 |
Rapportage
Groot project |
Vijfde voortgangsrapportage GPIO
De rapportage heeft de volgende opbouw:
- Resultaten Monitor Oudkomers 54 gemeenten, 2e helft van 2002
- Ontwikkelingen oudkomersbeleid
- Resultaten onderzoek wachtlijsten NT2 oudkomers
- Frontoffice inburgering (FOI)
- Kenniscentrum Integratie en Etnische Minderheden (KIEM)
Bijlage A: Kwalitatieve analyse van de Monitor Oudkomers, 2e helft 2002
Bijlage B: Onderzoek wachtlijsten NT2 oudkomers
Download Vijfde voortgangsrapportage: document in MS Word (122 kb.) en
Brief van de minister voor vreemdelingenzaken en integratie (pdf 22kb.)
1. RESULTATEN MONITOR OUDKOMERS 54 GEMEENTEN , 2E HELFT 2002
1.1. Inleiding
In totaal hebben de gemeenten nu drie maal een monitor geleverd. De eerste betrof de gegevens uit de jaren 2000 en 2001, de tweede betrof de 1e helft van 2002 en de laatste de 2e helft van 2002 [1] . Vanaf de tweede monitor waren gemeenten verplicht tot het aanleveren van een accountantsrapportage bij de gegevens.
Over de 2e helft van 2002 hebben in totaal 53 [2] van de 54 gemeenten de gegevens in de Monitor Oudkomers elektronisch aangeleverd.
Uit de kwalitatieve analyse van de gegevens uit de Monitor Oudkomers, 2e helft 2002 blijkt dat vanaf 2000 inmiddels in totaal ruim 25.600 oudkomers zijn gestart met een inburgeringsprogramma.
terug naar boven
Overzicht SEQ Overzicht \* ARABIC
1: kerngegevens monitor oudkomers, 2e helft 2002 [3]

In vergelijking met de gegevens die via de Monitor Oudkomers zijn aangeleverd voor de 1e helft van 2002 is er een duidelijke vooruitgang te constateren in zowel het aantal vragen dat gemeenten hebben kunnen beantwoorden als de kwaliteit van deze aangeleverde gegevens. Daartoe is onder andere de interne en externe consistentie getoetst. Een betere kwaliteit betekent immers dat met meer zekerheid conclusies kunnen worden getrokken over de aangeleverde gegevens.
De betrouwbaarheid van de geleverde gegevens kan ook worden getoetst aan de hand van de bijgeleverde accountantsrapporten. De vergelijking met de 1e helft van 2002, toen voor het eerst een accountantsrapport werd vereist, geeft aan dat ook hier een verbetering te constateren valt (zie paragraaf 1.4)
In de derde voortgangsrapportage [4] werd geconstateerd dat er nog een lange weg is te gaan voordat de aangeleverde gegevens van voldoende kwaliteit zijn en voldoende betrouwbaar. Ondanks de thans geconstateerde verbetering blijft het moeilijk om op basis van de aangeleverde gegevens tot stellige, gevalideerde en algemeen geldende uitspraken te komen. Dit geldt zeker voor de vraag naar de toename in taalvaardigheid van de deelnemers die voor de meerderheid van de gemeenten moeilijk te beantwoorden blijkt. Dit heeft te maken met het feit dat het startniveau van taalbeheersing in veel gevallen door de gemeenten niet is geregistreerd in de periode vóór de start van het GPIO [5] .
1.2. Kwaliteitsverbetering van gegevensinformatie
Om de kwaliteit en de betrouwbaarheid van de gegevens zo goed mogelijk te maken en waar nodig te verbeteren, worden zowel gemeenten als accountantsdiensten waar mogelijk ondersteund door het ministerie van Justitie.
terug naar boven
Ondersteuning gemeenten
Het ministerie van Justitie organiseert twee maal per jaar een reguliere werkconferentie voor de G54. Tijdens deze werkconferenties worden de resultaten van de voorafgaande peilperiode toegelicht en wordt de volgende peiling voorbereid.
Ter voorbereiding van de gegevensverzameling voor de 2e helft van 2002 heeft op 13 februari 2003 een door het ministerie van Justitie georganiseerde werkconferentie voor de G54 plaatsgevonden. Hier werden de door de gemeenten aangeleverde gegevens over de 1e helft van 2002 gepresenteerd en de resultaten van de accountantscontrole. Tevens werden de technische wijzigingen in de vrage nl ijst van de Monitor Oudkomers toegelicht en de wijzingen in het accountantsprotocol ten behoeve van de accountantscontrole.
Inmiddels heeft op 12 juni jl. een volgende conferentie plaatsgevonden waarin de gegevens over de 2e helft van 2002 werden gepresenteerd en de gemeenten werden voorbereid op de volgende peilperiode, 1e helft van 2003. Voor de aa nl evering van de gegevens wordt de website weer opengesteld van 1 augustus tot 1 oktober 2003. Tevens werden de gemeenten erop geattendeerd dat op 5 augustus een werkconferentie wordt gehouden voor betrokken accountantskantoren.
Gemeenten ontvangen bovendien na elke peilperiode een individuele rapportage. Om hun gegevens in context te plaatsen worden deze vergeleken met de gegevens uit hun G-groep [6] en de G54 in totaal.
Wijziging in de procedure van aa nl evering gegevens
Zoals bekend hebben gemeenten per peilperiode twee maanden de gelegenheid om hun gegevens in te voeren in de Monitor Oudkomers. Voor de gegevensverzameling over de 2e helft van 2002 werd de website www.monitoroudkomers.nl
opengesteld van 1 februari tot 1 april 2003. Voor eventuele inhoudelijke en technische vragen konden gemeenten terecht bij de Helpdesk Inburgering van de Cfi (Centrale Financiën Instellingen).
Omdat veel gemeenten de gegevens over de 1e helft van 2002 te laat aa nl everden is, om de tijdigheid van aa nl evering van gegevens te verbeteren, in overleg met de Accountantsdienst van het ministerie van BZK een rappelprocedure afgesproken [7] . Medio maart ontvingen de gemeenten een herinnering dat de Monitor Oudkomers uiterlijk 1 april, met accountantsverklaring, moest worden aangeleverd. Het tweede rappel werd 2 april verzonden aan gemeenten die nog niet aan hun verplichting hadden voldaan. Op 19 april ging een laatste rappel naar de betreffende gemeenten waarin uitstel tot 1 mei werd verleend. Tenslotte ontvingen gemeenten die op 1 mei niet hadden geleverd een brief waarin werd aangegeven dat het ministerie van Justitie aantekent dat zij niet voldoen aan de regeling en dat dit consequenties kan hebben voor de financiële verantwoording die plaatsvindt na afloop van de huidige regeling.
Dankzij de herziene afsluitprocedure en de rappelprocedure hadden op 1 april 2003 reeds 48 van de 54 de monitor elektronisch aangeleverd [8] . In de vorige periode waren dit er 30.
terug naar boven
Technische verbeteringen in Monitor Oudkomers
Er zijn, naar aa nl eiding van de ervaringen in de eerste helft van 2002, enige technische [9] aanpassingen doorgevoerd om de kwaliteit van de gegevens te verhogen.
Ook is, zoals al werd aangekondigd in de derde voortgangsrapportage [10] , de vraag naar de kostprijs niet meer opgenomen in de vrage nl ijst. In overleg met de Accountantsdienst van het ministerie van BZK [11] werd besloten in 2003 bij een aantal gemeenten een onderzoek te doen naar de kosten van verschillende onderdelen van het inburgeringsprogramma. Dit onderzoek is inmiddels gestart en zal deze zomer worden afgerond.
In onderstaande paragrafen wordt nader ingegaan op
- de resultaten van de gegevensinzameling van de Monitor Oudkomers, 2e helft 2002;
- de resultaten van de accountantscontrole.
1.3. De resultaten van de gegevensverzameling Monitor Oudkomers, betreffende de tweede helft van 2002 [12]
Op één na hebben alle betrokken gemeenten de monitor elektronisch aangeleverd [13] . Uit de analyse blijkt dat de kwaliteit van de beantwoording van de meeste vragen goed is. Er is echter voorzichtigheid geboden bij de gegevens betreffende de doorstroom na afronding en de redenen voor uitval. Hier is zo vaak gebruik gemaakt van de categorieën onbekend en overig dat deze moeilijker kunnen worden geïnterpreteerd. De vraag naar de vooruitgang in taalvaardigheid wordt door slechts een derde van de gemeenten correct [14] ingevuld; de antwoorden moeten daarom als indicatief worden beschouwd. Waar mogelijk wordt een vergelijking gemaakt met de uitkomsten uit de vorige peilperioden. Omdat de kwaliteit van de gegevens uit de voorgaande periodes niet optimaal is moet echter voorzichtigheid worden betracht. Dit geldt vooral voor de vergelijking met 2000 en 2001 [15] .
Hieronder volgen de voornaamste resultaten van de Monitor Oudkomers, 2e helft 2002.
terug naar boven
Aantal deelnemers
In de tweede helft van 2002 volgden in 53 gemeenten 15.200 oudkomers een programma. Tabel 1 laat de verdeling zien naar prioritaire groep van de totale groep deelnemers en starters onder hen. Het aantal starters is hoger dan in de eerste helft van 2002: 7.300 tegen 5.600. Dit zou kunnen worden verklaard doordat de start van het reguliere schooljaar in de tweede peilperiode van 2002 valt. Opvallend is het hoge percentage opvoeders: 59%.
Tabel 1: Overzicht starters en deelnemers naar doelgroep en gemeentegroep in de tweede helft van 2002 
Aantal afgesloten overeenkomsten
Vanaf 1 juli 2002 is het verplicht om een overeenkomst af te sluiten met de starters [16] . In deze overeenkomst wordt het te volgen programma beschreven, de rechten en plichten van beide partijen en de gevolgen bij het niet nakomen van de overeenkomst. Op deze wijze wordt de vrijblijvendheid van het volgen van een inburgeringsprogramma weggenomen.
Uit de gegevens over de 2e helft van 2002 blijkt dat 49 gemeenten een overeenkomst sluiten met de deelnemers. Dit is een flinke toename ten opzichte van de 1e helft van 2002 toen in totaal 28 gemeenten, nog op vrijwillige basis, overeenkomsten afsloten. In totaal werden in de 2e helft van 2002 4.200 overeenkomsten afgesloten [17] . Als het aantal afgesloten overeenkomsten wordt vergeleken met het aantal starters dan blijkt dat vooral de G4 achterblijven in het sluiten van overeenkomsten. De reden hiervoor is vooralsnog onbekend.
Figuur A: Overzicht van aantal in de monitorperiode afgesloten overeenkomsten en het aantal starters naar gemeentegroep in de tweede helft van 2002 
Kenmerken starters in 2e helft 2002
In de onderstaande tabel worden enkele kenmerken aangegeven van de oudkomers die in 2002 een programma volgden.
terug naar boven
Tabel 2: Kenmerken starters, 1e en 2e helft 2002, in percentages
| Vrouw |
94 |
91 |
64 |
62 |
81 |
70 |
| Turks/ Marokkaans |
67 |
80 |
36 |
<50 |
54 |
57 |
| Jonger dan 40 jaar |
- |
66 |
- |
60 |
65 |
66 |
| Aanlevering |
1e helft 2002* |
2e helft 2002 |
|
|
|
|
| Elektronische aa nl evering [22] Monitor Oudkomers |
53 |
53 |
|
|
|
|
| Fysieke aa nl evering [23] Monitor Oudkomers met Accountants-rapport
Waarvan:
|
50
39 op tijd **
|
52
46 op tijd ***
|
|
|
|
|
|
Goedkeurende accountants-verklaring
|
7 |
12 |
|
|
|
|
|
Verklaring met beperking
|
2 |
6 |
|
|
|
|
|
Afkeurende verklaring
|
1 |
- |
|
|
|
|
|
Oordeel-onthouding
|
19 |
24 |
|
|
|
|
|
Rapport van bevindingen
|
10 |
4 |
|
|
|
|
| Nieuw op de wachtlijst |
1 dec. 2000 |
1 mei 2001 |
1 dec. 2001 |
1 mei 2002 |
1 dec. 2002 |
1 mei 2003 |
| Rotterdam |
>1.987 |
1.605 |
1.708 |
1.889 |
1.747 |
1.619 |
| Amsterdam |
>806 |
1.109 |
926 |
793 |
1.384 |
1.593 |
| Utrecht |
>473 |
134 |
289 |
199 |
203 |
168 |
| Den Haag |
>608 |
417 |
415 |
506 |
649 |
534 |
|
Overige ROC’s
|
> 2.319 |
1.917 |
1.102 |
1.564 |
1.548 |
1.429
|
| Totaal |
>6.193 |
5.182 |
4.440 |
4.951 |
5.531 |
5.343 |
| |
1 mei 2003 |
1 decem -ber 2002 |
1 mei 2002 |
|
|
|
| Grotere wachtlijst |
14 |
14 |
21 |
|
|
|
| Kortere wachtlijst |
12 |
14 |
9 |
|
|
|
| Geen wachtlijst |
11 |
14 |
6 |
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
| Meer dan 100 wachtenden |
10 |
6 |
9 |
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
| Totaal aantal wachtenden |
1.957 (gemid-deld 52,8 wach-tenden per ROC) |
1.838 (gemid-deld 49,6 wach-tenden per ROC) |
2.108 (gemid-deld 56,9 wach-tenden per ROC) |
|
|
|
Opmerkelijk in de samenstelling van de starters is dat:
- het percentage vrouwen hoog is (81%) en in vergelijking met de 1e helft van 2002 (70%) nog gestegen; dit geldt ook voor de doelgroep werklozen;
- ongeveer de helft van de starters van Turkse of Marokkaanse afkomst is. Wel is er een groot verschil tussen de doelgroepen opvoeders en werklozen. In de laatste groep is de afkomst veel diverser en is het percentage starters van Marokkaanse of Turkse afkomst gedaald tot 36%;
- het merendeel van de starters is, net als in de vorige meting, jonger dan 40 jaar. De leeftijdsopbouw in de doelgroep werklozen is overigens, net als in de vorige meting, wat meer gespreid: er zijn meer deelnemers jonger dan 20 en ouder dan 50 jaar.
Kenmerken programma’s
Achtereenvolgens wordt ingegaan op de aard, de duur en intensiteit van de programma’s.
Aard van de programma’s
Uit de gegevens blijkt dat de programma’s worden afgestemd op de doelgroepen: 67% van de werklozen volgt een programma NT2 met arbeidsgerichte activiteiten en 53% van de opvoeders volgt NT2, gecombineerd met opvoeding en gezondheid. Dit is in overstemming met de resultaten uit de vorige peiling.
Figuur SEQ Figuur \* ALPHABETIC A: Aard van de programma’s voor starters in de tweede helft van 2002 naar prioritaire doelgroep (gebaseerd op 53 gemeenten) 
terug naar boven
Figuur SEQ Figuur \* ALPHABETIC B:Aard van de programma’s voor starters in de eerste helft van 2002 naar prioritaire doelgroep (gebaseerd op 51 gemeenten) 
Vergelijking van gegevens uit de twee peilperioden van 2002 brengt een aantal opvallende verschillen aan het licht:
-
een veel kleiner deel van de werklozen volgt een programma gecombineerd met sociale activering en alfabetisering: in de 1e helft van 2002 was dit 34%, in de 2e helft 10%;
-
Het aandeel werklozen dat arbeidsgerichte activiteiten volgt is daarentegen toegenomen van 50% tot 67%;
-
Een ander opvallend verschil is dat in de tweede helft van 2002 13% van de opvoeders NT2 volgen, gecombineerd met sociale activering. In de vorige meting was dit 3%;
-
Ook onder de groep opvoeders blijken minder starters een programma gericht op alfabetisering te volgen.
terug naar boven
Duur en intensiteit van de programma’s
Figuur SEQ Figuur \* ALPHABETIC C: Duur en intensiteit van nieuwe programma’s in de tweede helft van 2002 (gebaseerd op 53 gemeenten)

De volgende conclusies kunnen worden getrokken uit de aangeleverde gegevens:
- De meerderheid (53%) van de starters volgt een programma met een duur van 6 tot 12 maanden; dit is een stijging in vergelijking met de vorige peilperiode (38%) toen ook veel meer cursussen werden gestart met een korte duur (minder dan 6 maanden) of juist langer (meer dan 1,5 jaar);
- De meerderheid van de starters volgt een programma met een intensiteit van 5 tot 14 uur per week; ook dit betekent een stijging van 50 naar 65% in vergelijking met de vorige peilperiode;
- Zowel het aantal cursussen met een intensiteit van minder dan 4 uur per week als meer dan 14 uur per week zijn gedaald in vergelijking met de vorige peilperiode (resp. van 32% naar 25% en van 18% naar 11%);
- Ook zijn de verschillen tussen de doelgroepen verminderd: werklozen nemen minder deel aan programma’s van meer dan een jaar (35% tegen 50% in de vorige peilperiode) en een groter deel van de opvoeders neemt deel aan een programma dat langer dan een jaar duurt (van 18% naar 26%) [18] .
Resultaten van de oudkomersprogramma’s
In deze paragraaf worden uitval, uit- en doorstroom, en toename in taalbeheersing besproken.
terug naar boven
Uitval
In tegenstelling tot de vorige peilperiode hebben bijna alle gemeenten deze vraag beantwoord. Toch is voorzichtigheid geboden bij de interpretatie van de gegevens omdat de gemeenten de reden van uitval in 68% van de gevallen niet kunnen aangeven.
Tijdens de peilperiode zijn in totaal 2.100 (14%) deelnemers uitgevallen. Van de 7.300 oudkomers die in de tweede helft van 2002 zijn gestart zijn er 600 (8,3%) uitgevallen. Van de eerdere cohorten ligt het uitvalpercentage op respectievelijk 22% (cohort 2000), 16,7% (cohort 2001) en 20% (cohort 1e helft 2002).
In 32% van de gevallen is de reden van uitval wel bekend. Bij opvoeders speelt het gebrek aan kinderopvang een rol, verder is er weinig verschil in oorzaken tussen de doelgroepen. Verzuim is de belangrijkste reden van uitval in beide doelgroepen, verder worden als redenen gegeven: geen passend aanbod, zwangerschap, werk en verhuizing.
Figuur SEQ Figuur \* ALPHABETIC D: Redenen uitval in de tweede helft van 2002 naar doelgroep (gebaseerd op 49 gemeenten)

Uit- en doorstroom
Deze vraag was voor 46 gemeenten van toepassing. Omdat voor 34% van de oudkomers die een programma hebben afgerond onbekend is wat zij hierna zijn gaan doen moet enige voorzichtigheid worden betracht bij het trekken van conclusies.
terug naar boven
Figuur SEQ Figuur \* ALPHABETIC E: Uit- en doorstroom in de tweede helft van 2002 naar doelgroep (gebaseerd op 46 gemeenten) 
In bovenstaande figuur zijn de afronders met een onbekend gevolg na afronding van het programma, eruit gefilterd.
Figuur SEQ Figuur \* ALPHABETIC F: Uit- en doorstroom in de eerste helft van 2002 naar doelgroep
terug naar boven
Van de werklozen, van wie de gemeenten de doorstroom hebben kunnen aangeven, stroomt 53% door naar verschillende vormen van werk of sociale activering, 35% gaat naar een vervolgopleiding en circa 10% wordt niet doorgeleid. In de 1e helft van 2002 werd ongeveer een zelfde gedeelte (51%) doorgeleid naar enige vorm van werk maar lag de nadruk minder op doorstroom naar gesubsidieerd werk en veel sterker op overig werk. Opvallend is dat van diegenen die doorgaan in een vervolgopleiding er veel minder in een duaal programma (15%) terechtkomen dan in de 1e helft van 2002 (27%).
Van de opvoeders gaat 42% door met het volgen van een duaal programma of NT2 en stroomt 41% noch naar werk en noch naar een opleiding door. Doorstroom naar enige vorm van werk of sociale activering is nihil, terwijl in de 1e helft van 2002 nog 18% doorstroomde naar overig werk. Daartegenover staat dat 16% doorgaat in een duaal programma, tegen 3% in de 1e helft van 2002.
Dat het patroon van doorstroming verschillend is voor de doelgroepen is te verklaren uit het doelperspectief. Voor werklozen ligt de nadruk op het verkrijgen van werk(ervaring), voor opvoeders ligt dit in het begeleiden van hun kinderen. De geconstateerde verschuiving naar gesubsidieerd werk in het geval van werklozen terwijl opvoeders zich op een vervolgopleiding richten, kan te maken hebben met het verslechterde economische klimaat of met een verbeterde registratie. Analyse van de gegevens over de volgende peilperiode moet laten zien of de nu ingezette tendens zich voortzet.
Taalbeheersing
In vergelijking tot de meting over de 1e helft van 2002 zijn er meer gemeenten die de vragen over taalbeheersing volledig en correct hebben ingevuld (16 gemeenten tegen 4) maar de gegevens betreffen in totaal slechts 300 (9%) van alle afronders. In de vorige meting ging het om 77 (3%) van alle afronders [19] . Daarom moet, zoals in de i nl eiding van dit hoofdstuk al werd aangegeven, bij de interpretatie van de gegevens grote voorzichtigheid worden betracht.
Bij aanvang van het programma had ruim 65% van de afronders niveau 0 en ruim 20% niveau 1 voor de vier vaardigheden schrijven, lezen, spreken en luisteren. Deze percentages waren in de monitor over de 1e helft van 2002 respectievelijk 40% en 35%.
Bij de afronding haalt 41% een niveaustijging van 1 niveau. In de monitor over de 1e helft van 2002 was dit meer dan 50%. Een toename van twee niveaus of meer bereikt 6% van de afronders. In de monitor over de 1e helft van 2002 was dit 20%. Bij afronding heeft ongeveer 25% een eindniveau van 2 of hoger bereikt (was 50%).
De gegevens laten zien dat de toename van het taalvaardigheidsniveau minder is dan in de vorige meting. Daartegenover staat dat bij de start een veel groter gedeelte van de oudkomers niveau 0 had en dus een slechtere uitgangspositie.
terug naar boven
1.4. Accountantscontrole op de aangeleverde gegevens t.b.v. de Monitor Oudkomers
De Groot Project-status stelt hoge eisen aan de betrouwbaarheid van de aangeleverde gegevens. Daarom moeten gemeenten hun gegevens aa nl everen, voorzien van een accountantsverklaring [20] .
Uit een vergelijking tussen de 1e en 2e helft van 2002 kan worden geconcludeerd dat de resultaten beter zijn dan de vorige keer. Uit de onderstaande tabel blijkt dat 46 gemeenten tijdig de monitor met een accountantsrapport konden leveren over de 2e helft van 2002. In de 1e helft van 2002 waren dit er 39 [21] . Ook is het aantal gemeenten dat een goedkeurende verklaring ontving gestegen van 7 naar 12. Omdat ook het aantal gemeenten dat een verklaring met beperking ontving is gestegen van 2 naar 6 kan worden geconcludeerd dat meer gemeenten een betere controle hebben op de organisatie van het project.
Tabel 3: Overzicht aa nl evering Monitor Oudkomers en accountantsrapport naar soort in 2002
* gegevens in deze kolom over de 1e helft van 2002 sluiten om twee redenen niet aan op de gegevens zoals opgenomen in de derde voortgangsrapportage. Ten eerste omdat een aantal gemeenten nog tot ver na de officiële sluitingsdatum een accountantsrapportage hebben aangeleverd over de 1e helft van 2002. Deze gegevens zijn in bovenstaande tabel verwerkt. Ten tweede zijn de in deze tabel opgevoerde gegevens verzameld aan de hand van de beoordelingsmethode van de AD van Justitie. Hierdoor is een goede vergelijking mogelijk van de resultaten in de 1e en de 2e helft van 2002.
** d.w.z. tot uiterlijk 15/11/02, 6 weken na 1/10/02
*** d.w.z. tot uiterlijk 02/05/03, conform de rappelprocedure
Vergelijking tussen de twee meetperioden in 2002 laat verder een verschuiving zien in de verhouding tussen een rapport van bevindingen zonder oordeel en een rapport met oordeelonthouding. In de vorige peilperiode waren bij een aantal gemeenten zo weinig gegevens beschikbaar dat accountants niet in staat waren een verklaring te geven. In de huidige peilperiode zijn er bij veel gemeenten meer gegevens beschikbaar voor een verklaring, maar onthoudt de accountant zich van een oordeel. Als deze trend zich voortzet zou in de volgende peilperiode een groter aantal gemeenten de informatievoorziening zodanig op orde moeten hebben dat zij een goedkeurende verklaring of een verklaring met beperking kunnen ontvangen. Of dit ook daadwerkelijk gebeurt zal afhangen van het feit of gemeenten de noodzakelijke verbeteringen tijdig kunnen invoeren.
terug naar boven
Inhoud aangeleverde accountantsrapporten
Hoewel het teleurstellend is dat niet alle gemeenten in staat waren tijdig een accountantsrapport te leveren bij de monitor oudkomers blijkt uit de aangeleverde rapportages wel een duidelijke verbetering.
In de vorige peilperiode hadden veel gemeenten de administratieve organisatie niet zodanig ingericht dat een goede controle mogelijk bleek. Hier is in de peilperiode verbetering opgetreden. Meer gemeenten hebben hun administratieve controle op orde (17 tegen 8 in de vorige peilperiode). Daarnaast blijkt dat een aantal gemeenten de AO al wel hebben beschreven maar nog niet geïmplementeerd. In 12 gemeenten, tegen 9 in de vorige peilperiode, is het aa nl eggen van de individuele dossiervorming van de oudkomers op orde. In 28 gemeenten, tegen 24 in de vorige peilperiode, is de contractregistratie en dossiervorming ten aanzien van de uitvoerende instellingen voldoende. Het maken van afspraken over gegevensaa nl evering met instellingen is voldoende in 19 gemeenten, tegen 11 in de vorige peilperiode. Dit alles wijst erop dat de kwaliteit van administratieve organisatie verbetert en daardoor een betere basis ontstaat voor een goede gegevensinformatie.
terug naar boven
Kwaliteitsverbetering
Door de Accountantsdienst van het ministerie van BZK werd op 19 februari 2003 een conferentie verzorgd voor de accountantsdiensten. Ook hier werd, vergelijkbaar aan de werkconferentie voor de 54 gemeenten, een terugkoppeling gegeven van de ervaringen over de vorige peilperiode en uitleg gegeven over de wijzigingen in het accountantsprotocol ten behoeve van de peiling over de 2e helft van 2002.
De voornaamste wijziging in de monitor betrof het vervallen van de vraag naar de kosten van een programma. Daarnaast werd, om dubbeltellingen en onduidelijkheden te voorkomen, in de toelichting op de monitor de tekst opgenomen dat elke oudkomer slechts éénmaal als starter en éénmaal als deelnemer in de monitor mag voorkomen, ook al volgt de betrokken oudkomer verschillende programmaonderdelen. Dit houdt in dat slechts éénmaal met een oudkomer een overeenkomst wordt gesloten waarin alle afspraken en opleidingstrajecten zijn opgenomen. Tenslotte werd een wijziging aangebracht in de indeling van de doelgroepen van het oudkomersbeleid: werklozen en opvoeders. Leidend is hierbij nu de afspraak over het te volgen programma dat tussen gemeente en oudkomer wordt gemaakt.
Op 27 augustus 2003 wordt door het ministerie van Justitie een werkconferentie georganiseerd voor accountants. Ditmaal wordt een terugkoppeling gegeven over de 2e helft van 2002 en een vooruitblik op de controle bij de volgende peilperiode, de 1e helft 2003, aan de hand van het gewijzigde accountantsprotocol. In het uitnodigingsbeleid is een wijziging aangebracht. De vorige maal werden de landelijke accountantskantoren die actief zijn op deze markt uitgenodigd. Deze maal worden de accountants die de controle bij gemeenten hebben uitgevoerd direct benaderd. Hiervoor is gekozen om de informatielijn zo kort mogelijk te houden en hierdoor mogelijke misverstanden te vermijden. [24]
terug naar boven
2. VOORTGANG OUDKOMERSBELEID
2.1. Regeling inburgering oudkomers niet-G54
In voorgaande rapportages bent u ingelicht over de Regeling inburgering oudkomers, bestemd voor gemeenten die niet op grond van eerdere regelgeving in aanmerking zijn gekomen voor een specifieke oudkomersmiddelen. Het gaat hier vooral om kleine gemeenten, met een lager percentage etnische minderheden in hun bevolking dan de 54 gemeenten uit het Groot Project Inburgering Oudkomers. Deelnemende gemeenten (286) hebben bij hun inschrijving een prognose ingediend van het aantal oudkomers dat zij tot en met juni 2005 een programma verwachten aan te bieden [25] . Inmiddels hebben gemeenten hun prognose kunnen bijstellen. Deze mogelijkheid is in de regeling geboden om gemeenten aan de hand van opgedane ervaringen de kans te geven te hoge dan wel te voorzichtige ambities aan te passen [26] . Hiermee is het totaal aan prognoses met 72 oudkomers bijgesteld en gedaald van 9.385 naar 9.313 in drie jaar. Het totaal aantal deelnemende gemeenten is nu 285.
De betreffende gemeenten moeten twee keer per jaar de Monitor Oudkomers invullen. In tegenstelling tot de regeling voor de G54 worden de gegevens uit de monitor niet alleen gebruikt als beleidsinformatie, maar ook voor de afrekening. In verband met het outputfinancieringskarakter van deze regeling worden gemeenten na afloop van de regeling afgerekend op het aantal gestarte trajecten, het aantal afgeronde trajecten en de verbetering in het taalniveau van de deelnemers. De eerste in te vullen monitor voor deze gemeenten heeft betrekking op de eerste helft van 2003. Middels regionale conferenties die in juni plaats vinden zijn deze gemeenten net als de G54 voorgelicht over de werking van de Monitor Oudkomers.
terug naar boven
Accountantsverklaring
In de derde voortgangsrapportage [27] heeft de toenmalige minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (V&I), in gevolge een toezegging tijdens het AO van 21 november 2002, u een voornemen voorgelegd betreffende de informatievoorziening in het kader van het GPIO ten aanzien van de niet-G54. Dit voornemen betrof het niet-verplicht stellen van het leveren van een accountantsrapportage bij elke halfjaarlijkse Monitor Oudkomers om zodoende de administratieve lasten te verlagen. Als gevolg hiervan zijn gemeenten verplicht alleen bij de laatste monitor over de eerste helft van 2005 een accountantsverklaring aan te leveren, omdat deze gegevens gebruikt worden voor de eindafrekening. De gemeenten zijn inmiddels op de hoogte gesteld van deze gang van zaken.
2.2. Oudkomersbeleid G54
De bijdrageregelingen voor oudkomers voor de G54 zullen eind 2003 aflopen. Dit betekent dat voor het jaar 2004 een nieuwe regeling moet worden vastgesteld. Voorzien is dat in deze regeling de bijdragen voor gemeenten mede afhankelijk worden gemaakt van de prestaties die door gemeenten worden geleverd. Hiermee wordt de beleidslijn voortgezet die voor het eerst zijn vertaling vond in de Regeling inburgering oudkomers die eind 2002 in werking trad ten behoeve van de niet-G54 gemeenten.
Wat betreft de financiële verantwoording van de huidige bijdrageregelingen ben ik voornemens de verantwoordingsdatum te verschuiven van 1 oktober 2004 naar 15 juli 2005. Op deze manier wordt aangesloten bij de i nl everdatum van de gemeenterekening en bij de nieuwe verantwoordingsdatum van het Grote stedenbeleid en betekent een lastenverlichting voor de betreffende gemeenten. Het accountantsprotocol wordt op korte termijn opgesteld.
2.3. Informatievoorziening
Ook op het terrein van de informatievoorziening is in deze periode een aantal activiteiten in gang gezet waardoor een extra kwaliteitsimpuls is gegeven. Deels was deze gericht op de verbetering van de Monitor Oudkomers G54 [28]. De ervaring die inmiddels is opgedaan met deze monitor is gebruikt bij het bouwen van de website voor de niet-G54. Bij de ontwikkeling van deze website zijn ook drie gemeenten nauw betrokken zodat nauw kan worden aangesloten bij de lokale situatie. De website voor de niet-G54 gemeenten (www.monitorinburgering.nl) zal vanaf 1 augustus aanstaande worden geopend. Justitie organiseert drie regionale werkconferenties om de niet-G54 gemeenten voor te lichten over het gebruik van de monitor.
Het ligt in de bedoeling in de volgende jaren stapsgewijs over te gaan naar één systeem van monitoring voor het gehele inburgeringsbeleid. De flexibiliteit van de nu gebouwde website ten behoeve van de niet-G54 maakt uitbreiding tot één geïntegreerd systeem in de toekomst mogelijk. Het door de Taskforce Inburgering ontwikkelde informatiemodel is de basis geweest van het inmiddels opgestelde implementatieplan-Rijk. Ook de gemeenten zijn ondertussen gestart met de implementatie van hun informatiemodel. De Frontoffice Inburgering biedt daarbij ondersteuning aan de gemeenten. Het ligt in de bedoeling om het informatiemodel inburgering in 2004 volledig te implementeren. In 2005 wordt gestart met één monitor, de Monitor Inburgering, met een geïntegreerde vrage nl ijst voor nieuwkomers en oudkomers. De planning is sterk afhankelijk van de nadere invulling van het Hoofdlijnenakkoord en in het bijzonder het positioneren van de gemeentelijke rol bij de inburgering.
In het kader van haar activiteiten met betrekking tot de implementatie van het Informatiemodel heeft Justitie in mei jl. een overleg gearrangeerd met de softwareleveranciers. Tijdens dit overleg zijn de softwareleveranciers op de hoogte gesteld van de beleidsactiviteiten en planning in het kader van de informatievoorziening van het Ministerie van Justitie.
terug naar boven
2.3. Financiën
Het oudkomersbeleid startte twee jaar voordat dit beleid werd aangewezen als Groot project. Het oudkomersbeleid en de financiering ervan maakt deel uit van de meerjarige ontwikkelingsprogramma’s van het grotestedenbeleid. Dat betekende onder meer dat de gemeenten in 1999 en 2000 plannen indienden die door het rijk, vanuit de GSB-filosofie, werden goedgekeurd. Na de aanwijzing tot Groot Project is een aantal maatregelen en voorzieningen getroffen ten behoeve van de informatievoorziening aan het parlement. Een aantal zaken kon echter niet meer achteraf worden veranderd, zoals de oorspronkelijke planvorming en de wijze van financiële verantwoording die na afloop van de regeling plaatsvindt, namelijk op rechtmatige besteding en niet op doelmatigheid. Deze financiële verantwoording staat dus los van de beleidsinformatie die via de Monitor Oudkomers en bijgaande accountantsrapportages per half jaar worden aangeleverd.
Als gevolg hiervan is op rijksniveau geen inzicht in de daadwerkelijke projectkosten per half jaar op gemeentelijk niveau. Wel is bekend over welke budgetten de betrokken gemeenten jaarlijks beschikken. Voor de G54 zijn deze in de regelingen opgenomen. In 2003 wordt aan deze gemeenten de volgende budgetten voor de uitvoering van het oudkomersbeleid ter beschikking gesteld:
G4 34.771.172
G21 14.884.604
G17 15.603.142
G12 4.436.164
De niet-G54 gemeenten wordt in 2003 een budget ter beschikking gesteld op basis van een door hen aangeleverde oorspronkelijke prognose en de mogelijkheid tot bijstelling hiervan die zij tot uiterlijk 1 april jl. hadden. Het totale budget voor de niet-G54 is 51.201.400. Hiervan wordt in 2003 13.752.833 beschikbaar gesteld.
Door de wijze van financiering van het oudkomersbeleid zijn op rijksniveau geen relevante financiële risico’s.
Daarnaast is in 2003 1.270.000 miljoen gereserveerd voor de projectorganisatie GPIO.
Het restant van het beschikbare budget wordt ingezet voor de landelijke methodiek- en ontwikkelstructuur, de Frontoffice Inburgering en andere uitvoeringsinstrumenten en komt ten goede aan zowel het nieuwkomers- als oudkomersbeleid.
In de Begroting 2004 wordt inzicht gegeven in de financiële vertaling van het Hoofdlijnenakkoord. Eventuele consequenties voor het oudkomersbeleid zullen in de zesde voortgangsrapportage, die is voorzien voor het Kerstreces, worden aangegeven.
terug naar boven
3. ONDERZOEK WACHTLIJSTEN NT2 OUDKOMERS
Ook in 2003 voert CINOP/Regioplan twee metingen uit, op 1 mei en 1 december, naar de samenstelling van de wachtlijst NT2 oudkomers.
De peiling van 1 mei jl. wijst uit dat het aantal wachtenden met 1.387 is toegenomen tot 10.146. Dit in tegenstelling tot de laatste peiling van 1 december 2002 toen nog van een stabilisatie van de wachtlijsten kon worden gesproken [29].
Naast het meten van het aantal wachtenden is het ook belangrijk te weten hoelang mensen op de wachtlijst staan, d.i. de zogenaamde dynamiek van de wachtlijst. Evenals in de vorige rapportage [30] wordt dit aan de hand van een aantal criteria gemeten:
- een vergelijking tussen de twee maanden- en vier maandentermijn;
- de verhouding tussen de nieuwe instroom en de restgroep uit de eerdere metingen;
- de mate van snelheid waarmee de restgroep van de wachtlijst verdwijnt;
- het aantal nieuwe inschrijvingen.
Hieruit blijkt het volgende.
- Bij het hanteren van de vier maandentermijn is 20% van de wachtlijst afgevoerd. Dit was in vorige metingen rond de 25%;
- De verhouding tussen nieuwe instroom en de restgroep is in de meting van mei 2003 fifty-fifty. Dit was in eerdere metingen respectievelijk tweederde / eenderde;
- Het tempo waarmee de restgroep van de wachtlijst wordt afgevoerd nam af. Uit de laatste meting van 1 mei 2003 blijkt dat het percentage wachtenden uit vorige metingen, de zgn. restgroep, nog nooit zo hoog is geweest;
- Het aantal nieuwe inschrijvingen is nagenoeg gelijk aan het aantal bij de vorige meting van december 2002.
Uit bovenstaande gegevens kan worden geconcludeerd dat de groei van de wachtlijst wordt veroorzaakt door stagnatie in de doorstroom. Deze is groot in de G4, met uitzondering van Utrecht. Dit in afwijking tot de vorige meting toen de groei voor een groot deel werd veroorzaakt door nieuwe instroom.
Belangrijkste uitkomsten meting 1 mei 2003
terug naar boven
De ROC’s in de G4
Op de ROC’s in de G4 staan 81% van de wachtenden ingeschreven. De concentratie van wachtenden in de G4 zet hiermee nog steeds door: van 63% in juli 2000 tot nu dus tot meer dan 80%.
In tabel 3 is te zien hoe de wachtlijst zich op de ROC’s van de G4 ontwikkelt. Er zijn duidelijke verschillen te zien. In Amsterdam is de instroom sinds een jaar sterk groeiende terwijl deze in Rotterdam onveranderd hoog blijft. In Den Haag en Utrecht zien wij een daling.
Ter vergelijking is ook het aantal nieuwe aanmeldingen per peilperiode op de overige ROC’s opgenomen. Een vergelijking van deze aantallen illustreert hoezeer de concentratie van de wachtlijst zich tot de grote steden beperkt. In zowel Amsterdam als Rotterdam afzonderlijk is het aantal nieuwe aanmeldingen hoger dan het totaal aantal nieuwe aanmeldingen op de ROC’s gevestigd buiten de G4.
Tabel 4: Het aantal nieuwe wachtenden bij de ROC´s in de vier grote steden en de ROC’s in de overige steden op zes peildata
Daarnaast is de ontwikkeling van de wachtlijsten in de G4 zeer verschillend.
In Amsterdam valt vooral het hoge aantal nieuwe aanmeldingen op in zowel december 2002 als nu in mei 2003. In Rotterdam is sprake van een constante hoge instroom, met een geringe daling hiervan bij de laatste twee metingen. Daarnaast blijkt de doorstroom vanaf mei 2002 te stagneren en groeit de wachtlijst daardoor aanzie nl ijk. In Den Haag is steeds sprake geweest van een snelle doorstroming op de wachtlijst. Dit patroon stagneert echter tussen 1 december 2002 en de peiling van 1 mei 2003. In Utrecht tenslotte melden zich steeds minder mensen aan. De totale wachtlijst nam echter niet evenredig af omdat de doorstroom traag was. Deze nam voor het eerst in december 2002 toe en zet door in deze peilperiode. Hierdoor is het totale wachtlijst van Utrecht kleiner geworden.
terug naar boven
De ROC’s gevestigd buiten de G4
Tabel 5: Vergelijking stand van zaken wachtlijsten van de 37 ROC’s gevestigd buiten de G4
| |
1 mei 2003 |
1 december 2002 |
1 mei 2002 |
| Grotere wachtlijst |
14 |
14 |
21 |
| Kortere wachtlijst |
12 |
14 |
9 |
| Geen wachtlijst |
11 |
14 |
6 |
| |
|
|
|
| Meer dan 100 wachtenden |
10 |
6 |
9 |
| |
|
|
|
| Totaal aantal wachtenden |
1.957 (gemiddeld 52,8 wachtenden per ROC) |
1.838 (gemiddeld 49,6 wachtenden per ROC) |
2.108 (gemiddeld 56,9 wachtenden per ROC) |
Uit bovenstaande tabel blijkt dat ook de situatie buiten de G4 enigszins verslechterd is ten opzichte van de vorige peiling van 1 december 2002. Er is een toename van 119 wachtenden in totaal. Het aantal ROC’s met een wachtlijst van meer dan 100 personen is toegenomen, het aantal ROC’s met een grotere wachtlijst dan bij de vorige meting is gelijk gebleven. Het aantal ROCs met een kortere wachtlijst is met 2 afgenomen.
Dat de wachtlijsten per ROC sterk fluctueren wordt geïllustreerd door de volgende gegevens.
In de vorige rapportage werden tien ROC’s genoemd waarvan de wachtlijst flink was opgelopen tussen 1 december 2001 en 2002. Van deze tien hebben zes [31] nu juist een kortere wachtlijst of is deze zelfs geheel weggewerkt. Daartegenover zijn bij zes [32] andere ROC’s de wachtlijsten tussen december 2002 en mei 2003 sterk gestegen.
De oorspronkelijke wachtlijst (juli 2000) wordt nog steeds gevolgd door de onderzoekers. Van de oorspronkelijke 10.202 personen staan er nog 34 (=0,4%) op de wachtlijst van 5 ROC’s.
terug naar boven
De kenmerken van personen op de wachtlijst van 1 mei 2003
In het onderzoek worden, voor zover dit bekend is bij de ROC’s, ook de achtergrondkenmerken van de wachtenden verzameld. Hieronder wordt een aantal hiervan weergegeven, waarbij een vergelijking wordt gemaakt met de wachtlijst van 1 mei 2002.
Van alle wachtenden is 43% (was 44%) afkomstig uit de traditionele migrantengroepen, Marokkanen, Turken, Surinamers en Antillianen. Van het totaal aantal wachtenden is bijna tweederde ouder dan 30 jaar. Dit gegeven wijkt af van de vorige metingen (rond 50%).
Wat betreft opleiding heeft 17% (was 26,5% in mei 2002) ten hoogste de basisschool doorlopen, heeft 37,3 (was 37%) ten hoogste twee jaar vervolgonderwijs, 32,5% (was 19,7%) het voortgezet onderwijs doorlopen en 13,1% (was 15%) hoger onderwijs.
Wachtlijstbeheer en beleid
In juni 2001 hebben de VNG, de Bve Raad en de Taskforce Inburgering gezame nl ijk aanbevelingen gedaan over het wachtlijstbeheer en beleid voor oudkomers. Dit werd gedaan omdat uit het wachtlijstonderzoek bleek dat de ROC’s heel verschillend omgingen met de vraag wie wanneer op een wachtlijst werd geplaatst. Sindsdien wordt het effect van deze afspraken meegenomen in het wachtlijstonderzoek NT2 oudkomers.
De aanbeveling om alleen de personen op de wachtlijst te plaatsen aan wie geen aanbod geboden kan worden vanwege capaciteitsgebrek of een niet-passend aanbod, vindt de meeste navolging. 68% van de ROC’s werkt met deze definitie. Op andere ROC’s worden ook oudkomers die om persoo nl ijke redenen (nog) niet willen deelnemen op de wachtlijst geplaatst.
Het hanteren van een viermaanden- i.p.v. een tweemaandentermijn wordt door ruim eenderde van de ROC’s gehanteerd. De meeste ROC’s hanteren een kortere periode voordat tot plaatsing op de wachtlijst wordt overgegaan.
Er worden nog steeds nauwelijks afspraken gemaakt tussen gemeenten en ROC’s over het opschonen van de wachtlijsten.
Draaideureffect
Vanaf de meting in mei 2002 wordt ook onderzocht of diegenen die van de wachtlijst verdwijnen of stoppen tijdens het volgen van een cursus zich weer opnieuw melden en op de wachtlijst worden geplaatst.
Uit de gegevens van mei 2002 bleek deze groep 1,5% te zijn en in december 2002 5%. In december 2003 zal dit effect opnieuw worden onderzocht [33] .
terug naar boven
4. FRONTOFFICE INBURGERING (FOI)
Over het doel en de belangrijkste taken van de Frontoffice Inburgering bent u in de vorige voortgangsrapportage [34] geïnformeerd. Inmiddels is een projectleider aangesteld. Vanaf half mei is zij, ondersteund door een team van vier accountmanagers, voortvarend aan de slag gegaan. Het is belangrijk dat inburgering hoog op de agenda blijft staan van de gemeenten en de ketenpartners. De Frontoffice adviseert en begeleidt gemeenten op vraaggerichte basis bij het verbeteren van de uitvoering van het inburgeringsproces. Waar gemeenten knelpunten ervaren, kunnen ze een beroep doen op de Frontoffice. Op termijn moet dit ertoe leiden dat het inburgeringsproces adequaat is ingebed in de gemeentelijke organisaties. In maart en april 2003 hebben de accountmanagers van de Frontoffice tijdens hun kennismakingsronde langs de G42 [35] geïnventariseerd welke knelpunten op gemeentelijk niveau spelen. Voorts organiseert de Frontoffice in nauwe samenspraak met het Kenniscentrum Integratie en Etnische Minderheden (KIEM) bijeenkomsten die bedoeld zijn om kennis en expertise te verspreiden. Tenslotte speelt de Frontoffice een rol bij de organisatie van de conferenties voor de kleinere gemeenten, die vanaf dit jaar middelen ontvangen voor het opzetten en uitvoeren van het oudkomersbeleid.
terug naar boven
5. KENNISCENTRUM INTEGRATIE EN ETNISCHE MINDERHEDEN
Het Kenniscentrum Integratie en Etnische Minderheden (KIEM) speelt een belangrijke rol bij het verspreiden van kennis en expertise. KIEM is in juni 2003 gelanceerd en heeft als doel de effectiviteit van het integratiebeleid te vergroten. In het Kennisnet wordt kennis over het integratiebeleid op langere termijn verzameld, verspreid, vermeerderd en bemiddeld. Daarnaast richt het zich ook op het verstrekken van informatie voor en over etnische minderheden en over hun positie in de same nl eving. Het hart van KIEM wordt gevormd door de website www.integratie.net, een verzamelplaats van alle kennis en praktijkvoorbeelden op het gebied van integratie. Inburgering is een van de hoofdonderwerpen op de site. Gemeenten, departementen en wettelijke uitvoerders van het inburgeringsbeleid, maar ook welzijnsorganisaties, scholen en andere instellingen of individuen die belangstelling hebben voor inburgering kunnen via de site kennis halen en brengen.
[1] Over de resultaten van de eerste monitor is gerapporteerd in de tweede voortgangsrapportage GPIO (Tweede Kamer, 2001-2002, 27 083, nr. 24). De kwaliteit van de gegevens was zeer divers om reden dat gemeenten niet van tevoren op de hoogte waren dat deze gegevens moesten worden geleverd. De aanwijzing tot Groot Project kwam immers pas in juli 2001. Over de resultaten van de monitor over de 1e helft van 2002 is gerapporteerd in de derde voortgangsrapportage (TK 2002-2003, 27 083, nr. 31).
[2] Één gemeente heeft de gegevens niet kunnen aa nl everen, vanwege interne moeilijkheden.
[3] De cijfers zijn afgerond waardoor totaal een kleine afwijking vertoont met de som van de afzonderlijke onderdelen.
[4] TK 2002-2003, 27 083, nr. 31, p. 3
[5] De aanwijzing tot Groot Project kwam in juli 2001 tot stand. Gemeenten werden vanaf januari 2002 verplicht de Monitor Oudkomers in te vullen. Vanaf juli 2002 werden zij verplicht overeenkomsten af te sluiten met startende oudkomers.
[6] resp. de G4, G21, G17 en G12.
[7] Hiertoe heeft het ministerie van Justitie een overeenkomst afgesloten met de Cfi. Deze instelling verzorgt de inname en registratie van de fysieke Monitor Oudkomers en de bijgaande accountantsverklaring en de management informatie. De Cfi is gemandateerd om de rappelprocedure uit te voeren.
[8] Zie voor rapportage over aa nl evering fysieke Monitor Oudkomers met accountantsrapportage hoofdstuk 1.4.
[9] Omdat het doorvoeren van inhoudelijke wijzingen in de vrage nl ijst van de Monitor Oudkomers zou betekenen dat gemeenten hun informatievoorziening moeten veranderen, hetgeen extra bureaucratische belasting met zich mee brengt, is afgesproken dat dit niet meer wordt gedaan onder de lopende regelingen inburgering. Wel blijft het mogelijk technische wijzigingen aan te brengen als dit de taak van gemeenten verlicht.Deze betreffenonderandere de afsluitprocedure, controles op consistentie en de lay-out voor vragen met betrekking tot deelpopulaties.
[10] TK 2002-2003, 27 083, nr. 31, p. 3
[11] De Accountantsdienst van BZK voerde de accountantscontrole uit op het GPIO. De formele overdracht naar de Accountantsdienst van Justitie, als gevolg van de overplaatsing van DCIM (Directie Coördinatie Integratiebeleid Minderheden), vond plaats op 1 januari 2003. De AD van BZK handelde de lopende zaken af.
[12] Op basis van de kwalitatieve analyse, uitgevoerd door IBM, in opdracht van het ministerie van Justitie (zie bijlage 1)
[13] Deze gemeente behoort tot de G12. IBM geeft in haar analyse aan dat de afwezigheid van de gegevens uit deze gemeente niet heeft geleid tot grote afwijkingen in de verzamelde gegevens. Het effect op de betrouwbaarheid van de uitkomsten is gering.
[14] Het correct invullen wordt getoetst aan de hand van drie vragen: zijn alle onderdelen van de vraag volledig ingevuld, zijn de antwoorden intern consistent (sluiten de totalen aan) en zijn alle antwoorden extern consistent (sluiten de totalen van de vraag aan op de totalen uit de andere vragen).
[15] De aanwijzing tot Groot Project werd in juni 2001 gedaan. De gegevens over 2000 en 2001 zijn dus achteraf verzameld en zijn aangeleverd zonder accountantsverklaring.
[16] De verplichting hiertoe is opgenomen in artikel 7 van de Regeling aanvullende bijdrage inburgering oudkomers 54 gemeenten (Stcrt 28 november 2001, nr. 231, p. 10).
[17] In de Monitor Oudkomers wordt gevraagd naar het aantal overeenkomsten dat in de peilperiode wordt afgesloten met deelnemers. De toelichting op de Monitor Oudkomers zal zodanig worden gewijzigd dat duidelijk is dat gemeenten moeten melden met hoeveel starters tijdens de peilperiode een overeenkomst is gesloten.
[18] De verschuiving in duur en intensiteit kan mogelijk verband houden met het feit dat het begin van het schooljaar (september) in deze meetperiode valt.
[19] Pas vanaf 1 januari 2002 zijn de gemeenten verplicht het begin- en eindniveau van de taalbeheersing te meten. Van de oudkomers die voor deze datum zijn gestart is het beginniveau niet gemeten of niet geregistreerd
[20] Om dit te bewerkstelligen is een verplichting hiertoe opgenomen in de Regeling aanvullende bijdrage inburgering oudkomers 54 gemeenten (Stcrt 28 november 2001, nr. 231, p. 10).
[21] Een aantal gemeenten bleken echter nog niet in staat de monitor en accountantsverklaring gelijktijdig te leveren.
[22] Gemeenten zijn verplicht een elektronische versie van de Monitor Oudkomers te verzenden.
[23] Gemeenten zijn verplicht een fysieke, gewaarmerkte, versie van de Monitor Oudkomers aan te leveren met een accountantsrapport.
[24] Gebleken is dat sommige accountants niet op de hoogte waren van wijzigingen in het accountantsprotocol en bij de controle een verouderde versie hanteerden.
[25] Na verzending naar de Kamer van de derde voortgangsrapportage (Tweede Kamer, 2002-2003, 27 083, nr. 31) bleek dat er nog een gemeente onder de Regeling inburgering oudkomers moest worden gevoegd. Het totaal aantal gemeenten kwam daarmee op 287 met een totale prognose over drie jaar van 9.385 oudkomers.
[26] In totaal hebben 18 gemeenten en 3 samenwerkingsverbanden van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Hiervan hebben 2 gemeenten aangegeven zich uit de regeling terug te trekken, 5 gemeenten hebben hun prognose naar beneden bijgesteld en de overige 11 gemeenten en 3 samenwerkingsverbanden hebben hun prognose naar boven bijgesteld.
[27] Tweede Kamer, 2002-2003, 27 083, nr. 31
[28] Zie tweede voortgangsrapportage (Tweede Kamer, 2001-2002, 27 083, nr. 24) en derde voortgangsrapportage (Tweede Kamer, 2002-3003, 27 083, nr. 31).
[29] Zie vierde voortgangsrapportage (Tweede Kamer, 2002-2003, 27 083, nr. 31)
[30] Tweede Kamer, 2002-2003, 27 083, nr. 33
[31] Deventer, Eindhoven, Harderwijk, Leiden, Tilburg en Ve nl o
[32] Alkmaar, Heerlen, Hengelo, Maastricht, Zoetermeer, Zaanstad
[33] Het effect zal overigens nooit volledig zijn. Personen die zich opnieuw aanmelden en binnen twee maanden aan een cursus kunnen beginnen worden niet op de wachtlijst geplaatst en zijn dus niet zichtbaar in dit onderzoek.
[34] Tweede Kamer, 2002-2003, 27 083, nr. 33
[35] De Taskforce Inburgering richtte zich op de grotere gemeenten, zijnde de G4, G21 en de G17.
Download Vijfde voortgangsrapportage: document in MS Word (122 kb.) en
Brief van de minister voor vreemdelingenzaken en integratie (pdf 22kb.)
|