|
Tweede voortgangsrapportage
1. Inleiding
2. Leeswijzer
3.
Beleidsontwikkelingen inburgering oudkomers
4. Informatievoorziening Groot Project Inburgering oudkomers
4.1. Monitor
oudkomers – regelingen BZK
4.2. State of the Art
4.3. Wachtlijsten NT2
5. Stand van zaken
specifieke thema’s
5.1. Duale trajecten
5.2. Uitval
5.3. Onderzoek
cursusbehoefte oudkomers
6.
Activiteiten Taskforce Inburgering
7. Rapportage AD
Bijlage A: Overzicht stand van zaken 10
ontwikkeltrajecten Taskforce Inburgering (juni 2002)
Hierbij bied ik u, mede namens de bij de inburgering van oudkomers
betrokken bewindslieden van OCenW, SZW en VWS, de tweede
voortgangsrapportage in het kader van het Groot Project Inburgering
oudkomers aan.
1. Inleiding
Inburgering is een belangrijk speerpunt van beleid geweest in de
afgelopen kabinetsperiode. Zo is in 1998 met de inwerkingtreding van
de Wet inburgering nieuwkomers (WIN) de uitvoering van de inburgering
van nieuwkomers door de gemeenten ter hand genomen en is een beleid
ingezet tot inburgering van hen die al langer in Nederland zijn, de
zogenoemde oudkomers. Daarbij is prioriteit gegeven aan die oudkomers
die het Nederlands niet of onvoldoende beheersen en daardoor een
achterstand hebben tot de arbeidsmarkt dan wel als opvoeder niet
kunnen bijdragen aan het voorkomen van een taalachterstand bij hun
kinderen. In de afgelopen kabinetsperiode zijn daarom, naast de al
bestaande reguliere educatiemiddelen, ook specifieke middelen voor
oudkomers beschikbaar gesteld om een groter deel van deze groep
oudkomers een inburgeringstraject te kunnen aanbieden. De potentiële
groep oudkomers die een taalachterstand heeft is nog groot (SCP-rapport,
"Oudkomers in beeld", 2001. De specifieke middelen voor de oudkomers
zijn in de afgelopen vier jaar verhoogd van 5,6 miljoen euro in 1999
tot 96,5 miljoen euro in 2002. In totaal kunnen hierdoor nu 54
gemeenten een specifiek oudkomersbeleid voeren en een steeds
grotere groep oudkomers inburgeren.
De uitvoering van dit specifieke beleid bleek in de praktijk echter
nog de nodige problemen op te leveren. Er waren wachtlijsten voor
oudkomers, de uitval was groot, er kon onvoldoende maatwerk worden
geleverd in de cursus en het beoogde niveau kon vaak niet worden
bereikt. Daarnaast vergde de uitvoering van het inburgeringsbeleid van
de gemeenten een zware regievoering als het ging om het combineren van
inburgeringsbeleid met ander beleid, zoals werk, scholing en educatie,
opvoedingsondersteuning, kinderopvang etc. Het kabinet heeft
vervolgens een Task Force ingesteld om de gemeenten tijdelijk te
ondersteunen bij de verbetering van de uitvoering van het beleid, om
de wachtlijsten weg te werken en om een model te maken voor de
informatievoorziening tussen rijk en gemeenten en tussen gemeenten en
uitvoeringsinstellingen (ROC’s). Het behoeft geen betoog dat het van
het grootste belang is dat het inburgeringsbeleid efficiënt en
effectief wordt uitgevoerd.
Ook de Tweede Kamer heeft in de afgelopen kabinetsperiode
aangegeven te hechten aan een goede uitvoering van het
inburgeringsbeleid en heeft ook de inburgering van oudkomers als een
belangrijke prioriteit gezien. Zo heeft de Tweede Kamer – mede gelet
op de beschikbaar gestelde extra middelen – het inburgeringsbeleid
voor oudkomers aangewezen als Groot Project. Laatstelijk heeft de
Kamer in een AO op 26 maart 2002 gesproken over de inrichting van het
Groot Project en de frequentie van de rapportages. In dit AO is tevens
de eerste rapportage besproken.
terug
naar boven
2. Leeswijzer
Deze brief betreft de tweede voortgangsrapportage in het kader van
het Groot Project Inburgering oudkomers.
In paragraaf 3 wordt u op de hoogte gesteld van de
beleidsontwikkelingen op het terrein van de inburgering van oudkomers.
In paragraaf 4 wordt ingegaan op de resultaten van de onderzoeken die
in het kader van het Groot Project Inburgering oudkomers zijn opgezet.
Deze betreffen de Monitor Oudkomers – regelingen BZK, de State of the
Art Inburgering en het onderzoek naar de wachtlijsten NT2 oudkomers.
In paragraaf 5 wordt nader ingegaan op een aantal specifieke thema’s:
duale trajecten, uitval en de uitkomsten van een onderzoek naar de
cursusbehoefte van oudkomers. In paragraaf 6 wordt een beeld geschetst
van de stand van zaken van de activiteiten van de Taskforce
Inburgering.
Als bijlagen zijn toegevoegd:
Bijlage A: Overzicht stand van zaken 10
ontwikkeltrajecten Taskforce Inburgering (juni 2002)
Bijlage B: Inburgering in Perspectief , juni 2002 (in de
Brochurereeks "Sleutels tot Inburgering" van de Taskforce Inburgering)
In het kader van het Groot Project Inburgering oudkomers:
Bijlage C: Advies inzake Auditplan Project Inburgering oudkomers
Bijlage D: Projectplan Groot Project Inburgering oudkomers (GPIO)
Bijlage E: Kwalitatieve analyse monitor oudkomers – regelingen BZK
(meting april 2002)
Bijlage F: State of the Art Inburgering (meting mei 2002)
Bijlage G: Rapport wachtlijstonderzoek NT2 oudkomers (meting mei
2002)
Ik wijs u erop dat u gelijktijdig met deze voortgangsrapportage een
rapportage van de AD ontvangt waarin een beoordeling wordt gegeven van
het projectplan Groot Project Inburgering oudkomers.
terug
naar boven
3.
Beleidsontwikkelingen inburgering oudkomers
Inburgering oudkomers G54
De extra middelen die vanaf 2001 zijn toegevoegd aan het budget
oudkomers zijn via de Regeling aanvullende bijdrage inburgering
oudkomers 54 gemeenten beschikbaar gesteld aan de 54 gemeenten die al
eerder oudkomersmiddelen hebben ontvangen. Zoals ik u per brief van 27
november 2001 (Tweede Kamer, 2001-2002, 27 083, nr. 21, p. 9) meldde
moesten de betreffende gemeenten in een aanvullend plan aangeven
hoeveel extra inburgeringsprogramma’s zij gaan bekostigen van deze
extra middelen.
Stand van zaken
De gemeenten waren verplicht op uiterlijk 1 april jl. een
conceptplan in te dienen. In reactie op het commentaar vanuit het
ministerie van BZK hebben de gemeenten dit conceptplan aangepast. Op
15 mei jl. moesten gemeenten hun definitieve plannen indienen. De
plannen moesten op hoofdlijn in elk geval de volgende elementen
bevatten:
streefcijfers, met een splitsing naar opvoeders en werklozen, duaal
aanbod en onderscheid tussen programma- en organisatiekosten. De
gemeenten was verder verzocht aandacht te schenken aan de rol van
zelforganisaties, het uitval- en sanctiebeleid, de maatregelen die
worden getroffen ter invoering van de overeenkomst en de maatregelen
die worden getroffen om de monitor oudkomers in te vullen.
Omdat de gemeenten was gevraagd aan te geven hoe de verhouding
tussen het eerdere en het aanvullende plan is geeft deze planvorming,
naast de monitor oudkomers over 2000 en 2001, zicht op de stand bij
gemeenten. Geconcludeerd kan worden dat de opstart van het specifiek
oudkomersbeleid in een groot aantal gemeenten moeizaam is verlopen
(zie verder onder paragraaf 4.1. waarin de resultaten van de monitor
worden gegeven). Uit veel plannen blijkt dat de regievoering een
probleem vormt. Veel gemeenten besteden aandacht aan het versterken
van de regiefunctie door bijvoorbeeld één centraal coördinatiepunt in
te stellen of een bestaande voorziening uit te breiden.
Inmiddels zijn de plannen van 44 gemeenten goedgekeurd. De andere
gemeenten hebben tot 15 juli a.s. tijd hun plan aan te passen.
In afwijking van de lopende regelingen oudkomers zijn, in het kader
van het Groot Project Inburgering oudkomers, in de aanvullende
regeling enkele maatregelen opgenomen die de informatievoorziening aan
de Kamer moeten bevorderen.
Ten eerste hebben gemeenten de verplichting om halfjaarlijks
gegevens te leveren over het aantal oudkomers dat een programma start
of succesvol beëindigt, per oudkomer de uitval, het begin- en het
eindniveau van beheersing van de Nederlandse taal en, in het geval het
werkloze oudkomers betreft, het vervolgtraject. Met gemeenten, VNG,
Bve Raad en externe deskundigen is tijdens een expertmeeting gesproken
over de keuze van de indicatoren die deze gegevens moeten genereren.
Tevens zijn gemeenten vanaf 1 juli 2002 verplicht om een overeenkomst
te sluiten met de startende oudkomers. Deze maatregel is bedoeld om de
vrijblijvendheid te verminderen (voor oudkomers die niet
bijstandsgerechtigd zijn geldt geen verplichting) en hierdoor de
uitval te verminderen.
Op het Bestuurlijk Overleg in december 2001 zijn de afspraken over
de te hanteren indicatoren en het sluiten van een overeenkomst tussen
gemeente en oudkomers toegelicht.
De wijze van financiële verantwoording is ongewijzigd. Dat betekent
dat gemeenten in oktober 2004 een overzicht zullen geven van de
besteding van middelen.
Regeling niet-G54
In 2002 en 2003 is ongeveer 18 miljoen euro per jaar beschikbaar
voor gemeenten die tot op heden geen rijksbijdrage ontvingen in het
kader van het specifiek oudkomersbeleid. In de nieuwe regeling, die nu
in voorbereiding is, zullen concrete stappen worden gezet om het
afrekenen op resultaat mogelijk te maken en daadwerkelijk te
realiseren. Deze gemeenten zullen zich hiervoor in het najaar 2002
in kunnen schrijven. In juli worden regionaal bijeenkomsten
georganiseerd waar
gemeenten worden voorgelicht over de regeling zelf en de wijze
waarop zij hier gebruik van kunnen maken.
terug
naar boven
4. Informatievoorziening Groot Project Inburgering oudkomers
Inmiddels zijn, in het kader van het Groot Project Inburgering
oudkomers een aantal activiteiten opgestart.
In de brief van 6 maart jl. (Tweede Kamer 2001-2002, 22 083, nr.
22) bent u reeds op de hoogte gebracht van de activiteiten die in gang
zijn gezet om de informatievoorziening over het oudkomersbeleid bij
gemeenten te genereren. De informatie stoelt op drie bronnen: de
monitor oudkomers – regelingen BZK, een vragenlijst waarin de
gemeenten een zelfbeeld geven van de stand van zaken rond het
inburgeringsbeleid (State of the Art) en het onderzoek wachtlijsten
NT2 oudkomers. Zoals ik kort na de aanwijzing van inburgering
oudkomers tot Groot Project heb aangegeven is de geïntensiveerde
informatiebehoefte vooral een grote belasting gebleken voor de
uitvoerende organisaties zoals gemeenten en ROC’s.
De gegevens uit de onderzoeken blijken op enkele punten verschillen
te vertonen. Zo is zowel in de monitor oudkomers als in de State of
the Art-vragenlijst gevraagd naar uitvalpercentages en lijken die op
het eerste gezicht niet overeen te komen. De achtergrond hiervan is
waarschijnlijk dat de gegevens uit verschillende jaren afkomstig zijn.
Met dergelijke omstandigheden moet bij het lezen van de rapporten
rekening worden gehouden.
In de hierna volgende paragrafen wordt ingegaan op de gegevens die
de verschillende rapportages hebben opgeleverd. De betreffende
rapporten zijn ter informatie als bijlagen toegevoegd.
terug
naar boven
4.1. Monitor
oudkomers – regelingen BZK
Vanaf 1 januari 2002 zijn de 54 gemeenten die beschikken over
middelen t.b.v. het oudkomersbeleid, via de Regeling aanvullende
bijdrage inburgering oudkomers 54 gemeenten, verplicht halfjaarlijks
gegevens te leveren over een aantal prestatie-indicatoren: het aantal
oudkomers dat een programma start, een programma beëindigt,
doorstroomt (in geval het werkloze oudkomers betreft) en de uitval.
Tevens moet begin- en eindniveau van de taalbeheersing worden
aangeleverd.
De prestatie-indicatoren zijn in overleg met de gemeenten, VNG, Bve
Raad en externe deskundigen bepaald. De gegevens worden aangeleverd
middels een monitor. De invoering van de monitor is intensief begeleid
door het ministerie van BZK. Zo is de monitor allereerst uitgetest in
een aantal gemeenten voordat een elektronische versie beschikbaar werd
gesteld. In februari 2002 heeft het ministerie van BZK een bijeenkomst
georganiseerd waar de 54 gemeenten technische en inhoudelijke
voorlichting kregen over de monitor. De gestelde vragen werden met
antwoord op de website ‘monitor oudkomers’ geplaatst, zodat deze
constant te consulteren waren. Gemeenten konden bovendien kosteloos,
tot een maximum van twee dagen, gebruik maken een door BZK ingehuurd
bureau om advies in te winnen over de inrichting van de monitor. Elke
gemeente is 22.689 euro ter beschikking gesteld om de monitor binnen
de gemeente op te zetten en –eventueel- te integreren in het bestaande
informatiesysteem. De Helpdesk Inburgering is gefaciliteerd om vragen
van de gemeenten te kunnen beantwoorden.
De verzamelde gegevens van de gemeenten worden door een extern
bureau verwerkt. Elk half jaar zal een bijeenkomst worden belegd waar
de resultaten van de halfjaarlijkse monitor worden gepresenteerd en
besproken met de 54 gemeenten. De eerste, waar de gegevens over 2000
en 2001 worden gepresenteerd en besproken, heeft op 5 juni 2002
plaatsgevonden.
Op deze wijze zijn gemeenten op de hoogte van door hen aangeleverde
informatie en wordt tevens een eerste aanzet tot benchmarking gedaan.
1 april jl. was de eerste datum waarop gemeenten hun gegevens
moesten aanleveren. In dit geval betrof het gegevens over de jaren
2000 en 2001. De gegevensverzameling over deze jaren is gehouden op
vrijwillige basis omdat het informatie betrof uit voorgaande jaren en
gemeenten niet vanaf het begin op de hoogte waren welke specifieke
gegevens moesten worden verzameld. De meting is daarom vooral gebruikt
als ‘test’ om gemeenten ervaring te laten opdoen met de monitor
voordat het invullen ervan verplicht wordt. Bovendien konden hierdoor
eventuele technische of inhoudelijke problemen worden gesignaleerd.
Naar aanleiding van de ervaringen worden ten behoeve van de meting op
1 oktober a.s. enkele technische aanpassingen gedaan in de monitor.
Daarnaast is gebleken dat een aantal (grotere) gemeenten moeite heeft
met de aanlevering van gegevens. De onderliggende redenen zijn zeer
divers. Een ervan is dat er geen afspraken zijn gemaakt met de
uitvoerende instelling over de (wijze van) aanlevering van gegevens.
Hierdoor is het mogelijk dat de uitvoerende instelling de gegevens
niet verzamelt of er wel over beschikt maar deze niet overdraagt aan
de gemeente. In veel gevallen zijn de gegevens wel bekend bij
gemeenten maar moeten zij ze handmatig overbrengen in de monitor,
hetgeen zij als een te zware administratieve belasting ervaren.
In het kader van de verbetering van de kwaliteit van de
aangeleverde informatie worden gemeenten die de monitor gedeeltelijk
of niet hebben ingevuld in de komende periode individueel benaderd om
zodoende de specifieke problematiek te traceren. Voor zover het binnen
de reikwijdte van het ministerie van BZK valt zal ondersteuning worden
geboden in de voorbereiding van het volgende meetpunt, 1 oktober 2002.
De gemeenten zijn verplicht uiterlijk op deze datum de gegevens over
het eerste half jaar van 2002 te leveren. Omdat de gemeenten nu bekend
zijn met de vraagstellingen in de monitor mag worden verondersteld dat
het niveau van de registratie als wel de kwaliteit en de
betrouwbaarheid ervan verbetert.
Belangrijkste uitkomsten monitor oudkomers
Nogmaals moet worden benadrukt dat de gegevens over 2000 en 2001 op
vrijwillige basis zijn aangeleverd en dat gemeenten in deze jaren niet
op de hoogte waren van de gegevens die moesten worden geleverd. Het
was dus te verwachten dat niet alle gevraagde gegevens konden worden
geleverd door alle betreffende gemeenten. Desondanks heeft de
meerderheid van de gemeenten de monitor –deels- ingevuld. Op de
gegevens die werden aangeleverd is door een extern bureau een
kwalitatieve analyse gedaan. De belangrijkste uitkomsten zijn als
volgt.
Kwaliteit van de gegevens
De kwaliteit van de aangeleverde gegevens is niet optimaal. Dit
blijkt bijvoorbeeld uit de inconsistenties in de geleverde gegevens:
de aantallen van de verschillende vragen sluiten vaak niet op elkaar
aan. Verder zijn er verschillende vragen, zoals de resultaten (en
daarbinnen de toename van het niveau van taalbeheersing) en de
kostprijs van de programma’s slecht of nauwelijks ingevuld.
Van de 42 gemeenten die in 2000 over specifieke oudkomersmiddelen
beschikten hebben 26 gemeenten de monitor gevuld, 3 gemeenten hebben
de monitor niet ingevuld en 12 gemeenten waren nog niet gestart met de
uitvoering. Eén gemeente heeft haar gegevens over 2000 en 2001 niet
gesplitst. In 2001 beschikten 54 gemeenten over oudkomersmiddelen.
Daarvan hebben 44 gemeenten de monitor ingevuld, 3 hebben de monitor
niet ingevuld en 6 gemeenten waren nog niet gestart met de uitvoering.
Voor 1 gemeente gold dat er geen uitgesplitste gegevens over 2000 en
2001 konden worden geleverd. Geconcludeerd kan worden dat het
merendeel van de gemeenten een half tot één jaar nadat zij de
beschikking kreeg over de specifieke middelen gestart is met de
uitvoering van het specifiek oudkomersbeleid.
Aantal oudkomers
In de gemeenten die de monitor hebben ingevuld zijn in totaal
14.600 oudkomers gestart met een inburgeringsprogramma.
Kenmerken deelnemers en programma’s
Tweederde van de deelnemers is vrouw en driekwart jonger dan 40
jaar. Circa de helft is van Turkse of Marokkaanse afkomst; de
etniciteit van de overige deelnemers is zeer divers. Zowel de inhoud
als intensiteit van de programma’s lijken afgestemd op de doelgroep:
werklozen volgen meer intensieve programma’s die arbeidsgerichte
activiteiten omvatten. Opvoeders volgen vaak een programma gericht op
voorlichting over opvoeding en gezondheid. Opvallend is overigens dat
er gemeenten zijn die de onderverdeling naar de twee prioritaire
groepen niet kunnen maken. De intensiteit van het programma lijkt geen
invloed te hebben op de duur ervan. De meeste oudkomers volgen langer
dan een jaar een programma. Programma’s korter dan zes maanden komen
nauwelijks voor.
Uitval
De uitval onder diegenen die in 2000 zijn gestart ligt op 22%. De
redenen zijn onduidelijk. Als reden voor uitval geven gemeenten nu
‘overig’ aan voor 60% van de uitvallers. Bij de andere 40% komt
verzuim relatief gezien vaak voor als reden.
Taalbeheersing
De gemeenten hebben de vragen waarin de stijging van het niveau van
taalbeheersing moet worden aangegeven en de doorstroom slecht
ingevuld. Daarom kan deze stijging slechts als indicatief worden
beschouwd en is het onmogelijk algemeen geldende conclusies te
trekken. Voor zover gemeenten de vragen hebben ingevuld lijkt het dat
de deelnemers, na afronding, in ongeveer gelijke mate doorstromen naar
een vorm van werk of een vervolgopleiding. De gemeenten die de
betreffende vraag hebben beantwoord geven aan dat wordt ingeschat dat
de taalbeheersing meestal met één en soms met twee niveaus is
gestegen.
Kosten
Het aantal gemeenten dat de vraag naar de kosten heeft beantwoord
is gering. De gemeenten is gevraagd naar de hoogte van directe kosten
en het aantal ingekochte uren waardoor de kosten per uur zouden kunnen
worden berekend. Gemeenten hebben vaak maar een van de twee vragen
beantwoord waardoor de kosten per uur niet konden worden berekend.
Voor zover de vragen wel zijn beantwoord lopen de gegevens zodanig
uiteen dat het aannemelijk is dat men de vraag verschillend heeft
geïnterpreteerd. Het was dus niet mogelijk bruikbare informatie te
verkrijgen over de kostprijs.
Volgende meting
Op 1 oktober 2002 leveren gemeenten de gegevens aan over het eerste
half jaar van 2002. De resultaten hiervan worden meegenomen in de 3e
voortgangsrapportage in het kader van het Groot Project Inburgering
oudkomers die vóór het Kerstreces 2002 aan de Kamer zal worden
aangeboden.
terug
naar boven
4.2. State of the Art
De gemeenten geven een ‘zelfbeeld’ van de stand van zaken rond het
inburgeringsproces via een vragenlijst, de zogenaamde State of the Art
inburgering. De vragenlijst is ontwikkeld door de Taskforce
Inburgering (TI) en had oorspronkelijk tot doel de account managers
van de TI een beeld te geven van de voortgang van het
inburgeringsproces in ‘hun’ gemeente. Dat betekende dat de vragenlijst
in de 41 gemeenten, waar de account managers werkzaam zijn, werd
verspreid en ingevuld. In het kader van de informatievoorziening ten
behoeve van het Groot Project Inburgering oudkomers is een extern
bureau opdracht verleend om in de 13 resterende gemeenten die ook over
specifieke oudkomersmiddelen beschikken, dezelfde vragenlijst uit te
zetten. Het bureau verzamelt en bewerkt de gegevens van alle in totaal
54 gemeenten die door middel van de vragenlijst worden verzameld en
stelt een rapportage op voor het ministerie van BZK. Met het meer
kwalitatieve karakter zijn deze gegevens aanvullend op de monitor
oudkomers. De vragenlijst heeft tot doel een totaaloverzicht te geven
van de activiteiten van de gemeente rond inburgering met de nadruk op
organisatorische en procesmatige aspecten. Dat betekent dat naast
gegevens over het oudkomersbeleid ook gegevens over het
nieuwkomersbeleid worden aangeleverd.
De vragenlijst wordt in totaal drie maal door de gemeenten
ingevuld: 1 december 2001, 1 mei 2002 en 31 oktober 2002. Daar de
uitvraag van de State of the Art onderdeel uitmaakt van de
activiteiten van de Taskforce Inburgering moet de komende maanden
worden beslist over een eventuele continuering van deze
onderzoeksmethode. De Taskforce Inburgering eindigt namelijk op 31
december 2002. Evenals de vorige keer worden gemeenten op de hoogte
gesteld van de resultaten waarbij zij ook terugkoppeling krijgen over
hun resultaten in vergelijking met andere gemeenten uit hun groep (de
zogenaamde G-groepen).
Belangrijkste uitkomsten State of the Art-vragenlijst
Naar aanleiding van de ervaringen van de vorige meting (1 december
2001) is een aantal, vooral technische, wijzingen in de vragenlijst
doorgevoerd. Zo zijn vragen geclusterd of specifieker geformuleerd.
Ondanks het vrijwillig karakter hebben 50 van de 54 gemeenten de
vragenlijst ingevuld van 1 mei 2002. Daarnaast gaven 2 gemeenten aan
niet in de gelegenheid te zijn mee te doen. In 2 andere gemeenten
werd, vanwege ziekte van een account manager van de Taskforce, de
vragenlijst niet uitgezet.
Inmiddels geven 37 gemeenten aan zicht te hebben op het aantal
oudkomers in hun gemeente dat in aanmerking komt voor een
inburgeringsprogramma. Bij de vorige meting (in december 2001) waren
dit 30 gemeenten. Van de overige gemeenten verwachten 6 voor oktober
2002 zicht te hebben op de doelgroep. Bijna alle gemeenten geven aan
specifieke activiteiten te ondernemen om de oudkomers te bereiken.
Veelal bestaan deze activiteiten uit het benaderen van hun via de
basisschool of consultatiebureaus, via zelforganisaties en
welzijnsinstellingen.
Blijkens de gegevens hebben gemeenten onvoldoende zicht op de
wachtlijsten. Gemeenten die aangeven een wachtlijst te hebben
vermelden dat zij, om deze wachtlijsten te verminderen, extra
programma’s inkopen en de wachtlijsten opschonen. De door de Taskforce
Inburgering, de Bve Raad en de VNG gemaakte afspraken over het
wachtlijstbeheer zijn inmiddels door 19 gemeenten geïmplementeerd. Bij
de uitvoering van de inburgeringsprogramma’s maken alle gemeenten
gebruik van het ROC. Daarnaast worden welzijnsinstellingen (t.b.v.
opvoeders) en reïntegratiebedrijven (t.b.v. werklozen) door circa 20
gemeenten genoemd als uitvoerder.
Verzuim en uitval; sancties en incentives
Van de 50 gemeenten geven 34 ( in december 2001 waren dit er 25)
aan zicht te hebben op het percentage oudkomers dat voortijdig een
programma beëindigt. Het gemiddeld uitvalpercentage is rond de 17%;
dit percentage ligt hoger in de G25 dan in de G17 en G12. Dit
percentage verschilt van dat in de monitor . Dit kan verschillende
verklaringen hebben. Het betreft andere rapportagejaren en de
gemeenten verschillen. Daarnaast zijn de gegevens uit de monitor
gebaseerd op geregistreerde data en de gegevens uit de State of the
Art vragenlijst op het beeld dat de gemeenten zelf hebben. Werk en
zwangerschap zijn de belangrijkste oorzaken van uitval. Verhuizing
komt daarnaast ook relatief veel voor.
Een sanctie- en incentivesbeleid kan een effectief middel zijn om
verzuim en uitval tegen te gaan. De meeste gemeenten hanteren een
dergelijk beleid. In slechts de helft van de gemeenten is een
dergelijk beleid door B&W bekrachtigd.
Bestuurlijke verankering
De gemeenten hebben de regierol in het inburgeringsbeleid. Een
stevige bestuurlijke verankering ondersteunt dit proces.
Het inburgeringsbeleid is, volgens opgave, in 36 gemeenten
vastgelegd in een beleidsdocument. In 88% van de gemeenten is de taak
als regisseur van de inburgering bij een wethouder belegd. In 44
gemeenten (6 meer dan in december 2001) wordt over inburgering
verantwoording afgelegd aan de gemeenteraad. Bij een ruime meerderheid
(74%) gaat het om een jaarlijkse verantwoording, bij 16% is het
halfjaarlijks. De overige gemeenten geven aan dat verantwoording per
kwartaal of incidenteel wordt afgelegd als daar aanleiding toe is.
Deze verantwoording heeft betrekking op de uitvoering van beleid, het
aantal deelnemers en het aantal trajecten en de uitvoering van het
beleid. Over uitval, wachtlijsten en het bereikte NT2 niveau wordt
door een minderheid van gemeenten verantwoording afgelegd.
Integrale aanpak
In de helft van de gemeente worden de beleidsvelden sluitende
aanpak, kinderopvang, het reïntegratiebudget en/of het welzijnswerk
geïntegreerd betrokken bij het inburgeringsbeleid. In een kwart van de
gemeenten worden nieuwkomers- en oudkomersbeleid integraal behandeld.
In het verlengde hiervan kan driekwart van de gemeenten aangeven welke
andere budgetten (reguliere educatiemiddelen, WIW-middelen en reserves
WIN) worden ingezet ten behoeve van inburgering. Veel gemeenten geven
aan een duidelijke samenhang te zien tussen inburgering en het gebruik
van VVE-middelen (vroeg- en voorschoolse educatie)
Ook circa driekwart van de gemeenten geeft aan gecoördineerd in te
kopen bij het ROC ten behoeve van nieuw- en oudkomers. In het geval
prestatieafspraken worden gemaakt hebben deze vooral betrekking op het
aantal deelnemers en trajecten en in mindere mate op het te bereiken
NT2-niveau of het percentage uitval.
Veel gemeenten werken samen. Dit betreft vooral een
gemeenschappelijke inkoop bij het ROC of beleidsvoorbereiding.
Gemeenten die op dit moment niet samenwerken geven aan geen plannen in
die richting te hebben.
Duale trajecten
Juist aan oudkomers worden duale trajecten aangeboden. Driekwart
van de gemeenten (het merendeel uit de G25 en G17) biedt deze
inmiddels aan. In de meeste gevallen gaat het dan om een combinatie
van NT2 met arbeidsgerichte activiteiten of opvoedingsondersteuning.
De gemeenten geven aan positie te zijn in hun ervaringen: de motivatie
is hoger en men leert het Nederlands sneller.
Inburgeringsonderzoek, trajectbegeleiding, kinderopvang
Indien een inburgeringsonderzoek plaatst vindt wordt dit door het
ROC of een andere organisatie uitgevoerd. In het laatste geval is dit
vaak een andere afdeling van de gemeente of een andere organisatie. In
20% van de gemeenten is er geen trajectbegeleiding voor oudkomers.
Waar dit wel het geval is wordt dat in de helft van de gevallen
uitgevoerd door de Sociale Dienst. Darnaast wordt de begeleiding vaak
uitgevoerd door het ROC, reïntegratiebedrijven en, in enkele gevallen,
door andere afdelingen van de gemeente.
Gemeenten geven aan dat oudkomers vooral behoefte hebben aan
flexibele kinderopvang, een opvanglocatie dicht bij de lesplek en
tijden die aansluiten bij de lestijden. Dit strookt niet met het
aanbod. De gemeenten geven aan vooral plaatsen aan te bieden in
gesubsidieerde kinderdagverblijven. Opvallend is dat de kleinere
gemeenten relatief meer gebruik maken van informele vormen van
kinderopvang zoals opvang door moeders onderling en peuterspeelzalen
dan de grotere.
Informatiebehoefte en verzameling
Om het inburgeringsbeleid effectief vorm te geven en
uitvoeringsorganisaties aan te kunnen sturen moeten gemeenten over de
juiste informatie beschikken. Minder dan driekwart van de gemeenten
geeft aan dat zij een helder beeld hebben van de informatie die zij
nodig hebben voor de verantwoording. De helft van de gemeenten heeft
de gewenste informatie in het kader van de aansturing van de
inburgering en de beleidsvorming in kaart gebracht. Met
uitvoeringsorganisaties wordt door bijna alle gemeenten een systeem
van voortgangsrapportage afgesproken die vooral betrekking heeft op
het aantal deelnemers en de uitval en in mindere mate op het bereikte
NT2-niveau. Gelijktijdig geeft tweederde van de gemeenten aan dat de
uitvoeringsorganisaties onvoldoende in staat zijn de door de gemeente
gewenste informatie te leveren. Oorzaken zijn de beperkingen van het
informatiesysteem, onvoldoende registratie door de
uitvoeringsorganisatie of het niet tijdig beschikbaar zijn van de
informatie. Gemeenten geven aan dat ook op gemeentelijke niveau
problemen voorkomen doordat gegevens wel op individueel, maar niet op
geaggregeerd niveau beschikbaar zijn.
terug
naar boven
4.3. Wachtlijsten NT2
Inleiding
Naar aanleiding van de motie Melkert van 20 april 2000, waarin werd
aangedrongen op het wegwerken van de wachtlijsten NT2 voor oudkomers,
is een onderzoek gestart naar de omvang en samenstelling van deze
wachtlijsten. In het kader van het monitoren van de voortgang van het
wegwerken van deze wachtlijst zijn op vier data, te weten 1 juli 2000,
1 december 2000, 15 februari 2001 en 1 mei 2001 metingen verricht bij
de 42 ROC’s die NT2 verzorgen. Naar aanleiding van de aanwijzing van
het oudkomersbeleid tot Groot Project is besloten dit onderzoek twee
keer per jaar te continueren. De data 1 december en 1 mei zijn gekozen
om vergelijking met de metingen in vorige jaren te kunnen maken. Het
karakter van dit onderzoek verschilt met de twee hierboven genoemde
(monitor oudkomers en State of the Art-vragenlijst), in die zin dat
het onderzoek naar de wachtlijsten NT2 wordt uitgevoerd bij de ROC’s
en niet bij de gemeenten. De wachtlijst bij de ROC’s kan ruimer zijn
dan die van een gemeente (voor zover gemeenten een wachtlijst
bijhouden) omdat personen die zichzèlf bij een ROC melden voor een
cursus NT2 op de wachtlijst kunnen worden gezet zonder dat de gemeente
hiervan in kennis wordt gesteld. De TI heeft afspraken gemaakt met de
VNG en Bve Raad over de wijze waarop de gemeenten zich, in hun
regierol, verantwoordelijk kunnen gaan voelen voor de wachtlijst. Via
het informatiemodel inburgering dat de TI momenteel ontwikkelt, in
opdracht van de bij inburgering betrokken departementen, zullen
gemeenten in de toekomst de wachtlijsten gaan monitoren. Totdat dit is
gerealiseerd lijkt het onderzoek bij ROC’s de beste mogelijkheid om
zicht te hebben èn te houden op het verloop van de wachtlijsten NT2.
Naar aanleiding van het wachtlijstonderzoek zijn door de Bve Raad,
de VNG en de TI in juni 2001 afspraken gemaakt over hoe zou worden
omgegaan met de registratie van de wachtenden. Dit bleek noodzakelijk
omdat de afspraken over wie wanneer op een wachtlijst komt sterk
verschilden. Ook de termijnen van opschoning kwamen niet overeen.
Hierdoor was het lastig een zuiver beeld van de omvang van de totale
wachtlijst te verkrijgen.
Resultaten vorige meting
Vanaf de eerste meting op 1 juli 2000 is een gestage afname geweest
van het aantal personen dat op de wachtlijst van een van de ROC’s
stond. Van de 10.202 personen die op 1 juli 2000 op de wachtlijst
stonden, waren er op 1 mei 2001 nog 584 over en op 1 december 2001 nog
207. Ook ten aanzien van de personen die op een van de volgende
metingen als nieuwe wachtenden werden geregistreerd kon worden
geconcludeerd dat zij sneller van de wachtlijst verdwenen en de
wachttijd structureel verminderde in het afgelopen jaar. De extra
aandacht voor het wegwerken van de wachtlijsten is dus succesvol
geweest.
Belangrijkste uitkomsten meting 1 mei 2002
Omvang wachtlijst
De omvang van de wachtlijsten is aan de hand van twee definities
gemeten: het aantal personen dat minimaal twee maanden òf vier maanden
op de wachtlijst staat. Oorspronkelijk werd uitgegaan van de twee
maanden termijn. De VNG, de Bve Raad en de Taskforce Inburgering
hebben in juni 2001 gezamenlijk de aanbeveling gedaan pas te spreken
van een wachtlijst na vier maanden. Hiermee wordt aangesloten bij de
wettelijke termijn waarbinnen nieuwkomers een aanbod moeten krijgen.
Belangrijkste uitkomst van de meting van 1 mei 2002 is dat, bij het
hanteren van de twee maanden termijn, het aantal wachtenden het
afgelopen half jaar gestegen is met 1.917 van 6.856 op 1 december 2001
tot 8.773 op 1 mei 2002 . Het toepassen van de vier maanden termijn
heeft een groot effect: de wachtlijst neemt af met ruim 2300 personen
(27%). Hetzelfde effect trad op in de meting van 1 december 2001.
Hieruit kan worden geconcludeerd dat rond de 25% betrekkelijk kort op
de wachtlijst staat. Overigens ligt dit percentage verschillend bij de
ROC’s. In de vier grote steden, met uitzondering van Den Haag, en in
Nijmegen en Ede en omstreken staat een grote groep relatief lang op de
wachtlijst.
Het grootste deel van de wachtlijsten wordt aangetroffen in de G4
(77% van de totale wachtlijst). In drie van de G4 is het aantal
wachtenden bij de ROC’s gegroeid in vergelijking met de vorige meting
op 1 december 2001. In Rotterdam is het aantal toegenomen met 1316
personen, in Amsterdam met 174 en in Den Haag met 72. In Utrecht is
het aantal personen juist gedaald met 201. Omdat ook op een aantal
middelgrote ROC’s de procentuele toename soms groot is blijft het
percentage wachtenden in de G4 echter nagenoeg gelijk aan dat van de
vorige meting (76%) op 1 december 2001. Een procentueel grote toename
is geconstateerd op de ROC’s met een hoofdvestiging in Alkmaar, Breda,
Den Bosch, Helmond, Hengelo, Maastricht en Venlo. De ROC’s geven een
aantal redenen voor die stijging. Nieuw is dat wordt aangegeven dat
gemeenten wervende activiteiten ontplooien waardoor de toeloop groter
wordt en dat het aanscherpen van het beleid aangaande werkzoekenden
effect heeft: de bemiddeling van de consulenten van
reïntegratiebedrijven brengt de leervraag duidelijker in beeld die een
grotere diversiteit van programma’s aan de kant van de ROC’s
noodzakelijk maakt.
Als het aantal aanmeldingen toeneemt en de vraag naar diversiteit
groter wordt is het zaak dat ROC’s hierop, in overleg met betrokken
gemeenten, hun aanbod afstemmen.
Uit het onderzoek blijkt dat van de oorspronkelijke wachtlijst van
1 juli 2000 nog 109 personen staan ingeschreven bij een ROC.
Dynamiek en doorstroom van de wachtlijst
Wat betreft de dynamiek van en de doorstroming op de wachtlijsten
wordt geconstateerd dat de doorstroming stagneert: er worden meer
personen op de wachtlijst geplaatst en gaan minder mensen af dan in de
vorige perioden. Gelijktijdig kan worden geconstateerd dat er
significante verschillen zijn tussen personen die korter dan een jaar
op de wachtlijst staan en de groep die langer moet wachten. De
"restgroep" uit de eerste meting (1 mei 2000) bestond uit voornamelijk
laaggeschoolde Turkse en Marokkaanse vrouwen tussen de 30 en 50 jaar.
Een vergelijking met de "restgroepen" uit de volgende metingen maakt
duidelijk dat deze, hoe langer de wachttijd is, steeds meer
overeenkomsten heeft met de oorspronkelijke "restgroep". Blijkbaar
slagen de ROC’s er niet in hun aanbod aan te passen aan de
(leer)wensen van deze groep.
Nieuw in dit onderzoek is dat er gekeken is of diegenen die van de
wachtlijst verdwijnen of stoppen tijdens het volgen van een cursus na
enige tijd opnieuw op de wachtlijst staan (het zogenaamde
draaideureffect). Op basis van het onderzoeksmateriaal kan worden
geconcludeerd dat dit een groep van bescheiden omvang betreft (enkele
honderden). Definitieve uitspraken kunnen echter pas na meerdere jaren
worden gedaan.
De kenmerken van personen op de wachtlijst
In de achtergrondkenmerken van de wachtenden treden nagenoeg geen
verschuivingen op. Van alle wachtenden is 44% afkomstig uit de
traditionele migrantengroepen, Marokkanen, Turken, Surinamers en
Antillianen/Arubanen. In verhouding verblijven ze langer in Nederland.
Net als in de vorige metingen is iets meer dan de helft ouder dan 30
jaar. 28% heeft ten hoogste de basisschool doorlopen (tegen 26,5% op 1
december), 37% heeft tot twee jaar vervolgonderwijs (tegen 32,2% op 1
december). Daar staat tegenover dat 15% een HBO- of WO- niveau heeft
behaald in het land van herkomst (tegen 5,3% op 1 december). Uit deze
gegevens lijkt de scheiding tussen niet- c.q. laagopgeleiden en
hoogopgeleiden groter wordt.
Wachtlijstbeheer en beleid
In het onderzoek is ook opnieuw gekeken naar het effect van de
afspraken die de VNG, Bve Raad en TI hebben gemaakt over het
wachtlijstbeleid en –beheer. Hieruit blijkt dat de meerderheid van de
ROC’s een persoon toch na twee i.p.v. vier maanden op de wachtlijst
plaatst. Het hanteren van een termijn van vier maanden zou een
reductie van 27% geven. De onderzoekers constateren verder dat er in
de praktijk nog veel discussie is tussen gemeenten en ROC waardoor de
afspraken op veel plaatsen nog niet zijn doorgevoerd. De TI zal waar
sprake is van een stijging van de wachtlijsten in de komende maanden
actie ondernemen bij die gemeenten en ROC’s.
5. Stand van zaken
specifieke thema’s
In de volgende paragrafen wordt u op de hoogte gebracht van de
ontwikkelingen rond "duale trajecten"en "uitval".
terug
naar boven
5.1. Duale trajecten
Inleiding
Het ontwikkelen en opzetten van duale trajecten staat volop in de
belangstelling. Dit blijkt onder meer uit de State of the Art die in
de 42 gemeenten wederom in mei is geactualiseerd en waaruit blijkt dat
in de meeste gemeenten van de G42 één of meerdere vormen van duale
trajecten worden opgezet en uitgevoerd. De Taskforce Inburgering gaat
onverminderd voort om, in samenwerking met de verschillende
departementen, het opzetten en uitvoeren van dergelijke trajecten te
stimuleren.
Ontwikkeltraject Duale trajecten
Zoals in de eerste rapportage is aangegeven, zijn 10 gemeenten en 1
ROC die deelnemen aan het ontwikkeltraject, de afgelopen maanden bezig
geweest om duale trajecten te ontwikkelen en op te zetten. Voor een
nadere beschrijving per gemeente wordt verwezen naar de bijlage van de
eerste rapportage. Naast het stimuleren van duale trajecten is een
andere doelstelling gericht op het inzicht verkrijgen in de knelpunten
die bij het opzetten van duale trajecten naar boven komen en de
mogelijke oplossingsrichtingen die hiervoor gekozen kunnen worden.
De deelnemende gemeenten aan het ontwikkeltraject Duale trajecten
gaan, naar verwachting na de zomer, starten met de duale trajecten
zoals deze zijn ontwikkeld in het ontwikkeltraject. Daarnaast heeft
deelname aan het ontwikkeltraject de gemeenten gestimuleerd om
meerdere trajecten te ontwikkelen. Veelal blijkt dat zij alle vier de
onderscheiden vormen van duale trajecten, te weten werk,
beroepsopleiding, opvoedingsondersteuning en sociale activering op
termijn willen gaan ontwikkelen.
Om andere gemeenten te ondersteunen in het proces is een brochure
in samenwerking met de departementen BZK, SZW, VWS en OCW, gemaakt
waarin de verschillende fasen in het opzetten en uitvoeren van duale
trajecten met werk worden aangegeven. Daarnaast wordt een groot deel
van de brochure gewijd aan de financiering van duale trajecten met
werk. Uit de praktijk blijkt namelijk dat veel gemeenten het overzicht
missen van welke financieringsstromen er (ten dele) ingezet kunnen
worden om duale trajecten te bekostigen. De brochure verschijnt eind
juni.
Andere duale trajecten
Naast de deelnemende gemeenten aan het ontwikkeltraject zijn er
verschillende andere initiatieven die ook een bijdrage leveren aan het
stimuleren van duale trajecten. Zo is de campagne van het ITTA
(Instituut Taalonderzoek en Taalonderwijs aan Anderstaligen) , het
TPG-project en de overige duale trajecten die worden uitgevoerd in het
kader van het Raamconvenant Grote Ondernemingen. Een uitvoerige
beschrijving van deze projecten is opgenomen in Bijlage B van de
eerste voortgangsrapportage van maart 2002 (Tweede Kamer, 2001-2002,
27 083, nr. 22)
Hieronder volgt een korte toelichting op de recente ontwikkelingen
binnen deze projecten.
ITTA
De campagne "Nieuwe kansen voor anderstaligen en
beroepsopleidingen" is in 2001 op ongeveer de helft van de ROC’s van
start gegaan. Een groot deel van de overige ROC’s heeft te kennen
gegeven in 2002 te willen gaan participeren. Om de campagne voort te
zetten èn uit te breiden heeft het Ministerie van BZK ook in 2002
hiervoor een bijdrage beschikbaar gesteld. In de eerste
voortgangsrapportage (Tweede Kamer, 2001-2002, 27 083, nr. 22) bent u
reeds op de hoogte gesteld van de opzet van deze campagne. Toen is ook
aangegeven dat de resultaten van deze werkwijze zouden worden
onderzocht via de monitor duale trajecten. In de voortgangsrapportage
die u dit jaar, vóór het kerstreces, ontvangt wordt u geïnformeerd
over de stand van zaken rond de campagne. Hieronder wordt u op de
hoogte gesteld van de resultaten uit de monitor duale trajecten en het
onderzoek waarin deelnemers die een "ITTA-programma" volgen worden
vergeleken met hen die een klassiek NT2-traject volgen (de zogenaamde
controlegroep).
Monitor duale trajecten
De door het ministerie van BZK en de Taskforce Inburgering
ontwikkelde monitor duale trajecten wordt uitgevoerd door Regioplan.
Het aantal deelnemers dat via de monitor wordt gevolgd is inmiddels
verruimd van 346 (oktober 2001) tot 442 (januari 2002) en is voor het
merendeel ingestroomd vanaf de zomer van 2001. Het aantal trajecten is
verhoogd van 25 tot 30. Er zijn trajecten in de sectoren Techniek
(46%), Economie en Administratie (39%) en Zorg (15%). Er nemen meer
mannen dan vrouwen deel. De deelnemers zijn jong en afkomstig, naast
de traditionele migratielanden, uit een groot aantal landen. Ze zijn
laagopgeleid met een beginniveau van ten hoogste NT2-niveau 2 ,
hetgeen goed overeenkomt met de beoogde doelgroep. De uitval bij de
tweede meting in januari is 10%, met als redenen persoonlijke factoren
en de keus voor een ander opleidingstraject. Door de nog korte loop
van het traject heeft slechts 5% van de deelnemers het traject met
succes afgerond. De meesten zijn doorgestroomd in een volgend
opleidingstraject.
Vergelijking ontwikkeling taalvaardigheid in het Nederlands tussen
de deelnemers aan duale trajecten en deelnemers aan ‘klassieke’
NT2-trajecten
Er kon slechts een vergelijking worden gemaakt tussen een klein
aantal deelnemers door de onvolledige gegevensregistratie bij de ROC’s,
een gebrek aan deelnemers en uitval van deelnemers uit de
controlegroep. Uit de toetsresultaten bleek dat de meeste deelnemers
van beide groepen progressie hebben geboekt maar de vakdocenten
concludeerden dat de deelnemers aan de duale trajecten betere
resultaten behaalden op de beroepstoetsen dat deelnemers aan reguliere
beroepsopleidingen. Volgens de docenten is de uitval uit duale
trajecten veel lager dat bij de reguliere KSB 1 en 2 trajecten.
Op basis van de vergelijking van dit geringe aantal deelnemers is
het echter te voorbarig om de vraag of de taalvaardigheid door duale
trajecten sneller toeneemt bevestigend te beantwoorden.
In oktober a.s. wordt een volgende meting gedaan. Daarbij wordt
niet meer gestreefd naar het matchen van individuele deelnemers maar
dan zal worden gekeken maar de vooruitgang van de taalvaardigheid van
een dwarsdoorsnede van de ‘duale’ en ‘klassieke’ groepen. Wanneer dit
betrouwbare informatie oplevert zal met meer zekerheid een uitspraak
kunnen worden gedaan op de vraag of een duaal traject leidt tot een
snellere progressie van taalvaardigheid.
Raamconvenant Grote Ondernemingen (RGO)
In het kader van het RGO hebben de ministers van SZW en voor GSI op
27 maart jl. met de laatste tranche van 23 grote ondernemingen
convenanten afgesloten aangaande het voeren van multicultureel
personeelsbeleid en de in- en doorstroom van etnische minderheden.
Hiermee is het totaal aantal deelnemende ondernemingen op 110
gebracht. Inmiddels zijn met 40 ondernemingen afspraken gemaakt over
duale trajecten voor zowel hoog als lager opgeleide nieuwkomers en/of
oudkomers. Middels deze duale trajecten wordt werken gecombineerd met
het leren van de Nederlandse taal, al dan niet aangevuld met een
(beroeps)opleiding. De betreffende ondernemingen maken deel uit van
verschillende branches, waaronder de logistiek, het onderwijs en de
dienstverlening, en zijn gevestigd in verscheidene gemeenten.
TPG-Post vervult bij de ontwikkeling en de uitvoering van duale
trajecten in het kader van het RGO een voortrekkersfunctie. TPG-Post
is het eerste bedrijf dat met een dergelijk project van start is
gegaan. In navolging van het project in Rotterdam heeft de eerste
groep deelnemers in Amsterdam het project Inhouse Inburgering met
succes afgerond. Aan hen is door TPG-Post een contract voor onbepaalde
tijd aangeboden. In Schiedam is inmiddels een tweede groep deelnemers
met het project Inhouse Inburgering gestart.
Ook bij EMI CD, een productiebedrijf van compact disks te Uden, is
sprake van een succesvol duaal traject. Het afgelopen jaar zijn circa
15 deelnemers ingestroomd. De deelnemers worden begeleid door een
jobcoach. Voor het volgen van de NT2-lessen kan bijzonder verlof
worden verkregen. EMI CD heeft tevens voorzien in de mogelijkheid tot
doorstroom van de deelnemers. Deze kandidaten krijgen 6 maanden
algemeen Nederlands, gevolgd door Nederlands op de werkvloer, een door
EMI CD in samenwerking met het ROC op het werk toegesneden
taalprogramma.
De ervaring leert dat een succesvol duaal traject niet een, twee,
drie tot stand komt. In de praktijk blijkt een aantal
uitvoeringsproblemen hardnekkig te zijn. Zo vormt de werving van
kandidaten nogal eens een serieuze belemmering om het project een
succesvol vervolg te geven. Diverse gemeenten hebben grote moeite om
potentiële deelnemers in kaart te brengen. Vraaggericht werken en het
toepassen van maatwerk is noodzakelijk voor het vormgeven van een
duaal traject en vereist een omslag in het denken en het doen van
gemeenten. Een omslag die niet van de ene op de andere dag
gerealiseerd is. Door een intensieve inzet van alle betrokken
partijen, door het uitwisselen van ervaringen en door het hanteren van
een methodiek aan de hand waarvan het project stapsgewijs kan worden
voorbereid en uitgevoerd, is het evenwel mogelijk de knelpunten het
hoofd te bieden.
Ontwikkelingen in andere sectoren
Tot slot is in de afgelopen maanden een start gemaakt met het
zogenoemde zorgtraject. Hiertoe is het initiatief genomen door Arcares,
de werkgeversorganisatie van de verpleging- en verzorgingshuizen (V&V-sector),
in overleg met het sectorfonds Zorg en Welzijn. In samenspraak met de
Taskforce-Inburgering wordt de komende periode getracht om duale
trajecten op te starten in de zogenoemde V&V-sector. Het gaat hierbij
om duale trajecten met zorg- en niet-zorgfuncties. Hiertoe zijn in
eerste instantie vier zorgregio’s geïdentificeerd en daarbinnen is een
zestal gemeenten benaderd. Op 25 april jl. heeft een eerste
informatieve bijeenkomst plaatsgevonden. In de komende periode wordt
onderzocht of alle partijen gezamenlijk duale trajecten in deze sector
op willen gaan zetten. Dit project loopt nog door tot in 2003.
Tevens kan worden gemeld dat momenteel gesprekken plaats vinden
tussen de brancheorganisatie schoonmaak en het opleidingsinstituut van
de schoonmaakbranche over het opstarten van duale trajecten in deze
sector.
De ervaringen die zijn en worden opgedaan met het opzetten en
uitvoeren van duale trajecten vormen de input voor een algemene
methodiek, die wordt ontwikkeld door de Taskforce Inburgering in
samenwerking met de betrokken departementen. Deze methodiek wordt in
het najaar van dit jaar in digitale vorm uitgebracht (de zogenaamde
Digitale Werkwijzer Duale trajecten). In deze werkwijzer wordt aan de
hand van de vijf fasen van planmatig werken de verschillende
onderdelen beschreven voor het opzetten en uitvoeren van duale
trajecten. Deze zal naar de vier vormen van duale trajecten worden
uitgesplitst. Primair is de digitale werkwijzer bedoeld ter
ondersteuning van gemeenten, taalaanbieders en werkgevers bij hun
ontwikkel- en uitvoeringsproces met betrekking tot duale trajecten.
terug
naar boven
5.2. Uitval
In het kader van het ontwikkeltraject Vraag en Aanbod, Uitval- en
Sanctiebeleid is onderzoek uitgevoerd naar de specifieke redenen van
uitval. In dit onderzoek zijn in 3 gemeenten interviews gehouden met
een groep uitvallers, een groep inburgeraars die een cursus volgen
(‘blijvers’) en de lokaal betrokken deskundigen (vertegenwoordigers
van de gemeenten, ROC’s en met trajectbegeleiders), zodat meer inzicht
wordt verkregen in de specifieke redenen van uitval.
De belangrijkste uitkomsten van dit onderzoek zijn:
- De betrokken inburgeraars, de blijvers én de uitvallers, geven
blijk van een sterke motivatie om in te burgeren. Ze geven aan zich
te realiseren dat een goede beheersing van de Nederlandse taal, het
volgen van een opleiding en het hebben van werk van groot belang is
voor hun participatie en integratie in de samenleving. De redenen
voor uitval liggen met name in de sfeer van het niet kunnen
combineren van het inburgeringstraject met de zorg voor kinderen of
het hebben van werk. Daarnaast geven uitvallers aan niet op een
passend niveau onderwijs te hebben genoten (te moeilijk of te
makkelijk) dan wel persoonlijke problemen te ondervinden. Uitval
lijkt niet permanent te zijn. Driekwart van de uitvallers wenst weer
te starten met een cursus als de problemen kunnen worden opgelost
t.a.v. kinderopvang en de combinatie van werk en een volgen van een
cursus .
- Sancties worden door zowel de betrokken deskundigen als de
inburgeraars als ondersteunend ervaren, in nauwe samenhang met het
aanbieden van kinderopvang, combinaties van werk en inburgering en
passend aanbod. Met name onder de inburgeraars die een cursus volgen
(de blijvers) spreekt een substantiële groep zich uit voor het
consequent toepassen van sancties, waarbij maatregelen worden
genoemd als het inhouden van een partnerborg en het opleggen c.q.
inhouden van een boete per verzuimde les.
- Ten aanzien van incentives geven de geïnterviewde inburgeraars
aan met name behoefte te hebben aan een intensievere, doelgerichte
begeleiding en het afronden van het inburgeringstraject met een
betekenisvol diploma. Incidentele maatregelen als een financiële
beloning kunnen hierbij ondersteunen. De betrokken deskundigen
concluderen dat aan deze behoefte in de huidige inburgeringspraktijk
vaak onvoldoende kan worden voldaan, ondermeer vanwege de zware
administratieve belasting van trajectbegeleiders.
De uitkomsten van het onderzoek zullen worden verwerkt in de set
instrumenten om uitval te voorkomen, welke in september beschikbaar
zal worden gesteld aan gemeenten en uitvoerders van
inburgeringstrajecten. Hierin is ook aandacht voor de wijze waarop
verzuim en uitval in beeld kan worden gebracht. In dit kader werkt de
Taskforce ook samen met de VNG en de Bve Raad aan een brief met
aanbevelingen aan gemeenten en ROC’s om te komen tot een doeltreffend
verzuim- en uitvalbeleid.
terug
naar boven
5.3. Onderzoek
cursusbehoefte oudkomers
Daarnaast is in het kader van dit ontwikkeltraject een landelijk
instrument om meer inzicht te krijgen in de inburgeringsbehoefte onder
oudkomers toegesneden op de gemeentelijke praktijk en uitgetest onder
4 verschillende groepen oudkomers:Turkse en Marokkaanse opvoeders,
opvoeders uit de vluchtelingenpopulatie, werkloze Turkse en
Marokkaanse oudkomers en werkloze vluchtelingen.
Dit onderzoek maakt deel uit van een vraaganalyse instrument dat in
het ontwikkeltraject is ontwikkeld om gemeenten te faciliteren meer
vraaggericht te werken, waardoor het aanbod beter kan aansluiten bij
de vraag. Dit leidt naar verwachting tot betere resultaten in de
inburgeringstrajecten en minder uitval.
Met behulp van het onderzoek kunnen gemeenten van groepen oudkomers
in beeld krijgen op welke inhoudelijke domeinen een cursus in het
kader van een inburgeringstraject kan worden ingericht, welke
organisatorische randvoorwaarden nodig zijn en wat functionele
wervingskanalen zijn.
Het instrument is op de gemeentelijke praktijk toegesneden, direct
inzetbaar en voorzien van een praktische handleiding.
Uit het onderzoek in de 4 gemeenten blijkt dat de
inburgeringsbehoefte van de 4 groepen oudkomers op wezenlijke
onderdelen verschilt, zowel op inhoudelijke domeinen als op de
organisatorische randvoorwaarden. Op basis hiervan kunnen gemeenten
klantgroepen onderscheiden en kunnen zij gerichter inkopen. Om
individueel maatwerk te leveren blijft een individuele intake nodig.
Zo hebben bijvoorbeeld Turkse en Marokkaanse opvoeders in de
betrokken gemeenten vooral belangstelling voor taalonderwijs dat is
gericht op onderwijs voor de kinderen, gezondheid en opvoeding. Zij
hebben voorkeur voor een leslocatie in de buurt (buurthuis). Opvoeders
uit de vluchtelingenpopulatie hebben naast opvoedingsgerelateerde
onderwerpen ook behoefte om middels studie de eigen positie te
verbeteren en volgen bij voorkeur op het ROC les. Binnen de groep
vluchtelingen opvoeders heeft meer dan 90% kinderopvang nodig, voor de
andere groep opvoeders is dat bijna 60%, waarbij deze groep een
grotere voorkeur heeft voor informele vormen van kinderopvang,
waarschijnlijk vanwege het feit dat ze over een groter –familie
netwerk beschikken.
Afhankelijk van de lokale situatie in andere gemeenten is het
nuttig om zelf onderzoek uit te voeren naar de inburgeringsbehoefte
onder groepen oudkomers, dan wel de uitkomsten van dit onderzoek toe
te snijden naar de lokale situatie. Ook het vraaganalyse instrument
komt in september beschikbaar.
terug
naar boven
6. Activiteiten
Taskforce Inburgering
De werkzaamheden van de Taskforce Inburgering worden eind van dit
jaar afgerond. De tweede helft van 2002 wordt daarom gebruikt om de
opgedane ervaringen breed te verspreiden. De oorspronkelijke opdracht
van de Taskforce bestond uit drie delen: 1. het wegwerken van de
wachtlijsten NT2 oudkomers (afgerond in de zomer van 2001); 2. het
verbeteren van de uitvoering van de inburgering en 3. het verbeteren
van de informatievoorziening.
De kern van de aanpak van deelopdracht 2 en 3 wordt gevormd door de
instelling van regionale taskforces (spoor 1) en de
regio-overstijgende ontwikkeltrajecten (spoor 2). Professionalisering
heeft een belangrijke rol in de ondersteuning van het proces dat moet
leiden tot de verbetering van de uitvoering van de inburgering.
Deelopdracht 2: het verbeteren van de uitvoering van het
inburgeringsproces
Spoor 1: Ondersteuning Regionale en Lokale Taksforces Inburgering
Tot eind 2002 zullen de RTI’s/LTI’s, met ondersteuning van de
account manager, de afgesproken verbeteracties realiseren. Daarbij
zullen de in de ontwikkeltrajecten ontwikkelde oplossingen voor
knelpunten een belangrijke rol spelen. Extra aandacht zal worden
besteed aan de speerpunten: vermindering uitval, wegwerken
wachtlijsten; uitbreiding aantal duale trajecten en verbetering
regievoering door gemeenten.
In de periode van 1 november (oorspronkelijke datum was 1 oktober)
tot en met 31 december zal het accent liggen op de afronding van de
ondersteuning en overdracht van het verbeterproces aan de staande
organisatie. In de komende maanden wordt de overdracht van TI-taken
besproken.
In de reeks "Sleutels tot Inburgering" is in juni 2000 de brochure
"Inburgering in Perspectief" verschenen. Hierin wordt de visie op het
inburgeringsproces beschreven die de Taskforce samen met gemeenten
heeft ontwikkeld. De brochure gaat ook in op maatregelen die de
gemeenten kan treffen om betere inburgeringsresultaten te bereiken. De
brochure is toegevoegd als Bijlage B.
Spoor 2: ontwikkeltrajecten
De Taskforce Inburgering voert in het kader van de verbetering van
het inburgeringsproces een aantal zogenaamde ontwikkeltrajecten uit.
In of net na de zomer 2002 worden de ontwikkeltrajecten afgerond. Voor
zover nuttig zijn de ervaringen, opgedaan in de verschillende
ontwikkeltrajecten, afgestemd met de andere ontwikkeltrajecten. Voor
een overzicht van de stand van zaken van de 10 ontwikkeltrajecten, de
planning en producten verwijs ik u naar bijlage A.
De komende periode is het van belang de ervaringen een brede
verspreiding te geven. Daarom worden de uitkomsten van de
ontwikkeltrajecten opgenomen in een reeks thematische brochures, de
zogenaamde "sleutels tot inburgering". De ontwikkelde instrumenten en
handreikingen worden geplaatst op de databank inburgering (www.databank.taskforce-inburgering.nl
. Op deze wijze is de opgedane kennis en nieuwe inzichten algemeen
toegankelijk. Voorbeelden hiervan zijn een kostprijsmodel voor de
inkoop van inburgeringsprogramma’s en een digitaal te raadplegen
werkwijzer voor de opzet van een duaal project. De implementatie van
de verbeteragenda’s in de afzonderlijke G42-gemeenten wordt
ondersteund met de kennis en ervaring van de ontwikkeltrajecten. De
overige gemeenten die niet tot het verband van de G42 behoren worden
door middel van regionale conferenties geïnformeerd over de uitkomsten
van de ontwikkeltrajecten.
Spoor 3: Professionalisering en communicatie
Om het verbeterproces in de G42 en de overige gemeenten te
ondersteunen wordt gebruik gemaakt van verschillende
communicatiekanalen en professionaliseringsactiviteiten. Naast de
maandelijkse Nieuwsbrief Inburgering en een actuele website worden
regelmatig brochures in de reeks "Sleutels tot Inburgering’
uitgebracht. Inmiddels zijn vijf brochures verschenen. Verder is het
vullen van de databank een continu proces vanuit alle
ontwikkeltrajecten. De databank inburgering heeft ten doel om alle
kennis, die binnen de tijdelijke projectorganisatie wordt opgebouwd,
te bewaren en te ontsluiten voor de uitvoerders van inburgering. De
databank bevat good practises, instrumenten en publicaties.
Ook bevat de databank inhoudelijke informatie over de G42 en de 10
ontwikkeltrajecten. Uitvoerders kunnen deze informatie betrekken bij
de uitvoering van de inburgering. Zowel met het Kenniscentrum Grote
Steden als met de portalsite Inburgernet is een verbinding tot stand
gebracht. Met een elektronische brief wordt de doelgroep gewezen op
recente ontwikkelingen.
Tevens zal via deze databank de digitale werkwijzer Duale trajecten
te benaderen zijn, welke met name in de zomer van 2002 zal worden
gebouwd. In de digitale werkwijzer zal zoveel mogelijk expertise en
informatie rond duale trajecten worden opgeslagen en de opzet van
duale trajecten binnen gemeenten worden gestimuleerd.
De ondersteuning van het verbeterproces in de G42 is een continue
proces. Naast de ondersteuning door accountmanagers van de Taskforce
speelt daarbij een regelmatige stroom aan communicatieproducten een
belangrijke rol. In de periode september – december 2002 wordt de
implementatie van de verbeteringen binnen de afzonderlijke
G42-gemeenten ondersteund met op maat georganiseerde activiteiten.
Daarbij wordt de kennis vanuit de tien ontwikkeltrajecten ingezet.
Verder wordt voor alle deelnemende gemeenten in de ontwikkeltrajecten
eind september de overdracht van de kennis en ervaring georganiseerd.
Dit is tevens het startmoment voor de overige
professionaliseringsactiviteiten.
Voor de overige gemeenten en uitvoerders die geen directe
ondersteuning vanuit de Taskforce Inburgering hebben worden in oktober
en november acht regionale bijeenkomsten georganiseerd. De uitvoerders
van inburgering kunnen kennis nemen van de vernieuwde kijk op de visie
en uitvoering van inburgering op decentraal niveau. Daarnaast worden
ze aangemoedigd zelf het verbeterproces lokaal of in onderlinge
samenwerking ter hand te nemen.
In de uitvoering van inburgering spelen trajectbegeleiders een
cruciale rol. Op een landelijke bijeenkomst op 26 september,
georganiseerd door Forum, het ministerie van VWS, VluchtelingenWerk
Nederland en de Taskforce Inburgering, worden de trajectbegeleiders
geïnformeerd over vernieuwende inzichten, methoden en technieken en
wordt een landelijke beroepsvereniging opgericht.
De activiteiten van de TI worden afgesloten met een landelijke
slotconferentie op 4 december 2002. Deze conferentie vormt het formele
moment van beëindiging van de werkzaamheden van de Taskforce
Inburgering en zal tegelijkertijd een impuls moeten geven aan de
voortgang van het verbeterings- en vernieuwingsproces.
7. Rapportage AD
Ten behoeve van een adequate informatievoorziening aan de Tweede
Kamer is op het ministerie van BZK een projectorganisatie ingericht.
Het opgestelde projectplan is inmiddels beoordeeld door de AD van het
ministerie van BZK. De rapportage hiervan wordt u gelijktijdig met
deze voortgangsrapportage toegezonden.
DE MINISTER VOOR GROTE STEDEN- EN INTEGRATIEBELEID, R.H.L.M. van
Boxtel
Verder naar: Bijlage A: Overzicht
stand van zaken 10 ontwikkeltrajecten Taskforce Inburgering (juni
2002)
Download dit document:
Brief tweede
voortgangsrapportage
(MS Word 171kb.)
terug
naar boven |