|

Regeling oudkomers
Directie Coördinatie Integratiebeleid Minderheden
Nr. CIM2002/85189
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
Besluit: Den Haag, 11 september 2002
Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie;
b. gemeentebestuur: het college van burgemeesters en wethouders van
een gemeente waaraan geen bijdrage krachtens de Bijdrageregeling
sociale integratie en veiligheid G25, de Bijdrageregeling inburgering
oudkomers of de Bijdrageregeling inburgering oudkomers 12 gemeenten is
verstrekt;
c. samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband als bedoeld in
artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, waaraan
gemeentebesturen de bevoegdheden en verplichtingen die hen op grond
van deze regeling toekomen hebben overgedragen;
d. oudkomers: leden van etnische minderheidsgroepen van 18 jaar of
ouder, die buiten Nederland zijn geboren, al voor langere tijd legaal
in Nederland verblijven anders dan voor een tijdelijk doel en niet
verplicht zijn om op grond van de Wet inburgering nieuwkomers een
inburgeringsprogramma te volgen;
e. duaal traject: een inburgeringsprogramma dat in het teken staat
van het doel dat de oudkomer wenst te bereiken en waarbij het
onderdeel Nederlands als tweede taal wordt gekoppeld aan onderdelen
voor het bereiken van werk, toegang tot beroepsonderwijs,
opvoedingsondersteuning of sociale activering;
f. prognose: het aantal oudkomers dat naar de verwachting van het
gemeentebestuur een duaal traject zal worden aangeboden in de periode
van de datum waarop de bijdrage wordt verleend tot en met juni 2005;
g. monitor: het door de minister vastgestelde model-document aan de
hand waarvan het gemeentebestuur de minister informatie verschaft over
het gemeentelijk beleid ter verbetering van de inburgering van
oudkomers en aan de hand waarvan de hoogte van de bijdrage wordt
vastgesteld als bedoeld in artikel 12.
Hoofdstuk 2. Doel en verlenen van de bijdrage
Artikel 2
Doel van de regeling is te bevorderen dat gemeenten duale
trajecten aanbieden aan oudkomers die in een maatschappelijke
achterstandssituatie verkeren en behoren tot de groep werklozen,
opvoeders of geestelijke bedienaren.
Artikel 3
1. De minister verleent het gemeentebestuur een bijdrage voor het
tot en met juni 2005 aanbieden van duale trajecten aan oudkomers
indien het gemeentebestuur bij de minister een aanvraag indient en de
minister deze aanvraag goedkeurt.
2. Indien het gemeentebestuur uiterlijk 25 oktober 2002 een
aanvraag als bedoeld in het eerste lid indient, verleent de minister
het gemeentebestuur uiterlijk 15 december 2002 een bijdrage als
bedoeld in het eerste lid.
3. Onverminderd het tweede lid, kan de minister bepalen dat hij het
gemeentebestuur een bijdrage als bedoeld in het eerste lid zal
verlenen indien het gemeentebestuur uiterlijk op een door de minister
te bepalen datum een aanvraag als bedoeld in het eerste lid indient.
4. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid bevat in ieder geval
de prognose.
5. De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit een bijdrage
voor de vaste kosten en een bijdrage voor de variabele kosten.
Artikel 4
1. De minister verleent het gemeentebestuur de bijdrage als bedoeld in
het eerste lid bij wijze van een voorschot.
2. De hoogte van het voorschot is afhankelijk van de prognose.
Artikel 5
1. De hoogte van het voorschot voor de bijdrage voor de vaste
kosten bedraagt € 1.200 vermenigvuldigd met de prognose.
2. De hoogte van het voorschot, bedoeld in het eerste lid, bedraagt
ten hoogste € 48.000.
3. De hoogte van het voorschot, bedoeld in het eerste lid, bedraagt
ten minste € 12.000.
4. De hoogte van het voorschot voor de bijdrage voor de variabele
kosten bedraagt € 4.600 vermenigvuldigd met de prognose.
Artikel 6
Bij het verlenen van het voorschot bepaalt de minister op welke
wijze en op welk moment het voorschot wordt betaald.
Artikel 7
1. Het voorschot wordt verleend onder de voorwaarde dat het budget
toereikend is.
2. In het geval het budget niet toereikend is, baseert de minister
het voorschot op het aandeel van de prognose in het totaal van de
prognoses.
3. Indien zich de situatie, bedoeld in het tweede lid, voordoet,
wijzigt de minister de prognose bij het verlenen van het voorschot.
Hoofdstuk 3. Verplichtingen gemeentebestuur
Artikel 8
Het gemeentebestuur aan wie een voorschot als bedoeld in artikel 4
is verleend, sluit een overeenkomst met de oudkomer die start met een
duaal traject. In deze overeenkomst zijn in ieder geval opgenomen:
a. de onderdelen van het duale traject;
b. het aantal contacturen van het duale traject;
c. de verplichtingen van het gemeentebestuur;
d. de verplichtingen van de oudkomer;
e. de informatieoverdracht tussen het gemeentebestuur, de
instellingen betrokken bij het aanbieden van het duale traject en de
oudkomer over de voortgang van die oudkomer in het duale traject;
f. de gevolgen van het niet nakomen van de overeenkomst door de
oudkomer.
Artikel 9
1. Het gemeentebestuur aan wie een voorschot als bedoeld in
artikel 4 is verleend, draagt zorg dat de oudkomer met wie een
overeenkomst als bedoeld in artikel 8 is gesloten, een begintoets en
een eindtoets wordt afgenomen op grond waarvan het niveau Nederlands
als tweede taal van de oudkomer wordt vastgesteld.
2. Voor de begintoets en de eindtoets, bedoeld in het eerste lid,
wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de hierna volgende combinaties
van toetsen:
a. de Intaketoets NT2 als begintoets met de NT2-Profieltoets,
NT2-Cat of Itemdito als eindtoets; of
b. de Intaketoets Alfabetisering NT2 als begintoets met de
NT2-Profieltoets Alfabetisering als eindtoets.
3. De minister kan bepalen dat van andere toetsen dan de toetsen,
genoemd in het tweede lid, uitsluitend gebruik wordt gemaakt.
Artikel 10
1. Indien het gemeentebestuur een voorschot is verleend op grond
van een aanvraag als bedoel in artikel 3, tweede lid, verstrekt het
gemeentebestuur de minister de informatie en bescheiden over de
gegevens die in de monitor worden gevraagd, uiterlijk 1 oktober 2003
over de periode van de datum waarop het voorschot is verleend tot en
met juni 2003, uiterlijk 1 april 2004 over de periode juli 2003 tot en
met december 2003, uiterlijk 1 oktober 2004 over de periode januari
2004 tot en met juni 2004, uiterlijk 1 april 2005 over de periode juli
2004 tot en met december 2004 en uiterlijk 1 oktober 2005 over de
periode januari 2005 tot en met juni 2005.
2. Indien het gemeentebestuur een voorschot is verleend op grond
van een aanvraag als bedoeld in artikel 3, derde lid, bepaalt de
minister bij het verlenen van het voorschot wanneer en over welke
periode het gemeentebestuur de minister de informatie en bescheiden
verstrekt over de gegevens die in de monitor worden gevraagd.
3. De op grond van het eerste en tweede lid verstrekte informatie
en bescheiden zijn voorzien van een accountantsverklaring.
4. In de monitor worden in ieder geval de volgende
prestatiegegevens gevraagd:
a. het aantal oudkomers met wie een overeenkomst als bedoeld in
artikel 8, is gesloten;
b. het aantal oudkomers dat een duaal traject heeft afgerond;
c. het aantal oudkomers dat een duaal traject voortijdig heeft
beëindigd;
d. het niveau Nederlands als tweede taal van de oudkomers, bedoeld
onder b, bij afronding van het duale traject ten opzichte van het
niveau Nederlands als tweede taal bij de start van het duale traject.
5. De op grond van het eerste en tweede lid verstrekte informatie
en bescheiden hebben alleen betrekking op duale trajecten die geheel
of gedeeltelijk zijn bekostigd door een bijdrage als bedoeld in
artikel 3, eerste lid.
Hoofdstuk 4. Wijziging voorschot en vaststelling bijdrage
Artikel 11
1. Onverminderd artikel 7, wijzigt de minister uiterlijk 1 mei
2003 of 1 mei 2004 de verlening van het voorschot indien het
gemeentebestuur de minister uiterlijk 1 april voorafgaand aan genoemde
data schriftelijk meedeelt dat het de prognose wijzigt.
2. Onverminderd het eerste lid, kan de minister bepalen dat hij de
verlening van het voorschot zal wijzigen indien het gemeentebestuur
hem uiterlijk op een door de minister te bepalen datum schriftelijk
meedeelt dat het de prognose wijzigt.
3. Bij het wijzigen van de verlening van het voorschot als bedoeld
in het eerste en tweede lid, bepaalt de minister op welke wijze en op
welk moment het gewijzigde voorschot wordt betaald dan wel het
betaalde voorschot geheel of gedeeltelijk wordt teruggevorderd.
Artikel 12
1. De minister stelt voor 1 januari 2006 de bijdrage vast aan de
hand van de op grond van artikel 10 verstrekte informatie en
bescheiden.
2. De hoogte van de bijdrage voor de vaste kosten wordt vastgesteld
overeenkomstig de hoogte van het voorschot voor de bijdrage voor de
vaste kosten.
3. De hoogte van de bijdrage voor de variabele kosten wordt als
volgt vastgesteld:
a. € 5.500 voor iedere oudkomer die aan alle verplichtingen,
genoemd in de overeenkomst, bedoeld in artikel 8, heeft voldaan en die
een begintoets en een eindtoets als bedoeld in artikel 9 is afgenomen;
b. € 275 voor ieder niveau waarmee de lees-, schrijf-, spreek- of
luistervaardigheid door een oudkomer, bedoeld onder a, is verbeterd;
c. € 1.375 voor iedere oudkomer met wie een overeenkomst als
bedoeld in artikel 8 is gesloten maar die niet heeft voldaan aan alle
verplichtingen, genoemd in die overeenkomst of die geen begintoets en
eindtoets is afgenomen.
4. Het aantal oudkomers dat de minister bij het vaststellen van de
bijdrage voor de variabele kosten betrekt, kan de prognose niet
overtreffen.
5. In het geval het aantal oudkomers waarmee een overeenkomst als
bedoeld in artikel 8 is gesloten, de prognose overtreft, betrekt de
minister bij het vaststellen van de bijdrage, met inachtneming van het
vierde lid, de oudkomers die het gemeentebestuur recht geven op een zo
hoog mogelijke bijdrage.
Hoofdstuk 5. Samenwerkingsverband
Artikel 13
1. Twee of meer gemeentebesturen kunnen in het kader van de
gemeentelijke uitvoering van deze regeling samenwerken in een
samenwerkingsverband.
2. Indien zich de situatie, bedoeld in het eerste lid, voordoet:
a. wordt in artikel 1, onderdeel g, artikel 3, eerste, tweede en
derde lid, artikel 4, eerste lid, artikel 8, artikel 9, eerste lid,
artikel 10, eerste en tweede lid en artikel 11, eerste en tweede lid,
artikel 12, vijfde lid, voor "gemeentebestuur" gelezen:
samenwerkingsverband;
b. wordt in artikel 3, vierde lid, voor "de prognose" gelezen: de
prognoses van de gemeentebesturen van het samenwerkingsverband;
c. wordt in artikel 4, tweede lid, voor "de prognose" gelezen: de
prognoses van de gemeentebesturen van het samenwerkingsverband;
d. is de hoogte van het voorschot gelijk aan de optelsom van de
voorschotten waarop de gemeentebesturen op grond van artikel 5
aanspraak zouden hebben indien zij niet hadden samengewerkt in het
samenwerkingsverband;
e. verstrekt het samenwerkingsverband de informatie en bescheiden,
bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, per gemeente van het
samenwerkingsverband;
f. wordt in artikel 11, eerste en tweede lid, voor "dat het de
prognose wijzigt" gelezen: dat het de prognose van een of meerdere
gemeentebesturen van het samenwerkingsverband wijzigt;
g. wordt in artikel 12, vierde lid en vijfde lid, voor "prognose"
gelezen: het totaal van de prognoses van de gemeentebesturen van het
samenwerkingsverband;
h. wordt bij het vaststellen van de bijdrage voor de variabele
kosten het totaal van de resultaten van de gemeentebesturen van het
samenwerkingsverband betrokken.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 14
Op deze regeling zijn de afdelingen 4.2.3, 4.2.4, 4.2.5, 4.2.6 en
4.2.7 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 15
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling inburgering oudkomers.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
H.P.A. Nawijn
Toelichting
I. Algemeen
Tot op dit moment ontvangen 54 gemeenten op basis van verschillende
regelingen een rijksbijdrage om een lokaal inburgeringsbeleid voor
oudkomers te ontwikkelen en uit te voeren. Het gaat hier om regelingen
voor de 25 gemeenten van het Grote Stedenbeleid (G25), voor 17
gemeenten met meer dan 7% etnische minderheden op een totale bevolking
van meer dan 60.000 (G17), voor 12 gemeenten met meer dat 7 % etnische
minderheden op een totale bevolking van meer dan 18.000 (G12) en een
aanvullende regeling, waarmee voor deze gemeenten extra geld
beschikbaar werd gesteld. In deze 54 gemeenten (tezamen G54 genoemd)
woont in totaal bijna 80% van de etnische minderheden in Nederland. De
hoogte van de bijdrage voor gemeentelijk oudkomersbeleid voor deze 54
gemeenten is steeds vastgesteld in een bijlage die bij de
desbetreffende regeling behoort. Op basis van de hiervoor genoemde
regelingen werd, na goedkeuring van plannen van de gemeenten, de
bijdrage toegekend en konden de gemeenten het beleid ter uitvoering
brengen. In oktober 2004 dienen deze gemeenten de besteding van de
toegekende middelen te verantwoorden.
De onderhavige regeling is bedoeld voor alle gemeenten met
uitzondering van de 54 eerder genoemde gemeenten. Deze veelal kleinere
gemeenten kunnen, door middel van het indienen van een aanvraag voor
een bijdrage, deelnemen aan de regeling. In de regeling wordt een vorm
van outputfinanciering geïntroduceerd hetgeen goed past in een tendens
naar verzakelijking en transparantie in de relatie tussen Rijk en
gemeenten. Een sterker accent op prestatie-indicatoren en
outputfinanciering in de bekostigingssystematiek van oudkomers kan een
bijdrage leveren aan een hoger rendement van de inburgering, een
lagere uitval en betere resultaten in termen van taalbeheersing.
In de Regeling aanvullende bijdrage inburgering oudkomers 54
Gemeenten (Stcrt. 2001, 231) is vooruitgelopen op de invoering van
outputfinanciering. In deze regeling werd geïntroduceerd dat gemeenten
gegevens moeten aanleveren over de resultaten van het gemeentelijke
oudkomersbeleid. De betreffende gemeenten dienen de volgende
prestatiegegevens te verstrekken: instroom, succesvolle afronding,
uitval en taalniveau van de oudkomer bij de afronding van het
programma ten opzichte van het taalniveau bij de start van het
programma. Met behulp van de monitor oudkomers worden deze gegevens
twee keer per jaar verzameld. De noodzaak om deze gegevens
halfjaarlijks te verschaffen is mede gelegen in het feit dat
inburgering door de Tweede Kamer als Groot Project is aangewezen.
Het verschil tussen de invoering van de prestatiegegevens in de
aanvullende regeling voor de G54 en het gebruik van de
prestatiegegevens in deze regeling is dat in het eerste geval de
gegevens uit de monitor niet worden gebruikt om de gemeenten op hun
prestaties af te rekenen en in het tweede geval wel. Met andere
woorden, in onderhavige regeling wordt voor deze gemeenten een
resultaatafhankelijke bekostigingssystematiek ingevoerd.
In de onderhavige regeling heeft deze systematiek als volgt vorm
gekregen. Gemeenten schrijven zich afzonderlijk of gezamenlijk in om
een concreet aantal oudkomers gedurende de periode vanaf de datum
waarop het voorschot wordt verleend tot en met juni 2005 een duaal
traject aan te bieden. Dit aantal wordt in de regeling aangeduid als
de prognose. De aanvraag gaat niet meer vergezeld van een projectplan.
Na goedkeuring van de aanvraag verleent de minister een bijdrage in de
vorm van een voorschot. De hoogte van het voorschot is afhankelijk van
de prognose. De prestaties van de gemeenten worden vervolgens
halfjaarlijks door middel van de monitor oudkomers gemeten. Na het
aanleveren van de laatste monitorgegevens wordt de hoogte van de
bijdrage vastgesteld onder verrekening van de betaalde voorschotten.
Dit betekent terugvordering van een deel van de bijdrage als de
prestaties zijn achtergebleven en aanvullende middelen als gemeenten
goed hebben gepresteerd. De bijdrage wordt lumpsum verleend: er zijn
geen voorwaarden aan de besteding van deze middelen verbonden. De
resultaten van een succesvolle gemeente blijken uit een groot bereik,
een laag uitvalspercentage en een hoog percentage deelnemers met
verbeterde taalbeheersing en maatschappelijke competenties. Gemeenten
zijn vrij hun inburgeringsbeleid naar eigen inzicht vorm te geven en
uit te voeren en daarbij aansluiting te zoeken bij de lokale situatie.
In de normbijdragen zijn alle kosten verdisconteerd die voor de
inburgeringsprogramma’s moeten worden gemaakt. Hieronder is ook
inbegrepen: de kosten voor de voorbereiding van het gemeentelijke
oudkomersbeleid, de registratie van de oudkomers, de
trajectbegeleiding en het verwerven en afnemen van toetsen.
Uitgangspunt van de bekostigingssystematiek is dat deze globaal
kostendekkend is. Dit betekent dat de bijdrage kostendekkend is voor
een gemiddeld presterende gemeente. Gemeenten die goed presteren
ontvangen een hogere bijdrage dan gemeenten die minder goed presteren
maar moeten mogelijk ook hogere kosten maken om die betere prestaties
te realiseren. De bedragen zijn zodanig vastgesteld dat effectieve
inspanningen om de resultaten te verbeteren vrijwel altijd
renderen. Zowel bij het bepalen van de hoogte van het voorschot als
bij het vaststellen van de bijdrage is er daarnaast wel rekening mee
gehouden dat het risico voor minder goed presterende gemeenten beperkt
blijft.
Resultaatafhankelijke bekostiging vereist dat de resultaten gemeten
kunnen worden. Bij de inburgering van oudkomers is het gewenste
resultaat tweeledig en omvat zowel de bevordering van de beheersing
van de Nederlandse taal als de vergroting van maatschappelijke
competenties. Ten aanzien van het meten van maatschappelijke
competenties ontbreekt het vooralsnog aan valide en betrouwbare
instrumenten voor deze doelgroep. Taalbeheersingstoetsen zijn echter
wel voorhanden en worden ingezet om een deel van de uiteindelijke
bijdrage te bepalen.
In het kader van deze regeling worden uitsluitend duale trajecten
als gedefinieerd in artikel 1, onderdeel e, betrokken bij het
vaststellen van de bijdrage. Het educatieve gedeelte van een duaal
traject omvat gemiddeld 450 contacturen. Dit aantal uren moet niet
worden opgevat als norm voor een duaal traject. Bij de vormgeving van
een duaal traject wordt immers aangesloten bij het doelperspectief van
de individuele oudkomer. Vanuit dit perspectief kunnen de verhoudingen
tussen het educatieve deel en andere onderdelen van het programma
sterk variëren. Tevens kan het in bepaalde gevallen noodzakelijk zijn
om zeer langdurige trajecten aan te bieden terwijl in andere gevallen
een relatief kortlopend traject met intensieve individuele begeleiding
de juiste keuze is.
In principe komen alle duale trajecten als bedoeld in artikel 1,
onderdeel e, in aanmerking bij het vaststellen van de bijdrage en is
er geen minimum met betrekking tot de zwaarte van het traject
vastgesteld. Het spreekt echter voor zich dat er wel sprake moet zijn
van een serieuze inspanning van de kant van de gemeente. Dit kan door
middel van de informatie en bescheiden die gemeenten door middel van
de monitor aan de minister verschaffen marginaal te toetsen. In het
geval uit de monitor blijkt dat gemeenten relatief korte trajecten met
weinig contacturen aanbieden en oudkomers slechts een zeer geringe
vooruitgang in hun Nederlands als tweede taal boeken is mogelijk geen
sprake van een duaal traject als bedoeld in artikel 1, onderdeel e.
Oudkomers uit de groep opvoeders, werklozen en geestelijke
bedienaren dienen met voorrang een aanbod te krijgen. Aanleiding voor
deze prioritering is dat veel leden uit etnische minderheidsgroepen
die al langer in Nederland verblijven, de Nederlandse taal niet of
onvoldoende beheersen om een zelfstandig bestaan op te bouwen en hun
kinderen goed te ondersteunen bij de opvoeding en hun schoolcarriére.
De prioritering van opvoeders en werklozen is dezelfde als bij de
eerdere bijdrageregelingen voor de inburgering van oudkomers. In de
onderhavige regeling zijn hier de geestelijke bedienaren aan
toegevoegd.
Naast de hierboven genoemde inhoudelijke voorwaarden kent de
regeling ook twee procesmatige verplichtingen welke verplichtingen
overigens ook al gelden voor de Regeling aanvullende bijdrage
inburgering oudkomers 54 gemeenten. Gemeenten zijn verplicht met de
oudkomers een overeenkomst te sluiten. Hierin worden de rechten en
verplichtingen van zowel oudkomer als gemeenten vastgelegd. Alleen
oudkomers met wie een overeenkomst is gesloten worden betrokken bij
het vaststellen van de bijdrage. De reden om de overeenkomst in te
voeren is het verminderen van de vrijblijvendheid voor gemeenten en
voor oudkomers die deelnemen aan een inburgeringsprogramma. In
tegenstelling tot nieuwkomers geldt voor oudkomers geen verplichting
tot het volgen van een inburgeringsprogramma. Door in een overeenkomst
vast te leggen wat van de oudkomer gedurende het traject wordt
verwacht en welke inspanningen de oudkomer van de gemeente mag
verwachten worden gemaakte afspraken eenduidig vastgelegd en wordt de
vrijblijvendheid sterk gereduceerd.
De tweede procesmatige verplichting is het aanleveren van gegevens
voor de monitor oudkomers. Dit vereist het bijhouden van de
voortgangsresultaten van de oudkomers en de inrichting van een
registratiesysteem binnen de gemeente. In de eerste plaats heeft de
gemeente als regisseur van het inburgeringbeleid deze gegevens zelf
nodig om de voortgang van haar cliënten te bewaken. Ook dienen deze
gegevens als basis om afspraken te kunnen maken met de
uitvoeringsorganisaties die onderdelen van de duale trajecten
verzorgen. Daarnaast heeft het Rijk een deel van deze gegevens nodig
voor de resultaatafhankelijke bekostiging. Hiervoor dient de gemeente
twee keer per jaar de monitor oudkomers in te vullen. De monitor wordt
via een internetapplicatie aan deelnemende gemeenten beschikbaar
gesteld. Het aanleveren van de monitorgegevens dient vergezeld te gaan
van een accountantsverklaring. Een accountantsprotocol is hiervoor
beschikbaar.
De regeling maakt het mogelijk dat gemeenten in
samenwerkingsverbanden deelnemen aan de regeling. In dat geval dragen
de deelnemende gemeentebesturen hun bevoegdheden en verplichtingen op
grond van de onderhavige regeling over aan een samenwerkingsverband
als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het
samenwerkingsverband is dan verantwoordelijk voor het indienen van de
aanvraag. In de aanvraag wordt aangegeven hoeveel oudkomers elke
deelnemende gemeente tot 1 juli 2005 een duaal traject denkt aan te
bieden. Deze afzonderlijk opgave is nodig omdat hierop de bekostiging
van het voorschot is gebaseerd. Het voorschot voor het
samenwerkingsverband is dan de optelsom van wat alle gemeenten bij
individuele inschrijving afzonderlijk als voorschot zouden hebben
ontvangen.
Het samenwerkingsverband is tevens verantwoordelijk voor het
halfjaarlijks aanleveren van informatie en bescheiden als bedoeld in
artikel 10. Het Rijk ontvangt aldus meerdere voortgangsrapportages van
het samenwerkingsverband en spreekt deze laatste, en niet de
afzonderlijke gemeenten, aan op het al dan niet aanleveren van
gegevens. Met name in het kader van het Groot Project Inburgering wil
het Rijk gemeenten afzonderlijk kunnen blijven volgen. Na afloop van
de regeling zal het Rijk voor de eindafrekening de resultaten van de
afzonderlijke monitoren bij elkaar optellen en op grond daarvan de
definitieve bijdrage aan het samenwerkingsverband vaststellen. Ook dit
betekent weer dat in geval van terugvordering, het
samenwerkingsverband door het Rijk aangesproken wordt en aanvullende
middelen aan het samenwerkingsverband worden verstrekt. Het Rijk ziet
niets van de verdelingsmechanismen tussen de gemeenten onderling en
kan daarin ook geen rol spelen, zij heeft geen directe band met de
afzonderlijke gemeenten van het samenwerkingsverband.
II. Artikelsgewijs
Artikel 1, onderdeel b
Door middel van de Bijdrageregeling sociale integratie en
veiligheid G25, de Bijdrageregeling inburgering oudkomers en de
Bijdrageregeling inburgering oudkomers 12 gemeenten werd aan 54
gemeenten reeds een bijdrage verstrekt ter verbetering van de
inburgering van oudkomers. Aan dezelfde 54 gemeenten werd, door middel
van de Regeling aanvullende bijdrage inburgering oudkomers 54
gemeenten, een bijdrage verstrekt ter intensivering van de uitvoering
van het gemeentelijke beleid ter verbetering van de inburgering van
oudkomers. De onderhavige regeling is gericht op alle gemeenten die
geen bijdrage krachtens een van deze bijdrageregelingen ontvingen.
Anders dan in de voorgaande regelingen, worden deze gemeenten in de
onderhavige regeling niet bij naam genoemd. Iedere gemeente die geen
bijdrage op grond van een van de vorige bijdrageregelingen voor
oudkomersbeleid ontving, kan bij de minister een aanvraag voor een
bijdrage op grond van de onderhavige regeling indienen.
Artikel 1, onderdeel c
Tijdens de voorlichtingsbijeenkomsten die aan de onderhavige
regeling vooraf zijn gegaan, heeft een aantal gemeenten het verzoek
gedaan om in het kader van deze regeling samenwerking met andere
gemeenten mogelijk te maken. In dat geval draagt een aantal
gemeentebesturen hun bevoegdheden en verplichtingen op grond van de
onderhavige regeling over aan een samenwerkingsverband als bedoeld in
artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De regeling sluit
niet uit dat gemeentebesturen hun bevoegdheden en verplichtingen
overdragen aan een ander gemeentebestuur dat zelf geen recht heeft op
een bijdrage op grond van de onderhavige regeling.
Artikel 13 regelt de consequenties voor de regeling in het geval er
sprake is van een samenwerkingsverband. Het komt er samengevat op neer
dat het samenwerkingsverband een aanvraag voor een bijdrage indient,
het voorschot vervolgens aan het samenwerkingsverband wordt betaald en
dat het samenwerkingsverband de minister de informatie en bescheiden,
bedoeld in artikel 10, verstrekt. In de toelichting zal hieronder
worden uitgegaan van de situatie dat een gemeentebestuur en niet een
samenwerkingsverband een aanvraag indient. In de toelichting op
artikel 13 wordt nader ingegaan op de situatie waarin sprake is van
een samenwerkingsverband.
Artikel 1, onderdeel d
Onder leden van etnische minderheidsgroepen die al voor langere
tijd in Nederland verblijven worden tevens personen met de Nederlandse
nationaliteit verstaan. De definitie van oudkomers sluit personen die
reeds op grond van de Wet inburgering nieuwkomers (Win) een
inburgeringsprogramma hebben gevolgd niet uit, personen die nog een
inburgeringsplicht in het kader van de Win hebben uiteraard wel.
Artikel 1, onderdeel e
Duale trajecten zijn inburgeringstrajecten waarbinnen taalonderwijs
gecombineerd wordt met een andere component. Bij duale trajecten staan
alle activiteiten in het teken van het doelperspectief van de
inburgeraar. Dit perspectief zal veelal het bereiken van werk zijn.
Het kan echter ook zijn: toegang tot beroepsonderwijs,
opvoedingsondersteuning of sociale activering. Bij een duaal traject
is het aanbieden van het onderdeel Nederlands als tweede taal
gekoppeld aan het bereiken van een van de hiervoor genoemde
doelperspectieven. Het leren van Nederlands als tweede taal geschiedt
in de context van het doelperspectief van de inburgeraar. Het
doelperspectief sociale activering moet ruim worden opgevat. Het duale
traject is in dat geval voornamelijk gericht op maatschappelijke
participatie.
Artikel 1, onderdeel f
Met de prognose geeft het gemeentebestuur het ambitieniveau aan in
termen van het aantal oudkomers dat naar verwachting een duaal traject
zal worden aangeboden tot juli 2005. Het gaat nadrukkelijk om het
aantal oudkomers en niet om het aantal duale trajecten. Het
gemeentebestuur moet bij het vaststellen van de prognose rekening
houden met het feit dat het aanbieden van vervolgtrajecten geen
invloed heeft op de prognose.
Artikel 2
Doel van de regeling is te bevorderen dat, door het verlenen van
een bijdrage, gemeenten duale trajecten aanbieden aan oudkomers die in
een maatschappelijke achterstandssituatie verkeren en behoren tot de
groep opvoeders, werklozen of geestelijke bedienaren. In de vorige
bijdrageregelingen ten behoeve van de inburgering van oudkomers was de
laatste groep niet als prioritaire groep aangewezen. De vorige
regelingen kenden alleen opvoeders en werklozen als prioritaire groep.
Sinds de motie van het lid Lazrak van 3 juli 2002 (Kamerstukken II
2001/2002, 28 006, nr. 14) dient het gemeentelijke oudkomersbeleid,
naast de opvoeders en werklozen, zich echter ook te richten op
geestelijke bedienaren. Als geestelijke bedienaar wordt aangemerkt de
persoon die arbeid verricht als geestelijk voorganger of
godsdienstleraar.
Artikel 3, eerste lid
Teneinde voor een bijdrage op grond van de onderhavige regeling in
aanmerking te komen, dient het gemeentebestuur hiervoor een aanvraag
in. Voor het indienen van bedoelde aanvraag zal digitaal een standaard
document worden verstrekt. De minister keurt de aanvraag in beginsel
goed tenzij het evidente onjuistheden of vergissingen bevat ten
aanzien van bijvoorbeeld de prognose van het gemeentebestuur.
Artikel 3, tweede en derde lid
Gemeentebesturen moeten voor een bijdrage op grond van de
onderhavige regeling een aanvraag indienen voor 25 oktober 2002.
Indien de minister deze aanvraag goedkeurt, verleent hij het
gemeentebestuur uiterlijk 15 december 2002 een bijdrage. Naast deze
mogelijkheid kan de minister, krachtens het derde lid, bepalen dat aan
gemeenten aan wie nog geen bijdrage werd verleend, de mogelijkheid
wordt geboden om, vóór een door de minister te bepalen datum, een
aanvraag voor een bijdrage in te dienen. De minister kan hiertoe
besluiten indien hiervoor nog voldoende budget beschikbaar is.
Artikel 4
Tezamen met het verlenen van de bijdrage, verleent de minister een
voorschot. Anders dan bij de vorige bijdrageregelingen voor de
inburgering van oudkomers is in de onderhavige regeling de hoogte van
de bijdrage per gemeente niet vastgelegd. De hoogte van het voorschot
is afhankelijk van de prognose. De wijze waarop de hoogte van het
voorschot wordt bepaald is neergelegd in artikel 5.
Artikel 5
Uit artikel 5 volgt dat indien de prognose 40 bedraagt, de hoogte
van het voorschot voor de vaste kosten € 48.000 is. Indien de prognose
hoger dan 40 is, is de hoogte van het voorschot ook € 48.000. Het
tweede lid bepaald namelijk dat de het voorschot niet meer dan €
48.000 bedraagt. In het geval de prognose 10 is, bedraagt de hoogte
van het voorschot voor de vaste kosten € 12.000. Ook in het geval de
prognose lager dan 10 is, ontvangt het gemeentebestuur dit bedrag als
voorschot. In het derde lid is immers bepaald dat dit voorschot ten
minste € 12.000 bedraagt. Indien de prognose tussen de 10 en 40 ligt,
is de hoogte van het voorschot gelijk aan de vermenigvuldiging van de
prognose met € 1.200. Voor iedere oudkomer die het gemeentebestuur in
de periode van de verlening van de bijdrage tot en met juni 2005 een
duaal traject verwacht aan te bieden, ontvangt het gemeentebestuur als
voorschot voor de bijdrage voor de variabele kosten een bedrag van €
4.600. De hoogte van dit voorschot is niet aan een minimum of een
maximum gebonden.
Artikel 7
Voor het verlenen van de bijdragen is een geplafonneerd budget
beschikbaar. Indien het totaal van de prognoses tot gevolg heeft dat
dit budget wordt overschreden, wordt de hoogte van het voorschot
gebaseerd op het aandeel van de prognose in het totaal van de
prognoses. Niet de wijze waarop het voorschot wordt verleend en de
wijze waarop de bijdrage wordt vastgesteld worden dan gewijzigd maar
zij zullen zijn gebaseerd op een lagere prognose. In de beschikking
waarin de minister de bijdrage en het voorschot verleent, wordt
bepaald op basis van welke prognose dit is geschied. Dit laatste is
neergelegd in het derde lid. De gewijzigde prognose is ook van belang
bij het vaststellen van de hoogte van de bijdrage als bedoeld in
artikel 12, derde lid. Ten aanzien van een samenwerkingsverband zijn
nog gewezen op het feit dat in artikel 13, tweede lid, onderdeel d, is
bepaald dat, indien een samenwerkingsverband een aanvraag voor een
bijdrage indient, de hoogte van het voorschot aan het
samenwerkingsverband gelijk is aan de optelsom van de voorschotten
waarop de gemeentebesturen aanspraak zouden hebben kunnen maken indien
zij niet hadden samengewerkt. Gezien dit laatste, is, indien het
budget niet toereikend is, de hoogte van het voorschot aan het
samenwerkingsverband gelijk aan de optelsom van de voorschotten waarop
de gemeentebesturen recht zouden hebben gehad op grond van de
gewijzigde prognose.
Artikel 8
Krachtens dit artikel is het gemeentebestuur dat een voorschot als
bedoeld in artikel 4 heeft ontvangen, verplicht de individuele
afspraken tussen het gemeentebestuur en de oudkomer met betrekking tot
het duale traject in de overeenkomst neer te leggen. Door een
dergelijke overeenkomst worden de wederzijdse rechten en
verplichtingen inzake het aanbieden en volgen van het duale traject
eenduidig vastgelegd. Door het vastleggen van de onderdelen van het
duale traject wordt bepaald wat het duale traject voor de oudkomer
precies inhoudt. In de overeenkomst worden verder de verplichtingen
van het gemeentebestuur neergelegd. Door het opnemen van deze
verplichtingen wordt het tweezijdige karakter van het volgen van een
duaal traject duidelijk. Tegenover de verplichtingen van de oudkomer,
die krachtens onderdeel d, in de overeenkomst dienen te worden
vastgelegd, staat in ieder geval de verplichting van het
gemeentebestuur om het duale traject te realiseren en aan te bieden.
Bij verplichtingen voor de oudkomer valt te denken aan: de
verplichting om te starten met het volgen van de onderdelen van het
duale traject zodra de oudkomer door de onderwijsinstelling daartoe
wordt uitgenodigd, het naleven van de regels die de
onderwijsinstelling aan cursisten stelt, het bijwonen van
bijeenkomsten van de onderwijsinstelling, het verschijnen op
gesprekken op uitnodiging van een van de betrokken instellingen en het
deelnemen aan de begin- en eindtoets. Het wordt gemeenten aangeraden
om in de overeenkomst neer te leggen dat de oudkomer, indien dringende
redenen hem belemmeren om te voldoen aan zijn verplichtingen zoals
deze zijn neergelegd in de overeenkomst, hij de gemeente en de
betrokken instellingen van deze dringende redenen op de hoogte stelt.
De informatieoverdracht tussen de bij het duale traject betrokken
partijen (de oudkomer, de gemeente en de betrokken instellingen) is
noodzakelijk om de voortgang van de oudkomer in het duale traject te
bewaken. In de overeenkomst zijn ten slotte in ieder geval de gevolgen
neergelegd van het door de oudkomer niet nakomen van de overeenkomst.
Bij dergelijke gevolgen kan zowel worden gedacht aan het achterwege
laten van een beloning als aan het opleggen van een sanctie. Terzake
van het opleggen van sancties zij nog vermeld dat het gemeenten wordt
aangeraden om in de overeenkomst neer te leggen dat dringende redenen
(bijvoorbeeld zwangerschap en ziekte) de oudkomer (tijdelijk) van zijn
verplichtingen kunnen ontslaan. Voor het vastleggen van de rechten en
verplichtingen van de gemeente en de oudkomer wordt aan de gemeenten
een model-overeenkomst verstrekt. Het gemeentebestuur kan de
model-overeenkomst gebruiken bij het opstellen van de overeenkomst met
de oudkomer, welke zo veel als mogelijk moet zijn toegesneden op de
persoonlijke situatie van de oudkomer.
Artikel 9, eerste lid
Iedere oudkomer dient een begin- en een eindtoets te worden
afgenomen. De toetsen stellen het niveau Nederlands als tweede taal
vast. Het Referentiekader Nederlands als tweede taal dat is
vastgesteld door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen beschrijft de verschillende niveaus voor de lees-,
schrijf-, spreek- en luistervaardigheid. Deze toetsen vervullen een
rol bij het vaststellen van de bijdrage. Immers, op grond van artikel
12, derde lid, onderdeel b, ontvangt het gemeentebestuur € 275 voor
elk niveau waarmee een vaardigheid van een oudkomer is gestegen.
Artikel 9, tweede lid
In het tweede lid zijn de combinaties van toetsen genoemd die in
het kader van deze regeling mogen worden gebruikt om het niveau
Nederlands als tweede taal te meten. De Intaketoets NT2 is een
toetsinstrument waarmee de taalvaardigheid Nederlands als tweede taal
kan worden gemeten zodat een adequate plaatsing in een NT2-traject
mogelijk is. De toets meet de vaardigheden lezen, schrijven, luisteren
en spreken. De toets meet de vaardigheden op de niveaus 1 tot en met 4
van het hierboven genoemde referentiekader. De NT2-Profieltoets meet
de beheersing van de taalvaardigheid Nederlands als tweede taal aan
het einde van het inburgeringsprogramma. De toets meet de vaardigheden
lezen, luisteren, spreken en schrijven. De toets bestaat uit twee
delen, te weten een lagere variant (niveaus 1, 2 en 3) en een hogere
variant (niveaus 2, 3 en 4). NT2-Cat is een computergestuurde
adaptieve toets die de vaardigheden lezen en luisteren volledig
geautomatiseerd toetst. De moeilijkheidsgraad van de opgaven wordt
automatisch aangepast aan het taalvaardigheidsniveau van de cursist.
De score wordt automatisch bijgehouden en op basis daarvan wordt het
NT2-niveau berekend. NT2-Cat meet de vaardigheden op de niveaus 1 tot
en met 3 van het referentiekader. Itemdito is een digitale adaptieve
toets die nu nog alleen de leesvaardigheid Nederlands als tweede taal
volledig geautomatiseerd toetst. De score wordt automatisch
bijgehouden en op basis daarvan wordt het NT2-niveau berekend.
Itemdito meet de leesvaardigheid op de niveaus 1 tot en met 5 van het
referentiekader. De Intaketoets Alfabetisering NT2 bestaat uit een
serie toetsen die een adequate plaatsing van een niet-gealfabetiseerde
in een alfabetiseringstraject mogelijk maakt. De NT2-Profieltoets
Alfabetisering meet de beheersing van de taalvaardigheid Nederlands
als tweede taal aan het einde van het inburgeringsprogramma van
niet-gealfabetiseerden. De toets meet de vaardigheden lezen,
luisteren, spreken en schrijven op een voor de niet-gealfabetiseerde
geëigende wijze.
Met de NT2-Cat worden slechts twee van de vier aspecten van
taalbeheersing gemeten en met Itemdito vooralsnog slechts een. De
consequentie hiervan is dat op de andere aspecten met deze toetsen
geen vooruitgang kan worden vastgesteld waardoor bij het vaststellen
van de bijrage geen rekening kan worden gehouden met verbeteringen ten
aanzien van vaardigheden die niet worden gemeten.
Artikel 9, derde lid
De opsomming van toetsen in het tweede lid is limitatief. Het is
niet de bedoeling om hiermee andere toetsen, zoals nieuwe, vernieuwde
of thans nog niet bekende toetsen, die voldoen aan de gestelde eisen
op voorhand uit te sluiten. Daarom is nadrukkelijk de mogelijkheid
opengehouden dat de minister op een later tijdstip alsnog andere
toetsen aan de in het tweede lid genoemde toevoegt dan wel een of
meerdere van de in het tweede lid genoemde toetsen niet meer
voorschrijft. De in dat besluit genoemde toetsen moeten dan weer met
uitsluiting van andere toetsen worden gebruikt.
Artikel 10 eerste, tweede en derde lid
Op grond van het eerste lid dient het gemeentebestuur dat een
aanvraag voor een bijdrage heeft ingediend vóór 25 oktober 2002 aan de
minister halfjaarlijks informatie en bescheiden te verstrekken ten
aanzien van het gemeentelijke oudkomersbeleid. Op grond van artikel 3,
derde lid, kan de minister bepalen dat gemeenten een tweede
mogelijkheid wordt geboden om een aanvraag voor een bijdrage krachtens
deze regeling in te dienen. In het geval het gemeentebestuur naar
aanleiding van dit besluit van de minister een aanvraag indient en het
een voorschot wordt verleend, zal de minister bij het verlenen van dat
voorschot bepalen op welke wijze het gemeentebestuur, door middel van
de monitor, informatie over het gemeentelijke oudkomersbeleid dient te
verstrekken. De minister zal daarbij aansluiten bij de data, genoemd
in het eerste lid. De verstrekte informatie heeft telkens alleen
betrekking op de periode, genoemd in het eerste lid, of in de
beschikking waarin het voorschot is verleend. De informatie en
bescheiden mogen dus alleen betrekking hebben op de periode waarover
het gemeentebestuur verplicht is om informatie te verstrekken. Dit
betekent onder andere dat gemeenten in de eerste monitor geen
resultaten mogen betrekken die zijn behaald voor de datum waarop de
bijdrage is verleend. De monitor zal voor de gemeentebesturen
beschikbaar zijn via het internet. Ook het verstrekken van de
informatie aan de minister geschiedt via het internet. De ingevulde
monitor moet, overeenkomstig de wens van de Tweede Kamer, worden
voorzien van een accountantsverklaring. Voor deze
accountantsverklaring wordt een accountantsprotocol vastgesteld.
De criteria waaraan volgens dit protocol een duaal traject moet
voldoen zijn dezelfde als de criteria, genoemd in artikel 1, onderdeel
e.
Artikel 10, vierde lid
In het vierde lid is opgenomen welke prestatiegegevens in ieder
geval zullen worden gevraagd. In het vierde lid, onderdeel a, is
bepaald dat in de monitor in ieder geval wordt gevraagd naar het
aantal oudkomers waarmee een overeenkomst als bedoeld in artikel 8 is
gesloten. Het gaat nadrukkelijk om het aantal oudkomers en niet om het
aantal overeenkomsten. De definitie sluit uit dat in het geval een
oudkomer een vervolgtraject wordt aangeboden en in het kader waarvan
met deze oudkomer wederom een overeenkomst is gesloten, dit feit
nogmaals in de monitor wordt aangegeven. Bij het vaststellen van de
hoogte van de bijdrage kunnen de resultaten van een oudkomer maar één
keer meetellen.
Naast de gegevens, genoemd in het vierde lid, zal in de monitor
tevens worden gevraagd om algemene informatie over de inburgering van
oudkomers. Hierbij valt te denken aan: leeftijd, geboorteland en
geslacht van de oudkomer, de eventuele redenen van het voortijdig
beëindigen van het duale traject door de oudkomer en de duur en
intensiteit van het duale traject. Het gemeentebestuur moet over alle
in de monitor gevraagde gegevens informatie en bescheiden verstrekken.
Met het afronden van het duale traject als bedoeld onder b wordt
bedoeld: de afronding van het duale traject zoals dat is neergelegd in
de overeenkomst tussen het gemeentebestuur en de oudkomer.
Artikel 10, vijfde lid
In het vijfde lid is bepaald dat in de monitor alleen informatie en
bescheiden wordt verstrekt over duale trajecten die geheel of
gedeeltelijk door een bijdrage als bedoeld in artikel 3, eerste lid
zijn bekostigd. Trajecten die volledig uit andere middelen, zoals
bijvoorbeeld de WEB-gelden, zijn bekostigd worden niet in de monitor
opgenomen.
Artikel 11
Nadat een gemeentebestuur een voorschot is verleend, kan aan de
zijde van de gemeente, gezien de opgedane ervaringen met betrekking
tot het gemeentelijke oudkomersbeleid, de behoefte ontstaan om de
prognose bij te stellen. Indien gemeenten dit doen voor de in dit
artikel genoemde data, wijzigt de minister de verlening van het
voorschot, uiteraard voorzover er voldoende budget beschikbaar is. Het
wijzigen van de verlening van een voorschot heeft voor zowel de
gemeenten als het Rijk voordelen. Indien het aantal oudkomers dat een
duaal traject wordt of is aangeboden de prognose overtreft, kunnen
gemeenten het aanbieden van deze duale trajecten financieren door
middel van het extra geld dat zij door het gewijzigde voorschot van
het Rijk ontvangen. Indien de resultaten van het gemeentelijke
oudkomers beleid achterblijven ten opzichte van de verwachtingen
daarover, kunnen gemeenten het voorschot geheel of gedeeltelijk aan
het Rijk retourneren. Dit laatste heeft voor het Rijk als voordeel dat
de daardoor vrijgekomen gelden kunnen worden ingezet voor de
financiering van aanvullende voorschotten aan gemeenten die meer
oudkomers dan verwacht een duaal traject willen aanbieden. Krachtens
het tweede lid kan de minister de gemeentebesturen aanschrijven met de
mededeling dat, indien de gemeentebesturen hun prognose wensen aan te
passen, hij de verlening van het voorschot zal wijzigen indien de
gemeentebesturen de minister daar schriftelijk om verzoeken. Het ligt
in de rede dat de minister van deze bevoegdheid gebruik zal maken in
het geval de minister op de hoogte is van het feit dat er bij een
aantal gemeentebesturen de behoefte bestaat hun prognose aan te passen
en er voldoende budget is om aanvullende middelen te verstrekken.
Artikel 12, eerste en derde lid
De minister stelt de hoogte van de bijdrage vast aan de hand van de
door het gemeentebestuur verstrekte informatie en bescheiden. De
laatste monitor heeft betrekking op de periode januari 2005 tot en met
juni 2005. Teneinde er voor te zorgen dat zo veel mogelijk van de
resultaten van het gemeentelijke oudkomersbeleid worden betrokken bij
het vaststellen van de bijdrage, dienen gemeenten er naar te streven
dat duale trajecten zo veel mogelijk zijn afgerond voor 1 juli 2005.
Een duaal traject wordt beschouwd als afgerond indien aan alle
verplichtingen uit de overeenkomst zijn voldaan en de oudkomer een
begin- en een eindtoets is afgenomen. Duale trajecten die niet zijn
afgerond voor deze datum worden in het kader van het vaststellen van
de hoogte van de bijdrage, aangemerkt als uitval. Gemeentebesturen
ontvangen voor een oudkomer die zijn duaal traject voor genoemde datum
niet heeft afgerond, een bedrag van € 1.375.
Artikel 12, vierde en vijfde lid
Op grond van het vierde lid kan het aantal oudkomers dat wordt
betrokken bij het vaststellen van de bijdrage, de prognose niet
overtreffen. Indien de prognose bijvoorbeeld 30 was, worden de
resultaten van maximaal 30 oudkomers betrokken bij het vaststellen van
de bijdrage. Deze bepaling is uiteraard alleen van belang indien het
aantal oudkomers waarmee een overeenkomst als bedoeld in artikel 8 is
gesloten, de prognose overtreft. Is dat het geval, dan betrekt de
minister bij het vaststellen van de bijdrage de oudkomers die het best
hebben gepresteerd en het gemeentebestuur recht geven op de hoogste
bijdrage. Dit laatste is neergelegd in het vijfde lid.
Artikel 13
Twee of meer gemeentebesturen kunnen in het kader van de
gemeentelijke uitvoering van de onderhavige regeling samenwerken. Is
dat het geval, dan is er sprake van een samenwerkingsverband als
bedoeld in artikel 1, onder c. Gemeentebesturen dragen hun
bevoegdheden en verplichtingen op grond van de onderhavige regeling
dan over aan het samenwerkingsverband. Het samenwerken van gemeenten
heeft consequenties voor een aantal artikelen van onderhavige
regeling. Deze consequenties zijn neergelegd in het tweede lid. Indien
sprake is van een samenwerkingsverband bevat de aanvraag, in plaats
van de prognose, de prognoses van de gemeentebesturen van het
samenwerkingsverband. De hoogte van het voorschot aan het
samenwerkingsverband wordt, krachtens onderdeel d, als volgt bepaald.
Aan de hand van de prognoses van de gemeentebesturen van het
samenwerkingsverband wordt voor ieder gemeentebestuur bepaald wat de
hoogte van het voorschot zou zijn geweest in het geval het niet zou
hebben samengewerkt. De hoogte van het voorschot aan het
samenwerkingsverband is gelijk aan de optelsom van deze voorschotten
aan de gemeentebesturen van het samenwerkingsverband.
Onderdeel e regelt dat het samenwerkingsverband de informatie en
bescheiden, bedoeld in artikel 10, verstrekt per gemeente. Per
gemeente wordt aangegeven wat de resultaten zijn van de oudkomers die
hun woonplaats hebben in de desbetreffende gemeente. Dit laatste heeft
tot gevolg dat het samenwerkingsverband per deelnemende gemeente van
het samenwerkingsverband een monitor aanlevert. Een voordeel voor
gemeenten die samenwerken is onder andere gelegen in het feit dat deze
gemeenten in het kader van het vaststellen van de bijdrage hun
resultaten mogen uitwisselen. Er wordt bij het vaststellen van de
bijdrage, met andere woorden, geen onderscheid gemaakt tussen de
resultaten van de gemeenten van het samenwerkingsverband. In het geval
oudkomers uit één van de gemeenten bovennormaal hebben gepresteerd
kunnen daarmee de tegenvallende resultaten met betrekking tot
oudkomers uit een andere gemeente worden gecompenseerd. Dit is
neergelegd in onderdeel h.
Artikel 14
Krachtens artikel 14 zijn de afdelingen 4.2.3, 4.2.4, 4.2.5, 4.2.6
en 4.2.7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van overeenkomstige
toepassing. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat krachtens
artikel 4:21, derde lid, van de Awb, titel 4.2 van de Awb niet van
toepassing is op de onderhavige regeling. Deze afdelingen hebben
betrekking op de volgende onderwerpen: de subsidieverlening, de
verplichtingen van de subsidie-ontvanger, de subsidievaststelling,
intrekking en wijziging en betaling en terugvordering. Op grond van
artikel 4:46 van de Awb kan de minister de subsidie lager vaststellen.
Krachtens artikel 4:48 Awb kan de minister het voorschot intrekken of
ten nadele van het gemeentebestuur wijzigen. Dit kan de minister onder
andere doen in het geval de activiteiten waarvoor de bijdrage is
verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden. Dit laatste heeft
tot gevolg dat in het geval een gemeentebestuur geen of onvoldoende
inspanningen heeft verricht om gemeentelijk oudkomerbeleid te
ontwikkelen, ook het voorschot voor de bijdrage voor de vaste kosten
krachtens artikel 4:57 Awb kan worden teruggevorderd.
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
H.P.A. Nawijn |