trajecten.

De pilots van Orbis/Rijnconsult in de vier grote steden, waarin de combinatie van het leren van Nederlands en werken werd nagestreefd, hebben vooral op procesmatig niveau tot resultaat geleid. Naast de pilots van Orbis/Rijnconsult, ITTA en TPG-Post is door de ministers voor GSI en van SZW in 2000 een start gemaakt met een Raamconvenant Grote Ondernemingen (RGO). Naar verwachting zal het aantal aangesloten bedrijven in maart 2002 tot honderd uitgebreid. Eenendertig van deze bedrijven hebben aangegeven duale trajecten uit te willen voeren voor etnische minderheden. Ook hier wordt weer een combinatie nagestreefd van het leren van Nederlands en een vorm van werk.

Aan de hand van de ervaringen met de TPG-Post pilot, de pilots van ITTA en Orbis en het ontwikkeltraject duale trajecten van de TI zal een handreiking en een methodiek ten behoeve van gemeenten, taalaanbieders en werkgevers worden opgesteld. Met deze in digitale vorm uit te brengen werkwijzer duale trajecten, welke in het najaar van 2002 via de databank van de Taskforce breed onder de uitvoerder zal worden verspreid, wordt de uitvoering en de start van nieuwe duale trajecten gefaciliteerd.

In bijlage B wordt u nader geïnformeerd over de pilots duale trajecten, de monitoring, het Raamconvenant Grote Ondernemingen en het ontwikkeltraject van de Taskforce Inburgering.

terug naar boven

6. Resultaten wachtlijstonderzoek taalles (peildatum 1 december 2001)

6.1 De omvang en de dynamiek van de wachtlijst
Per 1 december 2001 blijkt de omvang van de wachtlijsten verder te zijn afgenomen. Er zijn nu 6.856 personen die wachten op een cursus NT-2 bij de verschillende ROC’s in Nederland. Hierbij is uitgegaan van een minimale wachttijd van 2 maanden (conform eerdere rapportages). Indien een termijn van vier maanden wordt gehanteerd en aldus wordt aangesloten bij de termijnen van de WIN en de afspraken tussen Bve Raad, VNG en TI in het kader van het uniform wachtlijstbeleid blijkt dat de omvang van de lijst verder daalt tot 4.898 personen (een daling van bijna 30 procent).

De daling van de wachtlijst gaat gepaard met een stijging van het percentage wachtenden in de vier grote steden van 63% van de totale wachtlijst op 1 juli 2000 naar 77 % van de totale wachtlijst op 1 december 2001. De wachtlijstproblematiek lijkt zich derhalve in de vier grote steden te concentreren.

In dit onderzoek is ook gekeken naar de dynamiek en doorstroming in de wachtlijsten. De indruk bestaat dat de doorstroming zich in een steeds sneller tempo voltrekt. Anderzijds valt op dat, na een aanvankelijk forse afname, van de oorspronkelijke wachtlijst een relatief steeds kleinere groep verdwijnt. De daling volgt geen lineair patroon maar vlakt geleidelijk af. Naar totale omvang gerekend worden de wachtlijsten per peildatum kleiner, enerzijds door een snellere instroom in cursussen van personen die op de wachtlijst staan en anderzijds door een afname van het aantal personen dat nieuw op de wachtlijst wordt geplaatst. De verruiming van het aantal cursusplaatsen en een aanscherping van het wachtlijstbeleid zijn hier debet aan. ( N.B. Over de stand van de wachtlijst op de 3 peilmomenten voorafgaand aan 1 december 2001 bent u reeds in eerdere rapportages geïnformeerd).

6.2 Het verloop van de wachtlijst van 1 juli 2000
Van deze wachtlijst van oorspronkelijk 10.202 personen zijn op 1 december 2001 nog 207 personen over (ingeschreven bij slechts enkele ROC’s). Dit is twee procent van de oorspronkelijke wachtlijst.

Uit een steekproef bij acht ROC´s blijkt dat van degenen op de wachtlijst 25 procent niet aan een cursus begint omdat zij voor de start van een traject van de wachtlijst zijn verwijderd. Redenen hiervoor zijn ondermeer: 1) het niet reageren op een oproep en 2) het niet gebruik kunnen of willen maken van het aanbod van het ROC. Van degenen die instromen in een taaltraject stopt 35 procent zonder hun cursus te hebben afgemaakt. Een kleine groep (zeven procent) keert terug naar de wachtlijst, 28 procent stopt en keert ook niet terug op de wachtlijst. Zes ROC´s registreren de redenen waarom deelnemers stoppen; uit hun gegevens blijkt dat de meeste van de afhakers stoppen zonder opgaaf van reden. Van degenen die per 1 juli 2000 met een traject zijn gestart heeft per 1 december drie procent het traject afgerond. Dit is een relatief klein percentage. Voor dit geringe aantal is een tweetal verklaringen. In de eerste plaats duren de meeste taaltrajecten tenminste anderhalf jaar en zijn veel personen dus nog niet aan afronding toe. In de tweede plaats kan uit de gegevens van de ROC´s niet worden afgeleid of degenen die deelnemen aan een traject nog steeds deelnemen aan hun oorspronkelijke traject, dan wel inmiddels (na afronding) aan een ander traject zijn begonnen.

terug naar boven

6.3 De kenmerken van personen op de wachtlijst
In de samenstelling van de wachtlijsten treden nagenoeg geen verschuivingen op. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat, evenals in de eerdere metingen, een aanzienlijk deel van alle wachtenden van 1 december 2001 (42 procent) personen zijn uit de traditionele migrantengroepen, namelijk Marokkanen, Turken, Surinamers, Antillianen en Arubanen. Ook nu staan, evenals in de vorige metingen, meer vrouwen dan mannen op de wachtlijst. Met name Turkse vrouwen zijn oververtegenwoordigd. En net als in de vorige metingen is meer dan de helft van de personen op de wachtlijst ouder dan 30 jaar (54 procent).

6.4 Wachtlijstbeheer en beleid

In juni 2001 hebben de VNG, de Bve Raad en de Taskforce Inburgering afspraken gemaakt over het wachtlijstbeleid van de gemeenten. Het doel is om te komen tot een meer uniform wachtlijstbeleid in de verschillende gemeenten. Uit dit onderzoek blijkt echter dat er nog steeds veel verschillen zijn tussen de gemeenten in de wijze waarop de afspraken zijn geïmplementeerd.

Per 1 december is de afspraak om alleen diegenen die geen aanbod kunnen krijgen vanwege onvoldoende capaciteit of omdat het aanbod niet aansluit op de vraag of er geen beschikbare kinderopvang is, in de meeste gemeenten ingevoerd. De afspraken over wachtduur (4 maanden) en half jaarlijkse opschoning van de wachtlijst hebben tot nu toe minder navolging gevonden.

Hiervoor is overigens ook een verklaring. Op het moment dat de afspraken over wachtlijstbeheer werden gemaakt, was in de meeste gevallen de contractbespreking tussen gemeente en het ROC al afgerond. Pas bij de nieuwe ronde besprekingen zullen deze afspraken daarom voorwerp van onderhandeling kunnen zijn.

Aan de Taskforce Inburgering is gevraagd bij gemeenten en ROC’s aandacht te vragen voor de implementatie van de afspraken tussen TI, VNG en Bve raad.

7. Stand van zaken van de activiteiten van de Taskforce Inburgering

De Taskforce heeft in de zomer van 2001 de eerste opdracht rond het wegwerken van wachtlijsten voor taallessen oudkomers afgerond en heeft sindsdien de activiteiten rond de structurele verbetering van de uitvoering van het inburgeringsproces en de informatievoorziening geïntensiveerd. De activiteiten worden langs drie sporen uitgevoerd. In het eerste spoor worden de G42 gestimuleerd om met alle betrokken uitvoeringsorganisatie regionale of lokale taskforces in te stellen en samen een verbeteragenda op te stellen. In het tweede spoor wordt samen met gemeenten en andere uitvoerders aan tien regio overstijgende ontwikkeltrajecten gewerkt. In deze ontwikkeltrajecten worden oplossingen ontwikkeld voor de meest voorkomende knelpunten in het inburgeringsproces. In het derde spoor wordt beoogd met de resultaten van de ontwikkeltrajecten, de uitvoering van de inburgering in het hele land op een hoger professioneel plan te brengen.

terug naar boven

7.1. Eerste spoor Task force: Regionale/lokale taskforces
In de afgelopen periode waren de inspanningen van de Taskforce er primair op gericht om in alle 41 betrokken gemeenten, waar de Taskforce werkzaam is, regionale of lokale taskforces tot stand te brengen. Dit is inmiddels in ruim 95% van de gevallen (39 gemeenten) gelukt. Bij de verantwoordelijke wethouders en ROC-bestuurders is een besef van urgentie geconstateerd om de gewenste kwaliteitsverbetering te realiseren. Om concrete verbeteringen tot stand te brengen is de inrichting van een lokale of regionale infrastructuur, die als stuwende kracht van het verbeteringsproces kan fungeren, noodzakelijk. De investering in tijd en mensen die hiervoor is gepleegd, moet in de komende periode het gewenste rendement opleveren.

Inmiddels zijn in 37 van de 41 gemeenten verbeteragenda’s en verbeterplannen opgesteld. In vier gevallen dus nog niet; in 2 hiervan functioneren wel al lokale/regionale taskforces. In deze gemeenten zal de planvorming binnenkort zijn afgerond. In de resterende 6 gemeenten, die nog geen taskforce hebben opgericht, zal planvorming afhangen van het tempo waarmee de taskforces tot stand komen. Voor een meer gedetailleerd inzicht in de inhoud van de verbeteragenda’s zijn twee voorbeelden bijgevoegd: die uit Schiedam en Dordrecht.

De mate waarin door betrokken gemeenten en in de taskforces participerende inburgeringsorganisaties zelf het verbeterproces ter hand wordt genomen, verschilt aanzienlijk. In de helft van de gemeenten neemt men zelf initiatief, de andere helft wacht de initiatieven van de accountmanagers van de Taskforce af. Bij die laatste groep gemeenten heeft inburgering en de invulling van de gemeentelijke regierol onvoldoende politieke prioriteit en daarmee samenhangend is er onvoldoende ambtelijke capaciteit en slagkracht om het veranderproces ter hand te nemen.

In het eerste kwartaal van 2002 is een tussentijds evaluatiemoment voorzien tussen de projectleiding en de verantwoordelijke wethouder(s) over de voortgang van het verbeterproces. Op 1 maart jl. had de projectleiding 75% van deze bestuurlijke gesprekken gevoerd. De projectleiding heeft tijdens die gesprekken vastgesteld, dat er op gemeentelijk niveau in toenemende mate sprake is van bestuurlijk commitment voor de door de Taskforce voorgestane integrale aanpak en de op grond hiervan door te voeren verbeteringen. Bij de betrokken wethouders bestaat het voornemen om inburgering op te nemen in de te sluiten collegeprogramma's en in de nieuwe collegeperiode vanwege het integrale karakter van inburgering van nieuw- en oudkomers daar waar nodig de ambtelijke en bestuurlijke coördinatie te zullen versterken.

terug naar boven

7.2. Tweede spoor Taskforce: Ontwikkeltrajecten
De knelpunten die in de uitvoering ten aanzien van inburgering spelen zijn doorgaans niet uniek. Integendeel: de uitvoerders van inburgeringstrajecten lopen in veel gemeenten en regio’s tegen vergelijkbare problemen op. Het is daarom nuttig om uitvoerende professionals en experts uit het land bijeen te brengen om gezamenlijk een bepaald knelpunt onder de loep te nemen. Naast de ondersteuning van de regionale/lokale taskforces werkt de Taskforce daarom samen met gemeenten en deskundigen in tien ontwikkeltrajecten. Zoals gezegd zijn deze trajecten gemeente- en regio-overstijgend. De meerwaarde hiervan is dat de participanten ‘over de schutting’ heen kunnen kijken waardoor kennisverhoging en –verspreiding kan plaatsvinden. In deze ontwikkeltrajecten, waaraan 41 gemeenten deelnemen, worden producten en goodpractices ontwikkeld, die na verspreiding onder alle gemeenten gebruikt kunnen worden bij de verbetering van het inburgeringsproces.

De participanten komen regelmatig onder leiding van de Taskforce bijeen om ervaringen uit te wisselen en de voorgang en resultaten van de productontwikkeling in de betreffende gemeenten te bespreken. Volgens planning dient dit ontwikkelwerk rond 1 juli 2002 te zijn afgerond, waarna in de tweede helft van 2002 de producten beschikbaar worden gesteld aan alle gemeenten en betrokken uitvoeringsorganisaties.

De mate van implementatie van de resultaten van de ontwikkeltrajecten in de G-42 zal verschillen. De G-42 gemeenten die aan het betreffende ontwikkeltraject deelnemen zullen voor het thema, waarop zij hebben ingetekend, aan het einde van 2002 het verste zijn met de implementatie van de verbeteringen. De G-42 gemeenten, die niet in de ontwikkeltrajecten participeren, maar wel thema’s van de ontwikkeltrajecten op hun verbeteragenda geplaatst hebben, zullen wat betreft de implementatie van de verbeteringen in de tweede helft van 2002 eveneens een forse stap kunnen zetten. Daarin zullen zij tot het einde van 2002 ondersteuning krijgen vanuit de Taskforce. Voor de overige gemeenten, is in de tweede helft van 2002 een informatie- en kennisoverdracht voorzien door distributie van de gepubliceerde producten van de Taskforce. Er zullen daarnaast workshops en conferenties worden georganiseerd, waarin kennisoverdracht en informatie-uitwisseling plaatsvindt. De producten van alle ontwikkeltrajecten worden ten behoeve van de uitvoeringspraktijk in schriftelijke en in digitale vorm gepubliceerd. Dit geschiedt door middel van een brochurereeks (‘Sleutels’) en via de website van de Taskforce Inburgering. (www.taskforce-inburgering.nl).

Voor een beschrijving van de ontwikkeltrajecten verwijs ik u naar bijlage A.

7.3. Derde spoor Task force: Professionalisering
Met het derde spoor professionalisering wordt beoogd de resultaten van de ontwikkeltrajecten en good practices uit te dragen naar de uitvoeringspraktijk. Voor de verspreiding wordt gebruik gemaakt van zowel schriftelijke als digitale communicatiemogelijkheden. De Taskforce heeft een maandelijkse nieuwsbrief, geeft een brochurereeks uit en via een eigen website en databank wordt zoveel mogelijk kennis en informatie over inburgering verzameld en verspreid. Tevens worden regionale conferenties en workshops georganiseerd voor de professionals op het terrein van inburgering. Zo is in het Spartastadion in januari een succesvolle conferentie voor alle gemeenten in de regio Rijnmond georganiseerd over versterking van de regievoering en staan voor maart en april 18 regionale bijeenkomsten gepland over de tussenstand van de ontwikkeltrajecten.

terug naar boven

8. Hoofdlijnen ‘state of the art’ bij gemeenten

8.1 Onderzoek naar zelfbeeld gemeenten via vragenlijst Taskforce
Door de Taskforce Inburgering en een extern bureau is onderzoek gedaan naar de ‘State of the art’ bij gemeenten. Het betrof een meting van het gemeentelijke zelfbeeld. De nadruk hierbij lag op de organisatorische en procesmatige aspecten van inburgering. Het onderzoek is met haar meer kwalitatieve karakter aanvullend op de monitor oudkomers.

De respons op het onderzoek was goed; 53 van de 54 gemeenten hebben deelgenomen aan het onderzoek. Een integraal verslag van de bevindingen treft u aan in de bijlage.

8.2 Beschikbaar stellen financiële middelen belangrijke stimulus
Het algemene beeld dat ontstaat als men kijkt naar de inburgering van oudkomers bij de verschillende gemeenten is positief. Veel gemeenten zijn reeds gestart met het bepalen van de doelgroepen, het definiëren van trajecten en het starten van concrete projecten met de verkregen oudkomersgelden.

De G25 gemeenten zijn over het algemeen het langst bezig met inburgeringtrajecten voor oudkomers terwijl de G12 gemeenten recentelijk pas gestart zijn met trajecten voor oudkomers. Het beschikbaar stellen van de extra oudkomersgelden lijkt een belangrijke stimulus te zijn om trajecten op te starten.

Vooral de kleinere gemeenten zeggen zicht te hebben op het potentiële aantal oudkomers dat in aanmerking komt voor inburgering.

De meeste gemeenten nemen specifieke maatregelen om de oudkomers te bereiken, meestal door ze te benaderen via zelforganisaties en/of via het basisonderwijs cq. de brede school. Voor wat betreft de wachtlijsten zegt de meerderheid van de gemeenten maatregelen te treffen om de wachtlijsten weg te werken. Deze maatregelen zijn vooral gericht op het vergroten van het aanbod (tegenover bijvoorbeeld flexibilisering in het aanbod). Men is actief bezig om naast het ROC ook bij andere organisaties trajecten in te kopen voor de inburgering van oudkomers. De helft van de gemeenten zegt dat er al in 2001 trajecten bij andere organisaties dan het ROC zijn gestart.

terug naar boven

8.3 Overige aspecten: kinderopvang, samenwerking, duale trajecten
De regeling van kinderopvang voor inburgeraars krijgt volop aandacht van de gemeenten. De helft van de gemeenten zegt een geïntegreerde aanpak te hebben van inburgering en kinderopvang. Het aanbod aan kinderopvang bestaat op dit moment vooral uit professionele kinderopvang buiten het ROC, maar ook eigen opvang door het ROC wordt veel geboden.

Intergemeentelijke samenwerking op het gebied van inburgering komt veel voor. Driekwart van de gemeenten zegt enige vorm van samenwerking te hanteren, waarbij de grote gemeenten dit nog vaker aangeven dan de kleinere gemeenten.

Duale trajecten worden door een grote meerderheid van de gemeenten aangeboden. Vooral de G25 en de G17 zijn hier actief mee bezig. Veel gemeenten bieden duale trajecten aan van inburgering met werk, eventueel ook in combinatie met een beroepsopleiding, of van inburgering met opvoedingsondersteuning.

9. Ten slotte

In het Algemeen Overleg over de Rapportage Integratie Etnische Minderheden (RIEM) 2001 heeft u gevraagd naar de voorlichting over inburgering op de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland. Die voorlichting is bij alle ambassades en consulaten aanwezig in de vorm van brochures over de WIN. Die brochures worden uiteraard actueel gehouden en worden verspreid via het ministerie van Buitenlandse Zaken.

DE MINISTER VOOR GROTE STEDEN- EN INTEGRATIEBELEID,

R. H. L. M. van Boxtel

 terug naar boven

InburgerNet werd mogelijk gemaakt door het ministerie van Justitie.