|
Zesde voortgangsrapportage GPIO
Centraal in de zesde voortgangsrapportage staan de gegevens uit de Monitor Oudkomers, 1e helft 2003, geleverd door de 54 gemeenten (de G54). Daarnaast wordt voor de eerste maal gerapporteerd over de gegevens van gemeenten die onder de eind 2002 in werking getreden Regeling inburgering oudkomers vallen.. Lees verder >
De rapportage heeft de volgende opbouw:
- Resultaten Monitor Oudkomers, 1e helft 2003
- Resultaten G54 gemeenten, 1e helft 2003
- Resultaten niet-54 gemeenten, 1e helft 2003
- Kerngegevens Monitor Oudkomers, 1 januari 2000-
1 juli 2003
- Voortgang oudkomersbeleid
- Duale trajecten
- Frontoffice Inburgering (FOI)
- Kennisnet integratiebeleid en etnische minderheden (KIEM)
Bijlage: Kwalitatieve analyse van de Monitor Oudkomers, resultaten eerste helft 2003
Download Zesde voortgangsrapportage: document in MS Word (122 kb.) en
Download Brief van de minister voor vreemdelingenzaken en integratie.
Download ook het accountantsrapport bij de zesde voortgangsrapportage.
1. RESULTATEN MONITOR OUDKOMERS, 1E HELFT 2003
Inleiding
De G54 gemeenten hebben op 1 oktober via de Monitor Oudkomers gegevens aangeleverd over de eerste helft van 2003. Het is voor de vierde maal dat de G54 gegevens aanleverde via de Monitor Oudkomers[1] . De niet-G54 hebben op dezelfde peildatum voor het eerst gegevens aangeleverd via de Monitor Inburgering.
Op basis van een kwalitatieve analyse van de aangeleverde gegevens worden de resultaten van deze peiling in de volgende paragrafen gepresenteerd.
1.1. Resultaten G54, 1e helft 2003
1.1.1. Kwaliteitsverbetering van gegevensinformatie
Om de kwaliteit van de gegevens te waarborgen en waar nodig te verbeteren worden zowel gemeenten als accountantsdiensten[2] ondersteund door het Ministerie van Justitie.
Werkconferentie
Tijdens de werkconferentie van 12 juni jl. zijn de gemeenten geïnformeerd over de invulling van de vorige monitor en voorbereiding van de meting over de 1e helft van 2003. Vragen met betrekking tot specifieke thema? s die in de eerdere peilperiode onvolledig of slecht beantwoord waren zijn nader toegelicht.
terug naar boven
Individuele rapportage
De afzonderlijke gemeenten hebben daarnaast een individuele rapportage ontvangen over de 2e helft 2002[3] . In deze rapportage worden de individuele prestaties van de gemeente toegelicht en vergeleken met de verrichtingen van de gemeenten uit de eigen G-groep en de totale G-groep. Zoals aangegeven in de aanbiedingsbrief bij de vijfde voortgangsrapportage, heb ik bij de gemeenten deze keer in de begeleidende brief aandacht gevraagd voor specifieke thema? s zoals het verplichte karakter van de overeenkomst voor starters, de verhoging van taalniveau? s en het verkrijgen van beter inzicht in redenen voor uitval.
Helpdesk Inburgering
Voor alle vragen rond de monitor kunnen gemeenten net als bij de voorgaande metingen terecht bij de helpdesk inburgering van de Cfi (Centrale financiën instellingen)
Verbetering monitor
Met het oog op het verder verbeteren van de informatievoorziening zijn er voor de peilperiode 1e helft 2003 enkele technische wijzigingen in de monitor aangebracht. Bij de vraag t.a.v. de redenen van de uitval zijn de invoervelden ? onbekend? en ? overig? opgesplitst in verschillende categorieën. Wanneer een gemeente toch gebruik maakt van de subcategorie ? overig? dient de reden voor uitval benoemd te worden.
Rappelprocedure aanlevering gegevens
Om de tijdigheid van de informatie aanlevering te bevorderen is een strikte rappelprocedure opgesteld. De registratie van de aangeleverde informatie en het verzenden van de rappelbrieven wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Cfi. Gemeenten worden een maand vóór de deadline reeds herinnerd aan tijdige aanlevering. Gemeenten die niet tijdig hebben geleverd ontvangen een eerste rappelbrief [4] . Deze brief wordt verzonden aan de contactpersonen van de betreffende gemeenten. Gemeenten die binnen twee weken na het aflopen van de deadline nog steeds in gebreke blijven, ontvangen een tweede aanmaning. Deze rappelbrief wordt ook verzonden aan de betreffende colleges van B&W. Tenslotte ontvangen de gemeenten die vier weken na verstrijken van de deadline geen of onvoldoende informatie hebben aangeleverd een zogenaamde sanctiebrief. In deze brief aan het college van B&W wordt erop gewezen dat het niet inzenden van de monitor financiële consequenties kan hebben.
terug naar boven
1.1.2 Resultaten van de gegevensverzameling Monitor Oudkomers G54, eerste helft 2003
Kwaliteit en consistentie
Op één na hebben alle gemeenten de gegevens elektronisch aangeleverd . Door het bureau dat de analyse op de gegevens verricht wordt eerst de kwaliteit en de consistentie van de aangeleverde gegevens beoordeeld. Uit de analyse blijkt dat de kwaliteit van de aangeleverde gegevens weer verbeterd is ten opzichte van de vorige meting. Dit geldt ook voor de vraag over het bereikte taalniveau. Meer gemeenten konden de vraag beantwoorden: 85% tegen 68,5% bij de vorige meting. Maar ook de kwaliteit van de beantwoording is gestegen: gemiddeld 56% over de vier deelvragen inzake de stijging van het taalniveau tegen 38% bij de vorige meting[5] . Bij de weging van het kwaliteitsniveau is ook het gebruik van de categorieën ? overig? en ? onbekend? betrokken omdat een veelvuldig gebruik hiervan het trekken van conclusies bemoeilijkt. Bij de vraag naar door- en uitstroom wordt voor 43% van de uitstromers aangegeven dat de categorie uitstroom onbekend is. Vooral de grotere gemeenten maken veel gebruik van deze categorie. Om die reden is voorzichtigheid geboden bij de interpretatie van de uitkomsten.
In de vraag naar de redenen van uitval is, in tegenstelling tot de vorige meting, de categorie ? onbekend en overig? uitgesplitst in twee aparte categorieën ? onbekend? en ? overig? . Ondanks de opsplitsing blijkt de categorie ? overig? nog steeds voor 52% van de uitvallers van toepassing en ? onbekend? voor 11%. Het gebruik van deze categorieën blijft dus nog steeds hoog.
Vooral ten aanzien van de stroomgegevens moet voorzichtigheid worden betracht in de interpretatie. Dat wordt voor een deel veroorzaakt doordat niet alle gegevens vanaf begin af aan zijn geregistreerd. Daarnaast blijft het verzamelen van gegevens bij de uitvoeringsinstanties een probleem.
Tenslotte is ook een controle op de ? externe? consistentie uitgevoerd. Daartoe zijn de gegevens van de vorige meting vergeleken met de gegevens van de huidige meting, d.w.z. dat het aantal oudkomers dat eind 2002 in het programma blijft, en het aantal starters in de eerste helft van 2003, gelijk moet zijn aan het aantal deelnemers in de eerste helft van 2003. Dit is niet het geval. Het merendeel van de gemeenten heeft (geringe) afwijkingen in hun gegevens . Dit wordt grotendeels veroorzaakt door verbetering in de gegevens[6] in opvolgende metingen, een verbeterde registratie en voortschrijdend inzicht naarmate men meer ervaring opdoet met de monitor.
terug naar boven
Overzicht 1: kerngegevens monitor oudkomers G54, 1e helft 2003
| |
Totaal aantal
Deelnemers
15.241
Waarvan starters:
5.309
|
|
|
Uitval
Deelnemers:
1.467 (10%)
waarvan starters:
308
|
Afronders
Deelnemers:
2.461 (16%)
Waarvan starters:
323
|
Onbekend
Deelnemers:
79
Waarvan starters
95
|
| |
Blijft in programma
Deelnemers:
11.234 (74%)
Waarvan starters:
4.583
|
|
De categorie ? onbekend? duidt op het onverklaarbaar verschil tussen het totaal aantal deelnemers en de som van de aantallen afronders, uitval en blijft in programma. In deze periode zijn dat er 79 (0,5%) tegen 556 deelnemers (3%) in de vorige peilperiode. Dit duidt op een verbetering in de registratie en invulling van de monitor.
Aantal deelnemers
In de eerste helft van 2003 volgden in 53 gemeenten 15.241 oudkomers een programma. Het aantal starters onder hen (5.309) is lager dan in de vorige peilperiode (2e helft 2002). Toen startten 7.300 oudkomers.
Tabel 1 laat de verdeling zien naar prioritaire groep (werklozen/opvoeders) binnen de totale groep van deelnemers en starters. Net als in de vorige periode ligt het percentage opvoeders hoger dan dat van werklozen. Als de categorie starters in deze periode wordt vergeleken met die uit de vorige peilperiode lijkt het erop dat in deze peilperiode meer werklozen zijn gestart met een programma.
Tabel 1: Overzicht van deelnemers en starters (deelverzameling) in de eerste helft 2003 naar doelgroep en gemeentegroep
|
|
G12
|
G17
|
G21
|
G4
|
Totaal
|
|
Deelnemers
|
Aantal
|
1.395
|
2.869
|
3.437
|
7.540
|
15.241
|
|
% werklozen
|
31%
|
35%
|
32%
|
24%
|
29%
|
|
% opvoeders
|
59%
|
57%
|
40%
|
53%
|
52%
|
|
% overig
|
10%
|
8%
|
28%
|
23%
|
19%
|
|
Starters
|
Aantal
|
431
|
1.069
|
925
|
2.884
|
5.309
|
|
% werklozen
|
38%
|
34%
|
32%
|
24%
|
28%
|
|
% opvoeders
|
53%
|
57%
|
37%
|
54%
|
51%
|
|
% overig
|
9%
|
9%
|
31%
|
22%
|
21%
|
terug naar boven
Aantal afgesloten overeenkomsten
Uit de aangeleverde gegevens blijkt dat de gemeenten de vraag over het aantal afgesloten overeenkomsten met starters niet altijd goed hebben geïnterpreteerd en het totaal aantal afgesloten overeenkomsten (met zowel starters en deelnemers) hebben vermeld. Voor zeven gemeenten ligt het aantal afgesloten overeenkomsten dan ook hoger dan het aantal starters. Er kan dus op basis van deze gegevens geen conclusie getrokken worden over het totaal aantal starters met een overeenkomst.
In totaal zijn in de eerste helft van 2003 4.494 overeenkomsten met oudkomers afgesloten door 49 gemeenten. Aangezien er in totaal 5.309 starters zijn, kan uit deze gegevens geconcludeerd worden dat niet alle starters een overeenkomst hebben. Één G21 gemeente met starters en twee G12 gemeenten met starters hebben geen overeenkomsten afgesloten. Echter het percentage starters zonder een overeenkomst is onbekend, omdat het onduidelijk is welk deel van de 4.494 overeenkomsten betrekking heeft op starters en welk deel op overige deelnemers.
Kenmerken starters
Tabel 2: Kenmerken starters uit 3 peilperioden: 1e helft 2003, 2e helft 2002, 1e helft 2002, in percentages
| |
Opvoeders |
Werklozen |
Totaal |
| |
2003 |
2002 |
2003 |
2002 |
2003 |
2002 |
| |
1e helft |
2e helft |
1e helft |
1e helft |
2e helft |
1e helft |
1e helft |
2e helft |
1e helft |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| Vrouw |
93 |
94 |
90 |
62 |
63 |
61 |
79 |
81 |
70 |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Turks/
Marok-kans |
76 |
67 |
76 |
41 |
36 |
35 |
63 |
54 |
57 |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| Jonger dan 40 jaar |
64 |
69 |
68 |
60 |
64 |
60 |
59 |
65 |
66 |
In bovenstaande tabel is te zien dat gedurende de drie peilperioden de verdeling tussen mannen/vrouwen, het percentage oudkomers van Turkse en Marokkaanse afkomst, en de leeftijdsverdeling geen grote verschillen vertoond. Nog steeds geldt dat de meerderheid vrouw is, van Turkse of Marokkaanse afkomst en tussen de 20-40 jaar is.
Kenmerken programma? s
Figuur 1: Ontwikkelingen in de aard van programma? s van starters in de G54

Er zijn verschuivingen te zien in de aard van de programma? s die nieuwe deelnemers volgen ten opzichte van de eerste en tweede helft van 2002. Zo neemt het aantal duale trjecten met NT2 en maatschappelijke orientatie of NT2 en sociale activering naar verhouding toe. Daarentegen neemt het aantal programma? s alfabetisering en ? andere programma? s? af.
Wat betreft de duur en intensiteit van de programma? s kan uit de gegevens worden opgemaakt dat 60% van de programma? s minder dan 1,5 jaar duurt en een intensiteit heeft van tussen de 5 en 14 uur per week. Dit beeld van de duur van de programma? s komt overeen met de gegevens uit de vorige peilperiode maar wijkt af van de eerste peilperiode. Zo volgden in de 1e helft van 2003 15% een programma korter dan 6 maanden, in de 2e helft van 2002 13% en in de 1e helft van 2002 26%. Uitgesplitst naar doelgroepen zijn per periode kleine verschuivingen te zien maar het algehele beeld blijft hetzelfde. Opvoeders volgen in grote meerderheid een programma dat minder dan een jaar duurt en waarvan de intensiteit lager is dan 14 uur per week. Een krappe meerderheid van de werklozen volgt ook een programma van een jaar of minder maar ook 44% volgt een programma van een jaar of meer. Onder werklozen ligt daarbij de intensiteit van het programma hoger: 41% volgt een programma van meer dan 14 uur per week.
Uitval
In de monitor oudkomers wordt gevraagd naar de reden van uitval. Gemeenten kunnen gebruik maken van de al aangegeven categorieën (geen passend aanbod, zwangerschap of gebrek aan kinderopvang, verzuim, werk en verhuizing). Daarnaast bestond de categorie overig. Van deze laatste mogelijkheid maakten gemeenten veelvuldig gebruik. Daarom werd besloten de categorie te splitsen in ? onbekend? en ? overig? ; bij gebruikmaking van de laatste moest de gemeente de reden aangeven.
Voor 11% van de uitval is de reden onbekend. In 52% van de gevallen wordt de categorie ? overig? gebruikt. Veel voorkomende redenen in deze categorie zijn gezondheidsproblemen (door 8 gemeenten genoemd) en persoonlijke omstandigheden (door 5 gemeenten genoemd). Net als in de voorgaande peilingen blijkt verzuim, naast de categorie ? overig? een belangrijke reden te zijn. Daarnaast zorgen zwangerschap en gebrek aan kinderopvang, werk en verhuizing een gelijke rol in het veroorzaken van de uitval.
Vergelijking tussen de twee doelgroepen laat zien dat voor de groep werklozen de reden van uitval veel vaker onbekend is dan bij opvoeders (24% tegen 5%). Daarentegen vallen opvoeders in grotere mate om diverse redenen uit: 58% tegenover 38% van de werklozen.
Tabel 3: Cijfers over de reden voor uitval in de laatste drie perioden.
In de eerste set van kolommen gaat het om de aantallen uitvallers, de tweede set van kolommen bevat de percentages
| |
werkloze |
opvoeders |
| Reden |
2002/1 |
2002/2 |
2003/1 |
2002/1 |
2002/2 |
2003/1 |
| kinderopvang |
6 |
1 |
5 |
28 |
36 |
12 |
| aanbod |
17 |
17 |
23 |
17 |
46 |
34 |
| verzuim |
42 |
54 |
70 |
41 |
85 |
101 |
| zwangerschap |
5 |
20 |
16 |
36 |
45 |
55 |
| werk |
32 |
31 |
26 |
36 |
51 |
37 |
| verhuizing |
13 |
16 |
28 |
22 |
37 |
30 |
| overig |
231 |
401 |
172 |
366 |
627 |
425 |
| onbekend |
|
|
108 |
|
|
39 |
| totaal |
346 |
540 |
448 |
546 |
927 |
733 |
| |
werkloze |
opvoeders |
| Reden |
2002/1 |
2002/2 |
2003/1 |
2002/1 |
2002/2 |
2003/1 |
| kinderopvang |
2% |
0% |
1% |
5% |
4% |
2% |
| aanbod |
5% |
3% |
5% |
3% |
5% |
5% |
| verzuim |
12% |
10% |
16% |
8% |
9% |
14% |
| zwangerschap |
1% |
4% |
4% |
7% |
5% |
8% |
| werk |
9% |
6% |
6% |
7% |
6% |
5% |
| verhuizing |
4% |
3% |
6% |
4% |
4% |
4% |
| overig |
67% |
74% |
38% |
67% |
68% |
58% |
| onbekend |
0% |
0% |
24% |
0% |
0% |
5% |
| totaal |
100% |
100% |
100% |
100% |
100% |
100% |
Uit- en doorstroom
In totaal hebben 46 gemeenten afronders. Van 43% (was 34% is de vorige peilperiode) is de uit- en doorstroom echter onbekend. Om die reden is voorzichtigheid geboden bij de interpretatie van de uitkomsten.
De resultaten uit de drie peilperioden zijn in figuur 2 met elkaar vergeleken.
Figuur 2: Ontwikkeling in de G54 in de uit- en doorstroom van oudkomers die een programma afronden; alleen afronders van wie de uit- en doorstroom bekend is

Ten opzichte van de eerste helft van 2002 is er een afname van het aantal oudkomers dat doorstroomt naar enige vorm van werk. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door een afname in doorstroom naar ? overig werk? [7] . Ook binnen de categorie ? opleiding? is er een verschuiving: de doorstroom naar een duaal programma neemt af terwijl de doorstroom naar NT2 toeneemt.
Vergelijking tussen de doelgroepen werklozen en opvoeders laat zien dat relatief meer werklozen dan opvoeders doorstromen naar enige vorm van werk, sociale activering of een beroepsopleiding. Net als in de vorige perioden is de doorstroom van de twee doelgroepen verschillend en te verklaren uit het verschillend doel van de inburgering en de plaats in de samenleving waarnaar wordt gestreefd.
| Doorstroom |
werklozen |
opvoeders |
| |
|
|
| Enige vorm van werk |
42 |
18 |
| beroepsopleiding |
16 |
1 |
| NT2 vervolg, duaal programma, overige opleiding |
20 |
43 |
| Geen werk noch opleiding |
22 |
38 |
| Totaal |
100 |
100 |
Tabel 5: Overzicht van ontwikkeling in gegevensaanlevering t.a.v. de vraag naar verbetering van het taalniveau; aantal gemeenten, aantal afronders (%)
| Peilperiode |
Aantal gemeenten dat vraag correct beantwoord |
Aantal afronders |
% van totaal aantal afronders |
| |
|
|
|
| 1e helft 2002 |
4 |
77 |
3 |
| |
|
|
|
| 2e helft 2002 |
16 |
286 |
9 |
| |
|
|
|
| 1e helft 2003 |
26 |
515 |
21 |
Vanwege het geringe aantal afronders waarover wordt gerapporteerd kunnen de uitkomsten, ondanks de geconstateerde verbetering, nog steeds hooguit als indicatief worden beschouwd voor de taalontwikkeling van de gehele groep afronders.
Tabel 6: taalbeheersing (in percentages) van oudkomers in de G54 die een traject afronden
| Peil-periode |
Gemiddeld NT2- niveau bij start programma |
Niveaustijging bij het afronden van een programma |
| Niveau 0 |
Niveau 1 |
Niveau 2 of hoger |
Geen niveau-stijging* |
Één niveau |
Twee of meer niveaus |
| 1e helft 2002 (N=77) |
39% |
43% |
18% |
23% |
68% |
9% |
| 2e helft 2002 (N=286) |
65% |
20% |
16% |
53% |
41% |
6% |
| 1e helft 2003 (N=515) |
43% |
32% |
25% |
52% |
33% |
15% |
* geen meetbare stijging. Er kan wel vooruitgang zijn geboekt, maar niet zodanig dat dit leidt tot een stijging in NT2-niveau.
1.1.2. Accountantscontrole op de aangeleverde gegevens t.b.v. de Monitor Oudkomers
In deze peilperiode hebben 45 gemeenten tijdig een gewaarmerkte fysieke monitor met een accountantsrapport aangeleverd. Dat is één minder dan in de 2e helft 2002. In de 1e helft van 2002 waren dit er 39. Het aantal gemeenten dat een goedkeurende verklaring ontving, steeg van 12 in de 2e helft van 2002 naar 18 in de eerste helft van 2003. Ten opzichte van de peilperiode 2e helft 2002 steeg het aantal gemeenten dat een verklaring met beperking ontving van 6 naar 12. In de 1e helft 2003 ontvingen 2 gemeenten een afkeurende verklaring. In de vorige periode waren er geen afkeurende verklaringen en in de 1e helft 2002 was er één afkeurende verklaring. (zie tabel 7).
Het aantal goedkeurende accountantsverklaringen is gestegen. Er kan dus worden geconstateerd dat een grotere groep gemeenten de organisatie van het oudkomersproject op orde heeft. In de vorige rapportage werd reeds een positieve trend gesignaleerd. De verklaringen over de 1e helft van 2003 bevestigen dit. Van de G4 gaat één gemeente van een oordeelsonthouding in de 2e helft van 2002 naar een verklaring met beperking in de helft van 2003. Gezien het aantal oordeelsonthoudingen en afkeurende verklaringen blijft er een groep gemeenten die nog steeds niet goed vat heeft op de administratieve organisatie van het project.
Tabel 7: Overzicht aanlevering Monitor Oudkomers en accountantsrapport naar soort
| Aanlevering G54 |
1e helft 2002* |
2e helft 2002 |
1e helft 2003 |
| Elektronische aanlevering[8] Monitor Oudkomers G54 |
53 |
53 |
53 |
| Fysieke aanlevering Monitor Oudkomers G54 met Accountantsrapport Waarvan: |
50 39 op tijd** |
52 46 op tijd*** |
51 45 op tijd**** |
| Goedkeurende accountantsverklaring |
7 |
12 |
18 |
| Verklaring met beperking |
2 |
6 |
12 |
| Afkeurende verklaring |
1 |
- |
2 |
| Oordeelonthouding |
19 |
24 |
13 |
| Rapport van bevindingen zonder oordeel |
10 |
4 |
0 |
** d.w.z. tot uiterlijk 15/11/02, 6 weken na 1/10/02
*** d.w.z. tot uiterlijk 02/05/03, conform de rappelprocedure
**** d.w.z. tot uiterlijk 03/11/03, conform de rappelprocedure
Inhoud aangeleverde accountantsrapporten
Net als bij de vorige meting hebben 29 gemeenten een goedgekeurd uitvoeringsprojectplan. Bij 22 gemeenten is het aanleggen van de individuele dossiervorming van de oudkomers op orde. In de voorgaande peilperiodes waren er respectievelijk 12 en 9 gemeenten bij welke de individuele oudkomersregistratie op orde was. De kwaliteit van de contractregistratie en dossiervorming ten aanzien van de uitvoerende instellingen is gestegen van 28 gemeenten in de vorige peilperiode naar 30 in deze periode. Het maken van afspraken over de gegevensaanlevering met instellingen is voldoende in 25 gemeenten, tegen 19 in de vorige peilperiode.
Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de kwaliteit van administratieve organisatie bij de deelnemende gemeenten weer is verbeterd.
Controlewerkzaamheden accountants
Om de accountants te ondersteunen in hun werkzaamheden en de in de vorige periode geconstateerde interpretatieverschillen te minimaliseren is het auditprotocol voor de peilperiode 1e helft van 2003 op een aantal punten gewijzigd. In het protocol zijn richtlijnen t.a.v. goed en fout definities opgenomen. Daarnaast zijn standaardteksten voor de accountantsverklaring en het accountantsrapport en een optreden. Met de DAD van Justitie wordt besproken of verdere maatregelen moeten worden ondernomen. In het reviewbeleid zal dit punt van aandacht kunnen zijn.
Wijzigingen accountantsprotocol
Daarnaast zal in voorbereiding op de volgende peilperiode worden onderzocht of het huidige accountantsprotocol moet worden gewijzigd. Mogelijke wijzigingen zijn het aanpassen van vraag 2 van de monitor over het aantal met starters afgesloten overeenkomsten. Geconstateerd is dat de huidige vraagstelling tot enige verwarring leidt. Punten van aandacht zijn verder een mogelijke nadere verduidelijking ten aanzien van het door de gemeenten gehanteerde projectplan en het opnemen van een verplichting aan accountants tot het inzenden van de checklist.
Reviews Departementale Auditdienst Justitie
In het kader van het huidige reviewbeleid heeft de Departementale Auditdienst van Justitie(DAD) bij zes G54 gemeenten reviews uitgevoerd. (zie paragraaf 4.2.3. DAD rapportage)
terug naar boven
1.2. Resultaten niet-G54 gemeenten, 1e helft 2003
1.2.1. Kwaliteitsverbetering niet-G54 gemeenten
De niet-G54 gemeenten kwamen deze periode voor het eerst in aanraking met de verplichte monitoring. Voor deze groep gemeenten is op basis van de opgedane ervaringen met de G54 een eigen monitor ontwikkeld. Enkele niet-G54 gemeenten zijn in het ontwikkelproces betrokken geweest.
Om de kwaliteit van de gegevens te waarborgen en waar nodig te verbeteren worden de gemeenten ondersteund door het Ministerie van Justitie.
Regionale conferenties
Als voorbereiding op de monitoring hebben gemeenten tijdens de regionale conferenties in december van het jaar 2002 reeds kennis kunnen maken met het thema, de consequenties voor het eigen werkproces en de aanlevering van gegevens in het kader van het GPIO. Als naslagwerk hebben de gemeenten een brochure ontvangen. Hierin zijn de belangrijkste elementen t.a.v. de monitoring zoals planning en de eisen aan de informatievoorziening opgenomen. In de aanloop van de peilperiode over de 1e helft van 2003 zijn gemeenten verder geïnformeerd over de specifieke vragen in de monitor. Op 19, 26 juni en 1 juli 2003 zijn voor de niet-G54 gemeenten drie regionale conferenties gehouden. Via de workshop ? nieuwe monitor inburgering oudkomers? hebben de gemeenten uitleg ontvangen over de functionaliteit van de monitor en de in te vullen vragenlijst. Voor de deelnemers waren pc? s opgesteld met een demoversie van de monitor.
Helpdesk Inburgering
Zowel in de aanloop van de peilperiode als tijdens de openstelling van de site kunnen gemeenten met hun vragen rond de monitor inburgering oudkomers terecht bij de Helpdesk Inburgering van de Cfi.
Rappelprocedure aanlevering gegevens
Om de tijdigheid van de in informatievoorziening te verzekeren is ook voor de niet-G54 gemeenten een rappelprocedure opgesteld. De procedure is vrijwel identiek aan de procedure bij de G54 gemeenten. De niet-G54 gemeenten hebben echter niet de plicht de aan te leveren monitorstukken te voorzien van een accountantsverklaring.
Individuele rapportage
De niet-G54 ontvangen eveneens per peilperiode een individuele rapportage waarin de eigen prestaties worden vergeleken met de andere gemeenten uit hun groep.
In deze rapportages zullen de gemeenten per periode een vergelijking krijgen tussen de gemeentelijke prognose en de realisatie.
1.2.2. Resultaten niet-G54
De Regeling inburgering oudkomers trad 14 september 2002 in werking [10] .
Van de 285 gemeenten die deelnemen aan de Regeling inburgering oudkomers hebben 269 gemeenten elektronisch gegevens aangeleverd. Van deze 269 geven 32 gemeenten (11%) aan deelnemers te hebben. Ook het aantal deelnemers per gemeente is met gemiddeld 14 gering. Hoewel uit de analyse van de gegevens blijkt dat de vragen consistent en volledig zijn ingevuld is het, gezien dit geringe aantal deelnemers, nog niet mogelijk om conclusies te trekken betreffende de karakteristieken van inburgering in de niet-G54 zelf en in vergelijking met de G54.
Omdat de niet-G54 gemeenten zich nog in de opstartfase bevinden hebben zij nog nauwelijks oudkomers die in de eerste helft van 2003 hun programma al hebben afgerond. Ook komt voortijdig uitval slechts incidenteel voor. Hierdoor is een analyse van de vragen die betrekking hebben op oudkomers die afronden of uitvallen nog niet mogelijk.
Het vermoeden dat veel van de betreffende gemeenten zich nog in de opstartfase verkeren wordt bevestigd door gegevens die de gemeenten zelf aanleveren. Hoewel de gemeenten er niet expliciet naar is gevraagd geven 82 van de 239 gemeenten, die nog geen deelnemers hebben, aan in welke fase van voorbereiding de uitvoering zich bevindt. In onderstaande tabel wordt hiervan een overzicht gegeven.
Tabel 8: Overzicht status van voorbereiding en uitvoering oudkomersbeleid niet-G54
| Nog niet gestart vanwege problemen |
5 (6) |
| Besloten geen gebruik te maken van regeling |
3 (4) |
| Totaal |
82 (100) |
Overzicht 2: Kerngegevens Monitor Oudkomers niet-G54, 1e helft 2003
|
|
Starters:
437
|
|
|
Uitval 9 (2%)
|
Afronders 9 (2%)
|
Onbekend 43 (10%)
|
|
|
Blijft in programma 376 (86%)
|
|
In het volgende overzicht worden de voornaamste kenmerken aangegeven van de 437 oudkomers die in de 1e helft van 2003 zijn gestart.
- Verdeling in doelgroepen: 173 (39%) zijn werkloos en 182 (42%) opvoeder; 82 (19%) is ingedeeld in de categorie ? overig? .
- Verdeling man/vrouw: 344 (79%) is vrouw. Onder de opvoeders is 98% vrouw, van de werklozen is 66% vrouw
- Etnische herkomst: 188 (43%) zijn van Turkse origine; 64 (15%) is van ? overig Aziatische herkomst? en 45 (10%) is van Afghaanse herkomst. Slechts 31 (7%) is van Marokkaanse herkomst.
- Leeftijd: 332 (76%) is tussen de 30 en 49 jaar
- Kenmerken programma? s: in 35% wordt een combinatie gevolgd van NT2 en arbeidsgerichte activiteiten, eenzelfde percentage volgt een duaal programma gericht op NT2 en opvoedingsondersteuning/gezondheidszorg. Alfabetisering en de combinatie van NT2 met sociale activering of maatschappelijke oriëntatie komen veel minder voor.
- Duur en intensiteit van de programma? s: 325 (79%) heeft een intensiteit tussen de 5 en 14 uur per week. De meeste programma? s (182 = 44%) duurt tussen de 6 en
- 12 maanden, 24% heeft een duur van minder dan 6 maanden of tussen de één en anderhalf jaar. Slechts 29 programma? s (7%) duren meer dan anderhalf jaar.
2 KERNGEGEVENS MONITOR OUDKOMERS, 1 JANUARI 2000 - 1 JULI 2003
In totaal zijn 30.779 oudkomers met een inburgeringsprogramma gestart in de periode 1 januari 2000 tot en met de eerste helft van 2003. Daarvan is bekend dat 10.692 oudkomers (35%) hun programma hebben afgerond. Daarnaast zijn 7.250 oudkomers (24% van alle starters tot nu toe) volgens de aangeleverde gegevens voortijdig uitgevallen.
In tabel 9 worden de totalen voor de G54 gemeenten vanaf 2000 gegeven. De cijfers zijn gebaseerd op alle gegevens die de gemeenten hebben aangeleverd. Doordat niet alle gemeenten gegevens voor alle peilperioden hebben gegeven kunnen de werkelijke aantallen hoger liggen. Maar er moet ook rekening mee worden gehouden dat de kwaliteit van de gegevens in de eerste metingen en met name voor de peilperioden 2000 en 2001 beperkt was. Daarom is ervoor gekozen de cijfers op honderden af te ronden.
Tabel 9: Resultaten G54 van 1 januari 2000-1 juli 2003*
| |
Totaal vanaf 2000 |
Aantallen per jaar
|
| 2000 |
2001 |
2002 |
2003 (eerste helft) |
| Starters |
30.800 |
4.200 |
8.500 |
12.800 |
5.300 |
| Afronders |
10.700 |
400 |
2.200 |
5.600 |
2.500 |
| Uitvallers |
7.300 |
600 |
1100 |
4.100 |
1.500 |
Ontwikkelingen vanaf 2000 nader bezien
De Monitor Oudkomers bevat nu gegevens vanaf 2000 tot juli 2003. Zoals in de eerdere voortgangsrapportages is gemeld zijn de gegevens over 2000 en 2001 onbetrouwbaar doordat de gemeenten de gevraagde gegevens achteraf moest aanleveren. Vanaf de 1e helft van 2002 zijn de gegevens over het aantal starters en deelnemers echter voldoende betrouwbaar om een vergelijking te kunnen maken hoewel voorzichtigheid bij de interpretatie is geboden.
Vergelijking tussen de drie peilperioden die vanaf 2002 zijn uitgevoerd laat zien dat
de ontwikkeling in het aantal deelnemers in de verschillende gemeentegroepen niet gelijk oploopt. Het aantal deelnemers in de G4 neemt in elke peilperiode gestaag toe, van 5.555 deelnemers in de eerste helft van 2002 tot 7.540 deelnemers in de eerste helft van 2003. In de G21 neemt daartegen het aantal deelnemers af, van 4.462 in de eerste helft van 2002 naar 3.222 deelnemers in de huidige periode. Blijkbaar hebben de G21, in vergelijking tot de andere G-groepen, een vliegende start gemaakt en daarna gas teruggenomen.
terug naar boven
Figuur 3: Ontwikkeling van het aantal deelnemers per gemeentegroep vanaf de eerste helft van 2002 (N=51*)

* Alleen de gemeenten die alle peilperioden gegevens hebben geleverd
Tabel 10: Overzicht 3 cohorten: 1 januari 2002-1 juli 2003; starters, afronders, uitvallers per periode*
| Cohort |
Aantalstarters |
1e helft 2002 |
2e helft 2002 |
| |
|
Afgerond |
Uitval |
Afgerond |
Uitval |
| 1e helft 2002 |
4.674 |
23% |
12% |
29% |
12% |
| |
|
|
|
|
|
| 2e helft 2002 |
8.045 |
n.v.t. |
n.v.t. |
5% |
7% |
| |
|
|
|
|
|
| 1e helft 2003 |
5.309 |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
| |
|
|
|
|
|
| Co-hort |
1e helft 2003 |
totaal |
Nog in programma |
|
Afgerond |
Uitval |
Afgerond |
Uitval |
|
| 1e helft 2002 |
8% |
3% |
60% |
27% |
13% |
|
|
|
|
|
|
| 2e helft 2002 |
15% |
9% |
20% |
16% |
64% |
|
|
|
|
|
|
| 1e helft 2003 |
6% |
6% |
6% |
6% |
88% |
*in vergelijking over meerdere periodes zijn alleen gegevens gebruikt van gemeenten die alle betreffende metingen hebben ingevuld. De cijfers voor de starters zijn inclusief de deelnemers die tot dit cohort horen maar van wie pas in latere peilperioden gegevens zijn geleverd. Daardoor zijn de totalen van het aantal starters in deze tabel niet hetzelfde als de totalen in andere tabellen.
terug naar boven
Vergelijking tussen de cohorten laat zien dat minder oudkomers uit het tweede cohort het programma hebben afgerond. Dit kan samenhangen met het gegeven dat de oudkomers uit dit cohort een langer programma volgen dan diegenen die in de 1e helft van 2002 zijn gestart.
Tevens lijkt de uitval wat omlaag te gaan. Het eerste cohort had in haar eerste periode een uitval van 12%, het 2e cohort had in de eerste periode een uitval van 7% en het derde cohort heeft in haar eerste periode een uitval van 6%.
3. VOORTGANG OUDKOMERSBELEID
3.1. Regelingen Oudkomersbeleid
De bijdrageregelingen voor oudkomers voor de 54 grote gemeenten lopen eind 2003 af [11] . Voor 2004 is een nieuwe regeling vastgesteld. Met deze nieuwe regeling worden de vier lopende regelingen vervangen. De nieuwe regeling is gebaseerd op outputfinanciering: de bijdrage voor de gemeente wordt afhankelijk van de prestaties die worden geleverd. Aan gemeenten is gevraagd de ambities voor 2004 te formuleren. Hierbij gaat het om het aantal inburgeringstrajecten voor oudkomers dat een gemeente in 2004 wil starten. In totaal zal met het macrobudget van ruim ¬ 72,5 miljoen een aantal van ruim 11.300 trajecten kunnen worden uitgevoerd[12] . Deze trajecten starten in 2004 en moeten uiterlijk 31 december 2005 zijn afgerond. Gemeenten zullen worden afgerekend op het resultaat. Allereerst wordt na afloop van 2004 afgerekend op het daadwerkelijk aantal gestarte trajecten (gemaximeerd tot het aantal waarvoor de gemeente een voorschot heeft ontvangen). Na afloop van 2005 wordt afgerekend op het aantal trajecten dat daadwerkelijk is afgerond. Gemeenten die een lage uitval hebben worden hiervoor financieel beloond, gemeenten die een hoge uitval hebben krijgen geen kostendekkende bijdrage.
Eind 2002 zijn gemeenten buiten de 54 eerdergenoemde gemeenten in de gelegenheid gesteld om in te schrijven. Deze gemeenten hebben zelf hun ambitieniveau opgegeven en worden achteraf afgerekend op de resultaten: aantal gestarte trajecten, aantal afgeronde trajecten en toetsresultaten. In de voorafgaande (vijfde) rapportage is al gemeld dat de gemeenten hun ambities in het voorjaar van 2003 aan hebben kunnen passen. Na deze aanpassing namen nog 285 gemeenten deel met een totaal van 9.313 trajecten. In het najaar van 2003 is een tweede inschrijvingsronde uitgeschreven, waardoor gemeenten, die nog niet deelnamen, alsnog in de gelegenheid zijn gesteld om zich in te schrijven. 38 Nieuwe gemeenten hebben zich ingeschreven om in de periode tot 1 januari 2006 567 trajecten aan te bieden. Deze gemeenten hebben in 2003 een voorschot gekregen.
In het nieuwe inburgering(s)stelsel zal de inburgering van oudkomers worden opgenomen in de nieuwe Wet Inburgering. De systematiek van outputfinanciering zal, voor zover gemeenten hun spilfunctie in het nieuwe stelsel vervullen, worden gehandhaafd.
3.2. Stand van zaken uitwerking Hoofdlijnenakkoord: Oudkomersbeleid
Zoals al eerder aan de Kamer gemeld, zal ik in maart 2004 het nieuwe inburgeringeringsstelsel presenteren, waarin uitgebreider op de positie van oudkomers in het nieuwe inburgering(s)stelsel zal worden ingegaan.
3.3. Informatievoorziening
In deze periode is de website monitor inburgering (www.monitorinburgering.nl) operationeel geworden. De niet-G54 gemeenten konden hun gegevens via deze website invullen. Voor het leveren van de gegevens over de 2e helft 2003 zullen ook de G54 gemeenten gebruik gaan maken van de nieuwe website [13] . De huidige monitor oudkomers van de G54 komt daarmee te vervallen. Operationele activiteiten betreffende de overzetting van de monitor oudkomers naar de monitor inburgering zijn momenteel in volle gang.
De uitvraag over de uitvoering van het oudkomersbeleid zal nog één keer via de huidige vragenlijst plaatsvinden. De geïntegreerde vragenlijst (nieuwkomers èn oudkomers) is inmiddels afgestemd met een zestal gemeenten, softwareleveranciers en de rijksdepartementen betrokken bij het inburgeringsbeleid. Eind dit jaar zal de geïntegreerde vragenlijst worden geplaatst op de monitor inburgering. Zo krijgen de gemeenten voldoende tijd om aan de nieuwe vragenlijst te wennen.
3.4. Financiën
Voor de inburgering van oudkomers in de G54-gemeenten was voor 2003 in totaal ¬ 69.695.082,-- beschikbaar. In 2003 is een bedrag van ¬ 69.694.034,- uitbetaald aan de desbetreffende gemeenten. Voor het tweede deel van het voorschot voor gemeenten die zich in 2002 hebben ingeschreven voor de niet-G54 regeling was voor 2004 14 miljoen gulden geraamd. Uiteindelijk is, nadat een aantal gemeenten hun prognose had aangepast, in 2003 ¬ 14.662.778,- betaald en ¬ 909.945 actief teruggevorderd, per saldo ¬ 13.752.833,-- . De bestedingen waren derhalve conform de verwachtingen.
Voor 2004 zijn de verschillende oudkomersregelingen voor de G54 samengevoegd in één nieuwe regeling, de Regeling inburgering oudkomers 54 gemeenten. In het kader van deze regeling is in 2004 ¬ 72. 524.800,-- beschikbaar voor gemeenten. Gemeenten, niet behorend tot de G54, die zich nog niet hadden ingeschreven vor de Regeling inburgering oudkomers (niet-G54) zijn eind 2003 alsnog in de gelegenheid gesteld om zich in te schrijven. Aan nieuwe deelnemers is inmiddels een
voorschot van ¬ 3.334.200,-- uitbetaald. Er zijn voor de niet-G54 geen verplichtingen voor 2004 aangegaan. Door de wijze van financiering van het oudkomersbeleid zijn er op Rijksniveau geen relevante financiële risico? s.
Voor de projectorganisatie GPIO is in 2004 een bedrag van ¬ 860.000 begroot ten behoeve van de activiteiten in het kader van de Monitor Inburgering, het Onderzoek wachtlijsten NT2 oudkomers en personele kosten.
4. DUALE TRAJECTEN
Op het gebied van duale trajecten hebben zich ook de afgelopen periode verschillende ontwikkelingen voorgedaan. In het onderstaande wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste zaken.
Servicepunt Geïntegreerde Trajecten
In samenwerking met RuimBaan voor Minderheden van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft het ministerie van Justitie een subsidie verstrekt om ondersteuning te verlenen bij het opstarten en uitvoeren van duale trajecten door bedrijven uit het Raamconvenant Grote Ondernemingen. In lijn met de gedachte om een aantal bedrijven gericht te ondersteunen, heeft RuimBaan de RGO-bedrijven aangeschreven en het aanbod duidelijk gemaakt. Inmiddels heeft een tiental bedrijven aangegeven van het aanbod gebruik te willen maken. Dit tijdelijk aanbod is ondergebracht bij het Servicepunt Duale trajecten.
Vanuit het Servicepunt zullen de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd:
- Promotie en ondersteuning van geïntegreerde trajecten;
- Inventarisatie van en onderzoek naar geïntegreerde trajecten;
- Opstellen en uitvoeren van een plan ter ondersteuning van de RGO-werkgevers;
- Bevordering van de betrokkenheid van CWI bij geïntegreerde trajecten;
- Deskundigheidsbevordering bij ROC? s en ECB? s.
De werkzaamheden zullen worden uitgevoerd in nauwe afstemming met Ruim Baan voor Minderheden (SZW) en de Directie Coördinatie Integratiebeleid Minderheden (Justitie). De opbrengsten van de werkzaamheden van het Servicepunt zullen vanzelfsprekend ten goede komen aan alle RGO-bedrijven.
Handleiding duale trajecten voor bedrijven
In navolging van de brochure van de Taskforce Inburgering waarin het onderwerp duale trajecten centraal stond en die bedoeld was voor gemeenten, heeft het ministerie van SZW samen met onder andere het ministerie van Justitie een brochure ontwikkeld, die gericht is op bedrijven. Deze brochure is verzonden aan alle in het RGO deelnemende bedrijven. De brochure is te vinden op website van RuimBaan voor Minderheden (www.rbvm.szw.nl).
Expertmeeting duale trajecten
Op 18 juni 2003 heeft het ministerie van SZW een expertmeeting over duale trajecten voor nieuwkomers, oudkomers, herintredende vrouwen en voortijdig schoolverlaters georganiseerd. De uitkomsten van deze bijeenkomst vormden input voor een rapport naar knelpunten en succesfactoren van de duale aanpak. De bijeenkomst werd bijgewoond door onder andere vertegenwoordigers van gemeenten, het CWI, de vakbeweging, ROC? s, het RWI, betrokken departementen en werkgevers. De opbrengst van 18 juni zal worden meegenomen in de Kabinetsreactie op het advies van de SER en de RWI inzake duale trajecten.
SER-/ RWI-advies betreffende duale trajecten
Zowel het SER als de RWI hebben eind november 2003 op verzoek van het ministerie van Justitie en het ministerie van SZW advies uitgebracht over duale trajecten. Het kabinetsstandpunt duale trajecten zal in het voorjaar van 2004 aan de Tweede Kamer gezonden worden.
Pilots in gemeenten
In opdracht van de directie Coördinatie Integratiebeleid Minderheden wordt een cursusaanbod ontwikkeld, dat erop gericht is vrouwen meer bij de opvoeding van hun kinderen te betrekken. Het betreft een duaal aanbod, waarin het leren van de Nederlandse taal gekoppeld wordt aan onderwerpen die voor deze vrouwen belangrijk zijn. Het gaat onder andere om het Nederlandse onderwijs- en gezondheidssysteem en normen en waarden binnen de opvoeding. Tevens wordt aandacht besteed aan de mogelijkheden om een functie te vervullen binnen bijvoorbeeld de kinderopvang. Een aantal gemeenten neemt in pilotverband deel aan deze opdracht. Resultaten hiervan zijn in dit stadium nog niet bekend. Naar verwachting zal de opdracht in het najaar van 2004 gereed zijn.
terug naar boven
5. FRONTOFFICE INBURGERING (FOI)
De Frontoffice Inburgering, die in het voorjaar van 2003 is gestart met haar werkzaamheden, heeft de volgende taken:
- Adviseren: de Frontoffice fungeert als helpdesk voor vragen en informatie en de accountmanagers kunnen geconsulteerd worden voor advies.
- Begeleiden: voor 2004 staat de implementatie van het Informatiemodel Inburgering gepland. De Frontoffice ondersteunt dit implementatieproces bij gemeenten. Ook voor de realisatie van ander nieuw rijksbeleid kan de Frontoffice ingeschakeld worden.
- Signaleren: de Frontoffice signaleert knelpunten in de inburgeringpraktijk, onder andere op het gebied van regelgeving.
- Kennisoverdracht: de Frontoffice bouwt voort op de expertise van de Taskforce en verspreidt kennis over het (rijks)beleid, publicaties, instrumenten en good practices.
De Frontoffice Inburgering ondersteunt gemeenten op een vraaggerichte manier. Uitgangspunt is dat gemeenten zelf verantwoordelijk zijn voor beleidsvorming en een efficiënte uitvoering in de praktijk. Ook bevordert ze de samenwerking met de ketenpartners, zoals de ROC? s, CWI? s, Vluchtelingenwerk, zelforganisaties, wijkcentra en scholen. Waar gemeenten knelpunten ervaren, kunnen ze een beroep doen op de Frontoffice Inburgering. De Frontoffice Inburgering biedt ondersteuning door middel van coaching, een helpdesk, cursussen, workshops, ondersteuningsmateriaal, digitale methodieken, een nieuwsbrief en een actuele website. Inmiddels zijn verschillende bijeenkomsten georganiseerd om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van het inburgeringsbeleid. In het najaar heeft FOI een aantal cursussen omtrent de inkoop van oudkomerstrajecten georganiseerd. Verder heeft de Frontoffice Inburgering kennisateliers gehouden over duale trajecten op het gebied van opvoedingsondersteuning en over duale trajecten met werk. en organiseerde ze een aantal regiobijeenkomsten om gemeenten voor te bereiden op het nieuwe inburgeringsbeleid. Centraal hierbij staat dat door middel van het verzamelen en verspreiden van good practices de kennis met betrekking tot beleid en beleidsinstrumenten wordt vergroot en dat gemeenten leren van succesvolle praktijkvoorbeelden van andere gemeenten.
De Frontoffice Inburgering ondersteunt gemeenten ook middels een helpdesk en bij gecompliceerde vragen door middel van coaching in de gemeente zelf. Verder ontwikkelde ze producten zoals een rekenmodule 'inkoop', een wegwijzer duale trajecten, een cursusmap 'inkoop' en een informatieboekje over inburgering en opvoedingsondersteuning.
6. KENNISNET INTEGRATIEBELEID EN ETNISCHE MINDERHEDEN (KIEM)
Gedurende de afgelopen periode heeft KIEM de site verrijkt met een groot aantal documenten over inburgering. Het gaat om de formele wet- en regelgeving, maar ook om bijvoorbeeld beleidsadviezen en good practices. Tevens zijn enige instrumenten op de KIEM-site geplaatst die gemeenten en andere organisaties behulpzaam kunnen zijn bij de uitvoering van het inburgeringsbeleid. Een en ander gebeurt in nauwe samenwerking met de Frontoffice Inburgering.
terug naar boven
[1] Over de resultaten van de eerste monitor over de jaren 2000 en 2001, is gerapporteerd in de tweede voortgangsrapportage GPIO (Tweede Kamer, 2001-2002, 27 083, nr. 24). De kwaliteit van de gegevens was zeer divers om reden dat gemeenten niet van tevoren op de hoogte waren dat er gegevens moesten worden aangeleverd. De aanwijzing tot Groot Project kwam immers pas in juli 2001. Over de resultaten van de tweede monitor over de 1e helft van 2002 is gerapporteerd in de derde voortgangsrapportage (Tweede Kamer 2002-2003, 27 083, nr. 31). Over de resultaten van de derde monitor is gerapporteerd in de vijfde voortgangsrapportage (Tweede Kamer, 2002-2003, 27 083, nr. 38, bijlage 1).
[2] Zie paragraaf 1.1.2.. voor accountantsdiensten.
[3] Na elke peilperiode ontvangen de gemeenten een individuele rapportage.
[4] Eén gemeente uit de G17 heeft, doordat de uitvoeringsinstelling geen gegevens heeft geleverd, niet kunnen aanleveren. De effecten hiervan op de totale aantallen wordt door het bureau dat de kwalitatieve analyse heeft uitgevoerd, gering geacht. In de vorige peiling was deze gemeente goed voor 3% van het totaal aantal deelnemers.
[5] Ondanks het feit dat de vraag door meer gemeenten wordt ingevuld worden teveel gegevens gemist om een representatief beeld te kunnen geven voor de gehele populatie oudkomers die hun programma hebben beëindigd. De gegevens zijn niet volledig om reden dat er geen begintoets is afgenomen of de resultaten van de begintoets niet vergelijkbaar zijn met de eindtoets, er slechts bepaalde taalvaardigheden zijn getoetst of de vraag verkeerd is geïnterpreteerd.
[6] In totaal gaat het om 79 personen. Dit is minder dan de 556 personen in de vorige peilperiode en duidt op een verbetering in de registratie en invulling van de monitor.
[7] bijvoorbeeld werk met een arbeidscontract van minder dan zes maanden of een duur van minder
[8] Gemeenten zijn verplicht een elektronische versie van de Monitor Oudkomers te verzenden.
[9] Gemeenten zijn verplicht een fysieke, gewaarmerkte, versie van de Monitor Oudkomers aan te leveren met een accountantsrapport
[10] Gepubliceerd in de Stcrt. 12 september 2002, nr. 175, p. 16
[11] Het financieel protocol voor de eindverantwoording is in voorbereiding en zal, zoals voorzien, binnen enkele maanden aan de gemeenten worden verzonden.
[12] Voorafgaand aan het vaststellen van het normbedrag is onderzoek uitgevoerd onder gemeenten naar de kosten die worden gemaakt bij de uitvoering van het inburgeringsbeleid. De uitkomsten van dit onderzoek zijn betrokken bij de vaststelling van het normbedrag. Het normbedrag is de basis voor de bevoorschotting (Regeling inburgering oudkomers 54 gemeenten, Stcrt. 2003, nr. 211, p. 27).
[13] Verder ligt in de bedoeling om de gegevens ten behoeve van het Inhoudelijk verslag nieuwkomers over 2003 al medio 2004 uit te vragen via de monitor inburgering. Daartoe zal een geïntegreerde vragenlijst voor nieuwkomers en oudkomers worden gebruikt.
Download Zesde voortgangsrapportage: document in MS Word (122 kb.) en
Download Brief van de minister voor vreemdelingenzaken en integratie.
Download ook het accountantsrapport bij de zesde voortgangsrapportage.
terug naar boven
|