|
Eerste voortgangsrapportage
- Inleiding
- Leeswijzer
- Voortgang Groot Project
- Uitval bij oudkomers
- Duale Trajecten
-
Resultaten wachtlijstonderzoek taalles (peildatum 1 december 2001)
-
Stand van zaken van de activiteiten van de Taskforce Inburgering
-
Hoofdlijnen ‘state of the art’ bij gemeenten
- Ten slotte
Bijlagen:
BIJLAGE A: ONTWIKKELTRAJECTEN TASKFORCE
BIJLAGE B: NADERE INFORMATIE OVER DUALE TRAJECTEN
terug
naar boven
1. Inleiding
Hierbij bied ik u, mede namens de ministers van OCenW en SZW en de
staatssecretaris van VWS, de 1e rapportage in het kader van
het Groot Project Inburgering aan. De rapportage gaat in op de
voortgang van het project. Er wordt aandacht besteed aan de
informatievoorziening, de planning van de volgende rapportages en de
accountancy aspecten. Daarnaast bevat de rapportage de door u
gevraagde informatie inzake uitval, duale trajecten en wachtlijsten.
De rapportage besluit met een tussentijdse beschrijving van de tot nu
toe bereikte resultaten van de Taskforce Inburgering en met een
beschrijving van de uitvoeringspraktijk bij gemeenten. Dit aan de hand
van de door gemeenten ingevulde State of the Art vragenlijst.
Het belang van een snelle inburgering staat buiten kijf. Dat de
uitvoering van de inburgering verbetering behoeft, is evident.
Duidelijk is dat verbetering tijd vergt. Wat is er de afgelopen
periode aan die verbetering gedaan? Parlement en kabinet hebben veel
energie gestoken in de realisatie van betere randvoorwaarden. Het
budget dat beschikbaar is voor de inburgering van zogenaamde
oudkomers, is de afgelopen vier jaar verveelvoudigd. Daarnaast is er
stevig geïnvesteerd in de verbetering van het primaire
uitvoeringsproces. Hierbij is sprake van een kabinetsbrede inzet.
Tijdens een 2-tal bestuurlijke werkconferenties (21 juni 2000 en 25
april 2001) heeft een kabinetsdelegatie gesproken met
vertegenwoordigers van gemeenten en uitvoeringsinstellingen over
knelpunten en aanpak. Door de departementen gezamenlijk is een
Taskforce ingesteld. Die Taskforce heeft, in nauwe samenwerking met
gemeenten en Regionale opleidingscentra (ROC’s), wachtlijsten
weggewerkt en ondersteunt momenteel met accountmanagement de
verbeteringen in het uitvoeringsproces. In de praktijk wordt met
nieuwe werkwijzen geëxperimenteerd om gebleken knelpunten op te
lossen. En ook werkgevers zijn betrokken bij de experimenten met
inburgering in de vorm van duale trajecten. Zowel de relatie tussen
gemeente en inburgeraar als de verhouding tussen gemeente en Rijk,
heeft in het oudkomersbeleid een meer verplichtend karakter gekregen.
In de nieuwe oudkomersregelingen zijn concrete stappen gezet in de
richting van prestatiefinanciering.
Ook op het decentrale niveau wordt hard gewerkt aan verbeteringen.
Vaak in regionaal verband met een gezamenlijke verbeteragenda. Om die
inzet op het lokale niveau, draait het bij de inburgering. Immers, het
beleidsterrein is volledig gedecentraliseerd. Gemeenten, Regionale
Opleidingencentra (ROC’s), Centra voor Werk en Inkomen (CWI’s) en
andere betrokkenen, moeten samenwerken en trajecten combineren. De
gemeente voert de regie. Dat lukt op sommige plaatsen steeds beter,
maar werkt nog niet overal even goed. Met name de
informatievoorziening is nog steeds erg kwetsbaar. Hoewel daar met het
ontwikkeltraject 10 van de Taskforce en met het groot project een
forse impuls aan wordt gegeven is sprake van een groeimodel. Binnen
gemeenten bestaat immers een diversiteit aan registratiesystemen en
-modellen. Het vergt derhalve tijd om tot een eenduidige en
kwalitatief goede registratie te komen tussen gemeenten, ROC’s en het
Rijk.
De Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN) is geëvalueerd. Het
eindrapport van deze evaluatie wordt binnenkort aan uw Kamer
aangeboden. Daarnaast onderzoekt een interdepartementale werkgroep de
effectiviteit van het inburgeringsbeleid. De uitkomsten van dit
interdepartementale beleidsonderzoek (IBO) worden nog voor de
verkiezingen verwacht.
Inburgering is deze kabinetsperiode in een stroomversnelling
geraakt en hoewel begin 2000 nog geen kwantitatieve gegevens over de
eerste jaren van de WIN bekend waren, zijn de bekende
uitvoeringsknelpunten al wel aangepakt. Inburgering is niet meer weg
te denken als cruciaal begin van het integratieproces en als
inhaalslag voor oudkomers met een achterstand. De waarden en normen
van Nederland krijgen een stevige plaats in het inburgeringsprogramma
en het kabinet werkt een voorstel van het Nederlands Centrum
Buitenlanders (NCB) uit over een financiële bijdrage van de partner
van overkomende WIN-plichtigen (gezinsvormers/-herenigers) aan
inburgering.
Wat zijn nu de kernbegrippen bij de verbetering van inburgering?
Dat zijn integrale aanpak, maatwerk, duale trajecten,
prestatieafspraken, prikkels, maatschappelijke oriëntatie en
harmonisatie van regelgeving en verantwoording. Die begrippen hebben
de verbetering van de afgelopen tijd gekenmerkt en bepalen ook de
agenda voor de komende jaren. Concrete stappen zijn inmiddels gezet,
de effecten ervan zullen pas na enige tijd zichtbaar worden, immers
dergelijke veranderingsprocessen vragen tijd. Weliswaar ronden
jaarlijks zo’n 17.000 nieuwkomers een inburgeringsprogramma af, maar
de effectiviteit moet beter. Door blijvend in te zetten op de genoemde
kernbegrippen, kan de inburgering niet alleen effectiever maar ook
efficiënter worden.
Aan de hand van deze kernbegrippen kan voorts een vergelijking
tussen gemeenten worden gemaakt. Daarover zal met de gemeenten overleg
worden gevoerd.
terug
naar boven
2. Leeswijzer
Deze brief is als volgt
opgebouwd. In paragraaf 3 wordt gestart met een schets van de
voortgang van het Groot Project. De planning van de rapportages in het
kader van het groot project wordt aangegeven en er wordt ingegaan op
de accountantscontrole.
In de paragrafen 4 en 5 wordt ingegaan op de door u gevraagde
informatie over de thema’s uitval en duale trajecten. In paragraaf 6
wordt stilgestaan bij de periodieke meting van het wachtlijstonderzoek
(ditmaal stand per 1 december 2001).
In paragraaf 7 vervolgens wordt een beeld geschetst van de
tussentijdse resultaten van de Taskforce. In paragraaf 8 wordt de
uitvoeringspraktijk bij gemeenten beschreven, aan de hand van de door
gemeenten ingevulde ‘State of the Art’ vragenlijst.
Als bijlagen zijn bijgevoegd een beschrijving van de
ontwikkeltrajecten van de Taskforce en een uitgebreidere beschrijving
van de stand van zaken rond duale trajecten. Daarnaast zijn
bijgevoegd: de rapportage wachtlijstonderzoek van CINOP/Regioplan, het
eindrapport van PWC met verwerkte gegevens ‘State of the Art’, alsmede
een 2-tal concrete voorbeelden van verbeteragenda’s.
terug
naar boven
3. Voortgang Groot Project
3.1 Aanpak informatievoorziening
Inmiddels is een voortvarende start gemaakt met het Groot
Project. Tijdens een bestuurlijk overleg met wethouders van de G-54
zijn afspraken gemaakt over de inrichting van de
informatievoorziening. De gemeenten spannen zich in zoveel mogelijk
mee te werken aan de nieuwe monitor oudkomers. Daarnaast is een aantal
andere instrumenten, zoals de State of the Art vragenlijst, ontwikkeld
en geïmplementeerd. Hierdoor zijn in beginsel de voorwaarden geschapen
voor het tijdig beschikbaar komen van de door de Kamer gewenste
informatie.
De monitor oudkomers is inmiddels in de vorm van een
internet-applicatie geïntroduceerd bij de gemeenten. Voor analyses is
een centrale analysetool ontwikkeld. Het introduceren van de monitor
bij de gemeenten is gepaard gegaan met een intensief
voorlichtingstraject. Voorts verzorgt PWC in opdracht van BZK/GSI een
gericht ondersteuningstraject om gemeenten te helpen bij het invullen
van de monitor. Met deze activiteiten wordt gepoogd waarborgen te
creëren voor het beschikbaar komen van éénduidige en kwalitatief
hoogwaardige informatie.
Door de gemeenten is de State of the Art vragenlijst van de
Taskforce Inburgering ingevuld. Deze vragenlijst bevat informatie over
de procesmatige aspecten van het inburgeringsproces bijvoorbeeld
inzake de kwaliteit van de informatiesystemen, het sanctiebeleid en de
incentivestructuur.
In paragraaf 8 van deze brief wordt u op hoofdlijnen geïnformeerd
over de bevindingen van deze enquête.
Naast de monitor en de state of the art vragenlijst wordt op een
aantal specifieke thema’s gericht onderzoek uitgevoerd; bijvoorbeeld
de continuering van het wachtlijstonderzoek en diverse onderzoeken
naar duale trajecten.
Alhoewel de nodige voorwaarden worden gecreëerd voor een goede
informatievoorziening is één kanttekening nadrukkelijk op zijn plaats.
Zoals ook al in de brief van december jl. werd geschetst gaat het bij
het op orde brengen van de informatievoorziening om een groeitraject.
Niet alle informatie zal metéén het gewenste eindniveau bereiken. Zo
zal de eerste meting van de monitor oudkomers (meting van 1 april
2002) gegevens van beperkte betekenis opleveren, omdat het gegevens
betreft over de reeds voorbije jaren 2000 en 2001 en gemeenten in
beperkte mate hebben kunnen anticiperen op de gegevensvraag. Ten
aanzien van de latere (verplichte) metingen wordt dit beter; van de
gemeenten kan dan worden verwacht dat zij tijdig hun
informatiesystemen afstemmen op de in de monitor gevraagde informatie.
3.2 Invoering verplichte overéénkomst gemeente - oudkomer
Op 30 november 2001 trad de Regeling aanvullende bijdrage
inburgering oudkomers 54 gemeenten in werking (zie brief van 27
november 2001; Kamerstuk 27083; nr. 21). Op grond van deze regeling
wordt aan 54 gemeenten die reeds eerder een bijdrage hebben ontvangen
voor de uitvoering van het gemeentelijke beleid ter verbetering van de
inburgering oudkomers een aanvullende bijdrage ter
intensivering van dit beleid verstrekt. In deze regeling wordt een
aantal nieuwe elementen geïntroduceerd. Eén van deze elementen betreft
de verplichting voor de gemeente om met iedere oudkomer die een
inburgeringsprogramma start, een overeenkomst te sluiten.
Inmiddels is gebleken dat het voldoen aan deze voorwaarde binnen de
in de regeling genoemde termijn (met ingang van 1 januari 2002) bij
een aantal gemeenten, mede vanwege de gemeenteraadsverkiezingen, op
onoverkomelijke bezwaren stuit. Naar aanleiding daarvan is de
gemeenten bij brief van 30 januari 2002 meegedeeld dat de
invoeringsdatum van het verplicht gebruik van bedoelde overeenkomst
van 1 januari 2002 is gewijzigd in 1 juli 2002. Niettegenstaande dit
uitstel is gemeenten verzocht om wel al zoveel als mogelijk te
anticiperen op de verplichte invoering per 1 juli 2002.
De ministeriele regeling zal op korte termijn worden aangepast.
3.3 Planning komende rapportages
De volgende rapportage, die u vóór het zomerreces zult
ontvangen, zal voornamelijk kwantitatief van aard zijn, zoals door u
is gevraagd. Deze rapportage zal gegevens bevatten die afkomstig zijn
uit de hiervoor genoemde monitor oudkomers, waarvoor gemeenten op 1
april aanstaande gegevens over de jaren 2000 en 2001 zullen
aanleveren. Daarnaast zullen ook de monitor duale trajecten van
Regioplan, het wachtlijstonderzoek NT2 (meting 1 mei 2002) en de
ontwikkeltrajecten van de Taskforce input leveren voor deze
rapportage.
De derde en laatste rapportage van 2002 zal een gecombineerde
kwalitatieve en kwantitatieve rapportage zijn. Wederom zult u worden
geïnformeerd over de monitor oudkomers, de monitor duale trajecten en
de ontwikkeltrajecten van de Taskforce. Gemeenten zullen via de
monitor oudkomers op 1 oktober 2002 gegevens aanleveren over de eerste
helft van 2002. Deze gegevensaanlevering zal naar verwachting meer
inzicht verschaffen over de stand van zaken van het oudkomersbeleid in
de G54. Gegevensaanlevering in het kader van het wachtlijstonderzoek
vindt tweemaal per jaar plaats, te weten eind februari en eind juni.
Derhalve zullen geen recente gegevens met betrekking tot de
wachtlijsten kunnen worden meegenomen in de derde rapportage.
3.4 Vormgeving van de accountantscontrole
In de procedureregeling grote projecten is geregeld dat de
rapportages in het kader van het Groot Project dienen te zijn voorzien
van een accountantsverklaring. De departementale accountantsdienst
dient te rapporteren over: a) de projectorganisatie van het Groot
Project (inclusief de architectuur van de informatievoorziening) b) de
kwaliteit van de financiële gegevens en c) de kwaliteit van de
gepresenteerde beleidsgegevens. Er wordt nu een vooronderzoek gedaan
naar de inrichting van de controle rond het Groot Project. Op basis
van dit vooronderzoek ontwikkel ik een plan van aanpak (auditplan) dat
ik uiteraard aan u voorleg. Het plan gaat in op het bereik van de
controles (inclusief de te hanteren beoordelingscriteria) alsmede op
de vraag wanneer over welke onderwerpen wordt gerapporteerd.
terug
naar boven
4. Uitval bij oudkomers
4.1 De omvang van de uitvalproblematiek
Uit het onderzoek naar uitval bij oudkomers dat in het kader van
het wachtlijstonderzoek NT2 is verricht bij 6 ROC’s blijkt dat 35% van
de deelnemers voortijdig uitvalt. Daarnaast begint 25% van de mensen
die op een wachtlijst staan nooit met een cursus. De grootste groep
van de uitvallers stopt zonder opgaaf van redenen. Andere redenen van
uitval liggen in de persoonlijke/ medische sfeer of hangen samen met
het vinden van werk.
In de door de Taskforce Inburgering uitgevoerde ‘State of the Art’
bij gemeenten (zie ook hoofdstuk 8) zijn vragen gesteld over de uitval
van inburgeraars. Diverse redenen worden door gemeenten genoemd voor
het voortijdig stoppen met trajecten door oudkomers en nieuwkomers. De
gemeenten geven aan dat uitval onder zowel oudkomers als nieuwkomers
vaak wordt veroorzaakt door zwangerschap of door het vinden van werk.
Bij nieuwkomers wordt daarnaast verhuizing genoemd als een belangrijke
reden van uitval. In één van de ontwikkeltrajecten van de Taskforce
worden diepte-interviews gehouden met een groep uitvallers, zodat meer
inzicht wordt verkregen in de specifieke redenen van uitval. De
uitkomsten van dit onderzoek zullen in juni beschikbaar zijn.
Ook in de monitor oudkomers zijn vragen opgenomen over redenen van
uitval uit inburgeringsprogramma’s. Hiermee wordt met ingang van 2002
structureel informatie gegenereerd over de hoofdredenen van uitval van
oudkomers uit inburgeringsprogramma’s.
terug
naar boven
4.2 De aanpak van de uitvalproblematiek
De meeste gemeenten hebben naar aanleiding van de ‘State of the
Art’ aan gegeven maatregelen te treffen om de uitval te beperken,
vaker in het geval van nieuwkomers dan van oudkomers. Zowel bij
oudkomers als bij nieuwkomers wordt verzuimbeleid veelvuldig toegepast
om voortijdig stoppen te beperken. Echter bij oudkomers nemen
maatregelen veelal de vorm aan van meer maatwerk in het aanbod terwijl
bij nieuwkomers sancties vaker gebruikt worden. Naast specifieke
maatregelen gericht op preventie van uitval hanteren vele gemeenten
incentives. Negatieve incentives worden vaker gebruikt bij nieuwkomers
dan bij oudkomers; driekwart van de gemeenten zegt negatieve
incentives te gebruiken voor nieuwkomers tegenover de helft van de
gemeenten voor oudkomers. Bij een negatieve incentivebeleid wordt
vooral gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de wet al biedt. In
het geval van de nieuwkomers is dat de WIN, terwijl men bij de
oudkomers de mogelijkheden gebruikt die de Algemene Bijstandswet
biedt. Dit laatste betekent dat de negatieve incentives voor oudkomers
met name gericht zijn op de doelgroep werklozen. Positieve incentives
worden in mindere mate gebruikt – ongeveer een derde van de gemeenten
geeft aan positieve incentives toe te passen. Deze incentives hebben
meestal een financieel karakter. In tegenstelling tot het gebruik van
negatieve incentives is het gebruik van positieve incentives in grote
lijnen hetzelfde bij nieuwkomers als bij oudkomers.
De oplossingen van de uitvalproblematiek dienen te worden gezocht
in minder vrijblijvendheid en een betere aansluiting van het
cursusaanbod bij de cursusbehoefte. Maatwerk moet de kans op
ongewenste uitval verkleinen. De later in deze brief aan de orde
komende duale trajecten kunnen daarbij ook een belangrijke rol
vervullen.
In het kader van het ontwikkeltraject ‘Vraag & aanbod, uitval en
sancties’ werken 4 gemeenten samen aan het ontwikkelen van
instrumenten. Deze instrumenten zullen komende zomer beschikbaar
worden gesteld aan gemeenten en uitvoeringsinstellingen.
In de eerste plaats is een algemeen instrument ontwikkeld waarmee
de cursusbehoefte van oudkomers kan worden vastgesteld. Dit instrument
wordt verder uitgewerkt en getest in de vier gemeenten van dit
ontwikkeltraject. Met deze vier gemeenten wordt tevens gewerkt aan een
handreiking over de wijze waarop meer inzicht kan worden verkregen in
de omvang en samenstelling van de groep oudkomers in een gemeente.
Daarnaast moet dit ontwikkeltraject in de zomer van 2002 een set
van instrumenten ter bestrijding van uitval opleveren. Deze set zal in
ieder geval een handreiking bevatten, die ingaat op de vraag hoe
verzuim en uitval wordt gedefiniëerd en in beeld kan worden gebracht.
Daarnaast zal een uitgewerkt en getest voorbeeldonderzoek tot de
instrumentset behoren, waarmee kwalitatieve gegevens over uitval
kunnen worden verzameld. Dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd in
drie regionale opleidingencentra. Wanneer het voorbeeldonderzoek
onderdeel van de set van instrumenten wordt, kunnen ook andere
gemeenten of onderwijsinstellingen het onderzoek laten uitvoeren om
beter inzicht te krijgen in de factoren die de kans op uitval uit
onderwijsprogramma’s vergroten c.q. verkleinen.
5. Duale Trajecten
In het regeerakkoord heeft het kabinet aangekondigd duale trajecten
uit te willen voeren, in de vorm van taal-werkstages en
arbeidsmarktgerichte opleidingen. Dit voornemen is direct stevig
ingezet, door niet alleen de combinatie van werken en leren te
introduceren, maar ook de combinatie van het leren van Nederlands en
het volgen van een beroepsopleiding uit te proberen door middel van
pilots.
Eind 2000/begin 2001 is, in opdracht van het ministerie van BZK en
onder auspiciën van de Taskforce Inburgering, een start gemaakt met de
volgende pilots:
1) Duale trajecten waarin een combinatie werd nagestreefd van het
leren van Nederlands (NT2) en een beroepsopleiding, gericht op zowel
nieuwkomers als oudkomers. Deze pilot werd uitgevoerd door het
Instituut Taalonderzoek en Taalonderwijs aan Anderstaligen (ITTA);
2) Duale trajecten waarin een combinatie werd nagestreefd van het
leren van Nederlands en werk, gericht op nieuwkomers. Deze trajecten
werden zowel beproefd door de adviesbureaus Orbis en Rijnconsult in de
vier grote steden, als door TPG-Post binnen het Raamconvenant Grote
Ondernemingen.
De pilots waarin taal en beroepsonderwijs werden gecombineerd zijn
een groot succes gebleken. In één jaar tijd zijn 1600 cursisten met
een duale opleiding gestart en heeft de helft van de ROC’s
geparticipeerd. Vanwege dit succes vindt in 2002 een uitbreiding van
de aanpak naar alle ROC’s plaats. Overigens zij opgemerkt dat ook
buiten deze pilot ROC’s sinds een aantal jaren duale trajecten
uitvoeren. De pilot geeft een extra impuls aan deze vorm van
trajecten.
De pilots van Orbis/Rijnconsult in de vier grote steden, waarin de
combinatie van het leren van Nederlands en werken werd nagestreefd,
hebben vooral op procesmatig niveau tot resultaat geleid. Naast de
pilots van Orbis/Rijnconsult, ITTA en TPG-Post is door de ministers
voor GSI en van SZW in 2000 een start gemaakt met een Raamconvenant
Grote Ondernemingen (RGO). Naar verwachting zal het aantal aangesloten
bedrijven in maart 2002 tot honderd uitgebreid. Eenendertig van deze
bedrijven hebben aangegeven duale trajecten uit te willen voeren voor
etnische minderheden. Ook hier wordt weer een combinatie nagestreefd
van het leren van Nederlands en een vorm van werk.
Aan de hand van de ervaringen met de TPG-Post pilot, de pilots van
ITTA en Orbis en het ontwikkeltraject duale trajecten van de TI zal
een handreiking en een methodiek ten behoeve van gemeenten,
taalaanbieders en werkgevers worden opgesteld. Met deze in digitale
vorm uit te brengen werkwijzer duale trajecten, welke in het najaar
van 2002 via de databank van de Taskforce breed onder de uitvoerder
zal worden verspreid, wordt de uitvoering en de start van nieuwe duale
trajecten gefaciliteerd.
In bijlage B wordt u nader geïnformeerd over de pilots duale
trajecten, de monitoring, het Raamconvenant Grote Ondernemingen en het
ontwikkeltraject van de Taskforce Inburgering.
terug
naar boven
6. Resultaten wachtlijstonderzoek taalles (peildatum 1 december 2001)
6.1 De omvang en de dynamiek van de wachtlijst
Per 1 december 2001 blijkt de omvang van de wachtlijsten
verder te zijn afgenomen. Er zijn nu 6.856 personen die wachten op een
cursus NT-2 bij de verschillende ROC’s in Nederland. Hierbij is
uitgegaan van een minimale wachttijd van 2 maanden (conform eerdere
rapportages). Indien een termijn van vier maanden wordt gehanteerd en
aldus wordt aangesloten bij de termijnen van de WIN en de afspraken
tussen Bve Raad, VNG en TI in het kader van het uniform
wachtlijstbeleid blijkt dat de omvang van de lijst verder daalt tot
4.898 personen (een daling van bijna 30 procent).
De daling van de wachtlijst gaat gepaard met een stijging van het
percentage wachtenden in de vier grote steden van 63% van de totale
wachtlijst op 1 juli 2000 naar 77 % van de totale wachtlijst op 1
december 2001. De wachtlijstproblematiek lijkt zich derhalve in de
vier grote steden te concentreren.
In dit onderzoek is ook gekeken naar de dynamiek en doorstroming in
de wachtlijsten. De indruk bestaat dat de doorstroming zich in een
steeds sneller tempo voltrekt. Anderzijds valt op dat, na een
aanvankelijk forse afname, van de oorspronkelijke wachtlijst een
relatief steeds kleinere groep verdwijnt. De daling volgt geen lineair
patroon maar vlakt geleidelijk af. Naar totale omvang gerekend worden
de wachtlijsten per peildatum kleiner, enerzijds door een snellere
instroom in cursussen van personen die op de wachtlijst staan en
anderzijds door een afname van het aantal personen dat nieuw op de
wachtlijst wordt geplaatst. De verruiming van het aantal
cursusplaatsen en een aanscherping van het wachtlijstbeleid zijn hier
debet aan. ( N.B. Over de stand van de wachtlijst op de 3 peilmomenten
voorafgaand aan 1 december 2001 bent u reeds in eerdere rapportages
geïnformeerd).
6.2 Het verloop van de wachtlijst van 1 juli 2000
Van deze wachtlijst van oorspronkelijk 10.202 personen zijn op
1 december 2001 nog 207 personen over (ingeschreven bij slechts enkele
ROC’s). Dit is twee procent van de oorspronkelijke wachtlijst.
Uit een steekproef bij acht ROC´s blijkt dat van degenen op de
wachtlijst 25 procent niet aan een cursus begint omdat zij voor de
start van een traject van de wachtlijst zijn verwijderd. Redenen
hiervoor zijn ondermeer: 1) het niet reageren op een oproep en 2) het
niet gebruik kunnen of willen maken van het aanbod van het ROC. Van
degenen die instromen in een taaltraject stopt 35 procent zonder hun
cursus te hebben afgemaakt. Een kleine groep (zeven procent) keert
terug naar de wachtlijst, 28 procent stopt en keert ook niet terug op
de wachtlijst. Zes ROC´s registreren de redenen waarom deelnemers
stoppen; uit hun gegevens blijkt dat de meeste van de afhakers stoppen
zonder opgaaf van reden. Van degenen die per 1 juli 2000 met een
traject zijn gestart heeft per 1 december drie procent het traject
afgerond. Dit is een relatief klein percentage. Voor dit geringe
aantal is een tweetal verklaringen. In de eerste plaats duren de
meeste taaltrajecten tenminste anderhalf jaar en zijn veel personen
dus nog niet aan afronding toe. In de tweede plaats kan uit de
gegevens van de ROC´s niet worden afgeleid of degenen die deelnemen
aan een traject nog steeds deelnemen aan hun oorspronkelijke traject,
dan wel inmiddels (na afronding) aan een ander traject zijn begonnen.
terug
naar boven
6.3 De kenmerken van personen op de wachtlijst
In de samenstelling van de wachtlijsten treden nagenoeg geen
verschuivingen op. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat, evenals in
de eerdere metingen, een aanzienlijk deel van alle wachtenden van 1
december 2001 (42 procent) personen zijn uit de traditionele
migrantengroepen, namelijk Marokkanen, Turken, Surinamers, Antillianen
en Arubanen. Ook nu staan, evenals in de vorige metingen, meer vrouwen
dan mannen op de wachtlijst. Met name Turkse vrouwen zijn
oververtegenwoordigd. En net als in de vorige metingen is meer dan de
helft van de personen op de wachtlijst ouder dan 30 jaar (54 procent).
6.4 Wachtlijstbeheer en beleid
In juni 2001 hebben de VNG, de Bve Raad en de Taskforce Inburgering
afspraken gemaakt over het wachtlijstbeleid van de gemeenten. Het doel
is om te komen tot een meer uniform wachtlijstbeleid in de
verschillende gemeenten. Uit dit onderzoek blijkt echter dat er nog
steeds veel verschillen zijn tussen de gemeenten in de wijze waarop de
afspraken zijn geïmplementeerd.
Per 1 december is de afspraak om alleen diegenen die geen aanbod
kunnen krijgen vanwege onvoldoende capaciteit of omdat het aanbod niet
aansluit op de vraag of er geen beschikbare kinderopvang is, in de
meeste gemeenten ingevoerd. De afspraken over wachtduur (4 maanden) en
half jaarlijkse opschoning van de wachtlijst hebben tot nu toe minder
navolging gevonden.
Hiervoor is overigens ook een verklaring. Op het moment dat de
afspraken over wachtlijstbeheer werden gemaakt, was in de meeste
gevallen de contractbespreking tussen gemeente en het ROC al afgerond.
Pas bij de nieuwe ronde besprekingen zullen deze afspraken daarom
voorwerp van onderhandeling kunnen zijn.
Aan de Taskforce Inburgering is gevraagd bij gemeenten en ROC’s
aandacht te vragen voor de implementatie van de afspraken tussen TI,
VNG en Bve raad.
7. Stand van zaken van de activiteiten van de Taskforce Inburgering
De Taskforce heeft in de zomer van 2001 de eerste opdracht rond het
wegwerken van wachtlijsten voor taallessen oudkomers afgerond en heeft
sindsdien de activiteiten rond de structurele verbetering van de
uitvoering van het inburgeringsproces en de informatievoorziening
geïntensiveerd. De activiteiten worden langs drie sporen uitgevoerd.
In het eerste spoor worden de G42 gestimuleerd om met alle betrokken
uitvoeringsorganisatie regionale of lokale taskforces in te stellen en
samen een verbeteragenda op te stellen. In het tweede spoor wordt
samen met gemeenten en andere uitvoerders aan tien regio overstijgende
ontwikkeltrajecten gewerkt. In deze ontwikkeltrajecten worden
oplossingen ontwikkeld voor de meest voorkomende knelpunten in het
inburgeringsproces. In het derde spoor wordt beoogd met de resultaten
van de ontwikkeltrajecten, de uitvoering van de inburgering in het
hele land op een hoger professioneel plan te brengen.
terug
naar boven
7.1. Eerste spoor Task force: Regionale/lokale taskforces
In de afgelopen periode waren de inspanningen van de Taskforce
er primair op gericht om in alle 41 betrokken gemeenten, waar de
Taskforce werkzaam is, regionale of lokale taskforces tot stand te
brengen. Dit is inmiddels in ruim 95% van de gevallen (39 gemeenten)
gelukt. Bij de verantwoordelijke wethouders en ROC-bestuurders is een
besef van urgentie geconstateerd om de gewenste kwaliteitsverbetering
te realiseren. Om concrete verbeteringen tot stand te brengen is de
inrichting van een lokale of regionale infrastructuur, die als
stuwende kracht van het verbeteringsproces kan fungeren, noodzakelijk.
De investering in tijd en mensen die hiervoor is gepleegd, moet in de
komende periode het gewenste rendement opleveren.
Inmiddels zijn in 37 van de 41 gemeenten verbeteragenda’s en
verbeterplannen opgesteld. In vier gevallen dus nog niet; in 2 hiervan
functioneren wel al lokale/regionale taskforces. In deze gemeenten zal
de planvorming binnenkort zijn afgerond. In de resterende 6 gemeenten,
die nog geen taskforce hebben opgericht, zal planvorming afhangen van
het tempo waarmee de taskforces tot stand komen. Voor een meer
gedetailleerd inzicht in de inhoud van de verbeteragenda’s zijn twee
voorbeelden bijgevoegd: die uit Schiedam en Dordrecht.
De mate waarin door betrokken gemeenten en in de taskforces
participerende inburgeringsorganisaties zelf het verbeterproces ter
hand wordt genomen, verschilt aanzienlijk. In de helft van de
gemeenten neemt men zelf initiatief, de andere helft wacht de
initiatieven van de accountmanagers van de Taskforce af. Bij die
laatste groep gemeenten heeft inburgering en de invulling van de
gemeentelijke regierol onvoldoende politieke prioriteit en daarmee
samenhangend is er onvoldoende ambtelijke capaciteit en slagkracht om
het veranderproces ter hand te nemen.
In het eerste kwartaal van 2002 is een tussentijds evaluatiemoment
voorzien tussen de projectleiding en de verantwoordelijke wethouder(s)
over de voortgang van het verbeterproces. Op 1 maart jl. had de
projectleiding 75% van deze bestuurlijke gesprekken gevoerd. De
projectleiding heeft tijdens die gesprekken vastgesteld, dat er op
gemeentelijk niveau in toenemende mate sprake is van bestuurlijk
commitment voor de door de Taskforce voorgestane integrale aanpak en
de op grond hiervan door te voeren verbeteringen. Bij de betrokken
wethouders bestaat het voornemen om inburgering op te nemen in de te
sluiten collegeprogramma's en in de nieuwe collegeperiode vanwege het
integrale karakter van inburgering van nieuw- en oudkomers daar waar
nodig de ambtelijke en bestuurlijke coördinatie te zullen versterken.
terug
naar boven
7.2. Tweede spoor Taskforce: Ontwikkeltrajecten
De knelpunten die in de uitvoering ten aanzien van inburgering
spelen zijn doorgaans niet uniek. Integendeel: de uitvoerders van
inburgeringstrajecten lopen in veel gemeenten en regio’s tegen
vergelijkbare problemen op. Het is daarom nuttig om uitvoerende
professionals en experts uit het land bijeen te brengen om gezamenlijk
een bepaald knelpunt onder de loep te nemen. Naast de ondersteuning
van de regionale/lokale taskforces werkt de Taskforce daarom samen met
gemeenten en deskundigen in tien ontwikkeltrajecten. Zoals gezegd zijn
deze trajecten gemeente- en regio-overstijgend. De meerwaarde hiervan
is dat de participanten ‘over de schutting’ heen kunnen kijken
waardoor kennisverhoging en –verspreiding kan plaatsvinden. In deze
ontwikkeltrajecten, waaraan 41 gemeenten deelnemen, worden producten
en goodpractices ontwikkeld, die na verspreiding onder alle gemeenten
gebruikt kunnen worden bij de verbetering van het inburgeringsproces.
De participanten komen regelmatig onder leiding van de Taskforce
bijeen om ervaringen uit te wisselen en de voorgang en resultaten van
de productontwikkeling in de betreffende gemeenten te bespreken.
Volgens planning dient dit ontwikkelwerk rond 1 juli 2002 te zijn
afgerond, waarna in de tweede helft van 2002 de producten beschikbaar
worden gesteld aan alle gemeenten en betrokken
uitvoeringsorganisaties.
De mate van implementatie van de resultaten van de
ontwikkeltrajecten in de G-42 zal verschillen. De G-42 gemeenten die
aan het betreffende ontwikkeltraject deelnemen zullen voor het thema,
waarop zij hebben ingetekend, aan het einde van 2002 het verste zijn
met de implementatie van de verbeteringen. De G-42 gemeenten, die niet
in de ontwikkeltrajecten participeren, maar wel thema’s van de
ontwikkeltrajecten op hun verbeteragenda geplaatst hebben, zullen wat
betreft de implementatie van de verbeteringen in de tweede helft van
2002 eveneens een forse stap kunnen zetten. Daarin zullen zij tot het
einde van 2002 ondersteuning krijgen vanuit de Taskforce. Voor de
overige gemeenten, is in de tweede helft van 2002 een informatie- en
kennisoverdracht voorzien door distributie van de gepubliceerde
producten van de Taskforce. Er zullen daarnaast workshops en
conferenties worden georganiseerd, waarin kennisoverdracht en
informatie-uitwisseling plaatsvindt. De producten van alle
ontwikkeltrajecten worden ten behoeve van de uitvoeringspraktijk in
schriftelijke en in digitale vorm gepubliceerd. Dit geschiedt door
middel van een brochurereeks (‘Sleutels’) en via de website van de
Taskforce Inburgering. (www.taskforce-inburgering.nl).
Voor een beschrijving van de ontwikkeltrajecten verwijs ik u naar
bijlage A.
7.3. Derde spoor Task force: Professionalisering
Met het derde spoor professionalisering wordt beoogd de
resultaten van de ontwikkeltrajecten en good practices uit te dragen
naar de uitvoeringspraktijk. Voor de verspreiding wordt gebruik
gemaakt van zowel schriftelijke als digitale
communicatiemogelijkheden. De Taskforce heeft een maandelijkse
nieuwsbrief, geeft een brochurereeks uit en via een eigen website en
databank wordt zoveel mogelijk kennis en informatie over inburgering
verzameld en verspreid. Tevens worden regionale conferenties en
workshops georganiseerd voor de professionals op het terrein van
inburgering. Zo is in het Spartastadion in januari een succesvolle
conferentie voor alle gemeenten in de regio Rijnmond georganiseerd
over versterking van de regievoering en staan voor maart en april 18
regionale bijeenkomsten gepland over de tussenstand van de
ontwikkeltrajecten.
terug
naar boven
8.
Hoofdlijnen ‘state of the art’ bij gemeenten
8.1 Onderzoek naar zelfbeeld gemeenten via vragenlijst Taskforce
Door de Taskforce Inburgering en een extern bureau is
onderzoek gedaan naar de ‘State of the art’ bij gemeenten. Het betrof
een meting van het gemeentelijke zelfbeeld. De nadruk hierbij lag op
de organisatorische en procesmatige aspecten van inburgering. Het
onderzoek is met haar meer kwalitatieve karakter aanvullend op de
monitor oudkomers.
De respons op het onderzoek was goed; 53 van de 54 gemeenten hebben
deelgenomen aan het onderzoek. Een integraal verslag van de
bevindingen treft u aan in de bijlage.
8.2 Beschikbaar stellen financiële middelen belangrijke stimulus
Het algemene beeld dat ontstaat als men kijkt naar de
inburgering van oudkomers bij de verschillende gemeenten is positief.
Veel gemeenten zijn reeds gestart met het bepalen van de doelgroepen,
het definiëren van trajecten en het starten van concrete projecten met
de verkregen oudkomersgelden.
De G25 gemeenten zijn over het algemeen het langst bezig met
inburgeringtrajecten voor oudkomers terwijl de G12 gemeenten
recentelijk pas gestart zijn met trajecten voor oudkomers. Het
beschikbaar stellen van de extra oudkomersgelden lijkt een belangrijke
stimulus te zijn om trajecten op te starten.
Vooral de kleinere gemeenten zeggen zicht te hebben op het
potentiële aantal oudkomers dat in aanmerking komt voor inburgering.
De meeste gemeenten nemen specifieke maatregelen om de oudkomers te
bereiken, meestal door ze te benaderen via zelforganisaties en/of via
het basisonderwijs cq. de brede school. Voor wat betreft de
wachtlijsten zegt de meerderheid van de gemeenten maatregelen te
treffen om de wachtlijsten weg te werken. Deze maatregelen zijn vooral
gericht op het vergroten van het aanbod (tegenover bijvoorbeeld
flexibilisering in het aanbod). Men is actief bezig om naast het ROC
ook bij andere organisaties trajecten in te kopen voor de inburgering
van oudkomers. De helft van de gemeenten zegt dat er al in 2001
trajecten bij andere organisaties dan het ROC zijn gestart.
terug
naar boven
8.3 Overige aspecten: kinderopvang, samenwerking, duale trajecten
De regeling van kinderopvang voor inburgeraars krijgt volop
aandacht van de gemeenten. De helft van de gemeenten zegt een
geïntegreerde aanpak te hebben van inburgering en kinderopvang. Het
aanbod aan kinderopvang bestaat op dit moment vooral uit professionele
kinderopvang buiten het ROC, maar ook eigen opvang door het ROC wordt
veel geboden.
Intergemeentelijke samenwerking op het gebied van inburgering komt
veel voor. Driekwart van de gemeenten zegt enige vorm van samenwerking
te hanteren, waarbij de grote gemeenten dit nog vaker aangeven dan de
kleinere gemeenten.
Duale trajecten worden door een grote meerderheid van de gemeenten
aangeboden. Vooral de G25 en de G17 zijn hier actief mee bezig. Veel
gemeenten bieden duale trajecten aan van inburgering met werk,
eventueel ook in combinatie met een beroepsopleiding, of van
inburgering met opvoedingsondersteuning.
9. Ten slotte
In het Algemeen Overleg over de Rapportage Integratie Etnische
Minderheden (RIEM) 2001 heeft u gevraagd naar de voorlichting over
inburgering op de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland.
Die voorlichting is bij alle ambassades en consulaten aanwezig in de
vorm van brochures over de WIN. Die brochures worden uiteraard actueel
gehouden en worden verspreid via het ministerie van Buitenlandse
Zaken.
DE MINISTER VOOR GROTE STEDEN- EN INTEGRATIEBELEID,
R. H. L. M. van Boxtel
terug
naar boven |