Reactie op het advies van de ACVZ:
“Van Contourennota naar Inburgeringswet;
Juridische mogelijkheden tot een meer verplichtend inburgering(s)stelsel”
Inleiding
Bij de behandeling van de Contourennota “Herziening van het inburgering(s)stelsel” (hierna Contourennota) heb ik toegezegd dat aan deskundigen een oordeel zal worden gevraagd of het opleggen van een met sancties te handhaven inburgeringsverplichting aan allochtonen met de Nederlandse nationaliteit (en niet aan autochtone Nederlanders) in strijd zou kunnen zijn met het gelijkheidsbeginsel. Tevens heb ik toegezegd te bezien of de ACVZ hierbij een rol kan spelen. Voorts heb ik toegezegd bij dat onderzoek te betrekken de vraag of het opleggen van een (met behulp van sancties te handhaven) inburgeringsverplichting aan genaturaliseerde Nederlanders in strijd zou kunnen zijn met het rechtszekerheidsbeginsel.
In het belang van het nieuwe inburgering(s)stelsel heb ik de onderzoeksopdracht aan de ACVZ ruim geformuleerd. Op 19 juli 2004 heb ik de ACVZ gevraagd om met betrekking tot de Contourennota een beleidsgeoriënteerd juridisch onderzoek in te stellen, en aan de hand daarvan te adviseren of het op grond van nationale en internationale wetgeving en verdragen mogelijk is om een te sanctioneren inburgeringsplicht op te leggen aan:
- Nederlanders en vreemdelingen die geboren zijn buiten het grondgebied van de EU dan wel de EER (in Europa), en
- Nederlanders die zijn genaturaliseerd vóór 1 april 2003 (op basis van de oude Rijkswet op het Nederlanderschap). De ACVZ heeft hierover inmiddels advies uitgebracht.1
Voornaamste conclusie van de ACVZ
De ACVZ onderschrijft de door het kabinet beschreven dringende noodzaak tot inburgering van grote groepen personen in de Nederlandse samenleving. De ACVZ komt echter tot de conclusie dat het voorgestelde juridische stels el deels niet houdbaar en deels uiterst problematisch is. De ACVZ doet een voorstel voor een stelsel dat naar haar inzicht wel juridisch houdbaar is, omdat het als onderscheidend criterium hanteert of degene die het betreft wel of geen inburgering nodig heeft. Dit onderscheidend criterium verplicht alle groepen, die binnen de doelgroep van het kabinet vallen, tot inburgering, zonder dat dit leidt tot een verboden onderscheid.
Gelijkheidsbeginsel
Ik deel de opvatting van de ACVZ dat het van essentieel belang is dat het onderscheid tussen wie wel en niet de inburgeringsplicht opgelegd krijgt op een juridisch toelaatbare wijze wordt gemaakt. Een dergelijk onderscheid kan alleen worden gemaakt indien:
- de maatregel een legitiem doel dient, niet discriminatoir is en er een zwaarwegende reden aan ten grondslag ligt;
- de maatregel geschikt (‘fit’) is (met de maatregel kan het doel worden bereikt);
- de maatregel voldoet aan de eis van subsidiariteit; en
- de maatregel voldoet aan de eis van proportionaliteit.
De ACVZ is van mening dat het onderscheid van de Contourennota in onvoldoende mate aansluit bij het doel. Gezien de doelstelling worden ten onrechte bepaalde groepen buiten de inburgeringsplicht gehouden, terwijl er ook groepen zijn die wél inburgeringsplichtig worden geacht, maar dit objectief gezien in het geheel niet nodig hebben. Voorts zou er naar het oordeel van de ACVZ, in het algemeen gesproken, kunnen worden gesteld dat aan de subsidiariteitseis is voldaan voor zover het de mate van verplichtendheid betreft. Voor zover het in de Contourennota gemaakte onderscheid betreft, is dat volgens de ACVZ lang niet zeker. Wat betreft onderdeel d of het middel wel in redelijke verhouding staat tot het doel (proportionaliteitseis) is het de vraag of, bij een eventuele cumulatie van sancties, de nagestreefde doelstelling nog wel proportioneel is aan de geschonden belangen in het concrete geval. In de situatie dat niet alle sancties cumulatief worden opgelegd, kan volgens de ACVZ in zijn algemeenheid worden gesteld dat er een proportionele verhouding is tussen het algemene belang dat gebaat is met een verplichte inburgering en de geschonden belangen van het individu.
De problemen die de ACVZ ziet op drie hoofdpunten van het systeem van de Contourennota:
- bij het hanteren van het criterium ‘binnen of buiten het grondgebied van EU/EER (in Europa) geboren’;
- bij het hanteren van het criterium ‘genaturaliseerd vóór en na 1 april 2003’;
- bij het gekozen systeem van sanctionering.In het onderstaande geef ik daar tevens mijn reactie op.
1. Het criterium ‘binnen of buiten het grondgebied van EU/EER (in Europa) geboren’
De ACVZ is van mening dat het onderscheid op grond van genoemd criterium een op grond van internationaal en nationaal recht verboden onderscheid naar geboorte/afkomst/ras oplevert en derhalve een objectieve rechtvaardiging behoeft. Hoewel er argumenten te vinden zijn om te concluderen dat het doel legitiem is (niet inherent discriminatoir en voldoende zwaarwegend), neemt dit niet weg dat het onderscheid naar het oordeel van de ACVZ te grofmazig is en geen stand kan houden op grond van de eis dat het middel geschikt moet zijn om het doel te bereiken en vanwege het proportionaliteitsvereiste. Dit is het geval, zo stelt de ACVZ, waar het gaat om onderscheid tussen EU-burgers, tussen derdelanders en tussen Nederlanders onderling. Voor alle categorieën geldt dat een deel dat geen inburgering behoeft, toch inburgeringsplichtig wordt en omgekeerd. Het middel is derhalve “underinclusive” en “overinclusive” en daarom niet geschikt voor het bereiken van het doel van de inburgeringsplicht. Voorts staan de geschonden belangen niet in een evenredige verhouding tot het doel, ook omdat het onderscheid naar zijn aard niet is toegesneden op de nagestreefde doelstelling. Ik kan mij in grote lijnen vinden in deze conclusie van de ACVZ. Het in de Contourennota voorgestelde criterium “geboren buiten de EU/EER” in combinatie met de leeftijd van 16 jaar waarop men inburgeringsplichtig zou worden (met uitzondering van diegenen die nog volledig leerplichtig zijn) leidt inderdaad tot verschillen die niet steeds even goed te rechtvaardigen zijn en onder omstandigheden derhalve strijd kunnen opleveren met het gelijkheidsbeginsel. De voorbeelden die de ACVZ daarvan geeft spreken voor zichzelf.
Internationale verdragen
De ACVZ is nagegaan in hoeverre EU-Associatieverdragen en twee handels- en vriendschapsverdragen, meest begunstigingsclausules die voorkomen in de GATS (General Agreement on Trade in Services) en het Vluchtelingenverdrag belemmeringen opwerpen voor het opleggen van een inburgeringsverplichting.
EU-Associatieverdragen
Met betrekking tot de EU-Associatieverdragen heeft de ACVZ geen bepalingen kunnen vinden die evidente belemmeringen opleveren voor het opleggen van een inburgeringsverplichting. Een uitzondering daarop vormt het EU-Associatieverdrag met Turkije.
Bij de behandeling van de Contourennota heb ik gezegd dat ik geen strijd zie met het EU-Associatieverdrag met Turkije in het geval een inburgeringsplicht aan Turken wordt opgelegd. De argumenten die ik daarvoor gaf waren dat een verplichte inburgering het verrichten van arbeid - het ultieme onderdeel van het Associatieverdrag niet in de weg staat. Het is juist bedoeld om arbeid mogelijk te maken. Als mensen beter Nederlands kunnen spreken en ingeburgerd zijn, zal de kans op een baan groter zijn. Zoals blijkt uit het advies van de ACVZ en het onderzoeksrapport van de Universiteit van Tilburg is in de jurisprudentie geen duidelijke steun hiervoor te vinden. Uit bepaalde arresten van het Hof kan worden geconcludeerd dat het opleggen van een inburgeringsplicht aan Turkse zelfstandigen en dienstverleners niet mogelijk is en dat het opleggen van een inburgeringsplicht aan werknemers en hun gezinsleden mogelijk in strijd is met het Associatierecht, namelijk voorzover de inburgeringsplicht niet als toelatingsvoorwaarden maar als voorwaarde voor toegang tot de arbeidsmarkt zou worden aangemerkt. In bijlage IV van de brief zijn de belangrijkste conclusies van het eerder genoemde onderzoeksrapport van de Universiteit van Tilburg opgenomen. Daarin wordt ingegaan op de vraag welke categorieën Turken een inburgeringsplicht (behalen van het basisexamen in het buitenland en behalen van het inburgeringsexamen in Nederland) wel en niet kan worden opgelegd en voor welke situaties dat op grond van het ontbreken van jurisprudentie niet duidelijk is.
Handels- en vriendschapsverdragen
De ACVZ meldt dat het aantal van dit type verdragen zo omvangrijk is dat binnen het gegeven tijdsbestek niet kon worden overzien of en in hoeverre uit al deze verdragen belemmeringen voortvloeien voor het opleggen van de inburgeringsplicht. De ACVZ geeft aan dat per verdrag zal moeten worden bezien of er bepalingen instaan die een inburgeringsplicht in de weg staan. Ook daarbij geldt, als ik de ACVZ goed begrijp, dat een inburgeringsplicht die wordt opgelegd aan onderdanen van de verdragsstaten (die vrijwel zonder uitzondering buiten het grondgebied van de EU/EER zullen zijn geboren), en niet aan Nederlanders die in Nederland zijn geboren, minder goed te rechtvaardigen valt dan een inburgeringsplicht die niet zou aanknopen bij geboorte/afkomst.
Vluchtelingenverdrag
In tegenstelling tot de opvatting van de ACVZ ben ik van mening dat het opleggen van een inburgeringsverplichting aan vluchtelingen niet in strijd is met artikel 34 van het Vluchtelingenverdrag. Behalve de speciale behandeling van vluchtelingen in het inburgering(s)stelsel waaraan de ACVZ refereert, is in bijgaande brief aangegeven dat uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die beschikbaar moeten zijn voor de arbeidsmarkt, waaronder met name vluchtelingen die nieuwkomers zijn, zoveel mogelijk een gecombineerd reïntegratie/inburgeringstraject krijgen aangeboden, tegen een beperkte eigen bijdrage. Derhalve kan niet worden gesteld dat de inburgeringsplicht geheel voor rekening van de vluchteling komt. Dit kan ook niet worden gesteld in de situatie dat de vluchteling een eigen inburgeringstraject dient in te kopen. In dat geval wordt de vluchteling gefaciliteerd in de vorm van een krediet en een gemaximeerde vergoeding bij het behalen van het inburgeringsexamen.
2. Het criterium ‘genaturaliseerd vóór 1 april 2003’
Dat met het criterium ‘genaturaliseerd vóór 1 april 2003’ onderscheid tussen Nederlanders wordt gemaakt op grond van hun afkomst onderschrijf ik niet. Het criterium is opgenomen omdat op 1 april 2003 de herziene Rijkswet op het Nederlanderschap in werking is getreden. In deze herziene Rijkswet geldt voor iedereen de voorwaarde dat de naturalisatietoets op niveau A2 moet zijn behaald alvorens het Nederlanderschap kan worden verkregen. Onder de oude Rijkswet was een dergelijke uniforme toets niet voorgeschreven. Aan de ACVZ heb ik ook de vraag voorgelegd of het opleggen van een (met behulp van sancties te handhaven) inburgeringsplicht aan buiten de EU/EER geboren personen die vóór 1 april 2003 tot Nederlander zijn genaturaliseerd in strijd zou kunnen zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. Volgens de ACVZ kunnen burgerschapsrechten ook in negatieve zin worden gewijzigd bij wet. Er kunnen geen gerechtvaardigde verwachtingen bestaan dat dit nimmer zal gebeuren. Wel mocht de vóór 1 april 2003 genaturaliseerde Nederlander er vanuit gaan dat hij ook met betrekking tot inburgering niet anders zou worden behandeld dan andere Nederlanders. Deze gerechtvaardigde verwachting kon mede worden ontleend aan het bepaalde in artikel 7 en 8 van de toen geldende Rijkswet op het Nederlanderschap. Het is volgens de ACVZ daarom aan ernstige twijfel onderhevig of de verplichting tot inburgering in het systeem van de Contourennota, mede gelet op het belastende karakter daarvan, niet in strijd komt met het algemene beginsel der rechtszekerheid.
In het voorstel van de ACVZ worden alle Nederlanders die inburgeringsbehoeftig zijn gelijk behandeld. In het voorstel van de ACVZ wordt geen onderscheid gemaakt tussen Nederlanders die hier of in het buitenland geboren zijn of - door naturalisatie -Nederlander zijn geworden. Het verheugt mij dat de ACVZ vaststelt dat haar systeem geen spanning oplevert met het rechtszekerheidsbeginsel. De personen die vóór 1 april 2003 tot Nederlander zijn genaturaliseerd worden in haar voorstel niet anders behandeld dan de overige Nederlanders, zoals zij mochten verwachten. Overigens zullen genaturaliseerde Nederlanders die na 1 april 2003 zijn genaturaliseerd worden vrijgesteld op basis van de door hen afgelegde toets20. Deze toets is te vergelijken met de diploma’s op grond waarvan men in het ACVZ-systeem is vrijgesteld van de inburgeringsplic ht. In het nieuwe inburgering(s)stelsel zal voorts zoveel mogelijk worden voorkomen dat personen die niet inburgeringsbehoeftig zijn tot inburgering worden verplicht. Dat geldt ook voor genaturaliseerden van vóór 1 april 2003 die niet inburgeringsbehoeftig zijn.
3. De sanctionering
Als derde onderwerp heeft de ACVZ het voorgestelde sanctiesysteem onder de loupe genomen, vooral het opleggen van boetes aan inburgeringsplichtigen die niet voldoen aan de meldplicht (in geval van intake en voortgangscontrole) en niet binnen de gestelde termijn slagen voor het inburgeringsexamen. De ACVZ concludeert dat er problemen zijn met de juridische houdbaarheid van de gekozen sanctie evenals bij de praktische toepassing ervan. Ik ben het met de ACVZ eens dat de bestuurlijke boete moet worden gezien als een ‘punitieve’ sanctie, dat wil zeggen met de bedoeling degene die de sanctie ondergaat te straffen. Hoewel ook in het bestuursrecht, net als in het strafrecht, het adagium “geen straf zonder schuld geldt”, is het in het bestuursrecht niet zo, dat schuld in de zin van verwijtbaarheid een bestanddeel van het delict is, dat door de overheid moet worden bewezen. Het bestuursorgaan mag de verwijtbaarheid veronderstellen als het daderschap vaststaat. De overtreder zal zich echter te allen tijde op “afwezigheid van alle schuld” kunnen beroepen door deze afwezigheid aannemelijk te maken. Ook indien de overheid uit anderen hoofde reeds weet heeft van bijzondere omstandigheden die de afwezigheid van schuld impliceren moet zij daarmee rekening houden. Voor het nieuwe inburgering(s)stelsel betekent dit het volgende. Op grond van het advies van de Commissie Franssen, zie bijlage II bij deze brief, kan ervan worden uitgegaan dat het examen voor de gemiddelde inburgeraar redelijkerwijs te halen is binnen de daarvoor gestelde termijn. Op basis daarvan mag in beginsel de verwijtbaarheid worden verondersteld indien het resultaat uitblijft. De gemeente zal bij het opleggen van de boete (indien het resultaat is uitgebleven) als volgt dienen te handelen:
- tenzij de gemeente - bijv. op grond van de voortgangscontrole
- weet heeft van bijzondere omstandigheden die de verwijtbaarheid aan het niet behalen van het resultaat ontnemen, zal het voornemen om de boete op te leggen aan de inburgeraar bekend worden gemaakt;
- de inburgeraar zal zich tegen het opleggen van de boete kunnen verweren
door aannemelijk te maken dat hem geen verwijt treft. Als de overheid mensen wil “straffen”, moeten alle individuele omstandigheden worden verdisconteerd. Daarom heb ik het voornemen om eerder in het systeem individuele omstandigheden te verdisconteren. Hierbij denk ik aan het opschorten of verlengen van termijnen of ontheffing van de inburgeringsplicht indien ondanks geleverde inspanningen het behalen van het examen niet mogelijk is gebleken. Hiermee kunnen problemen in de fase van het beboeten worden voorkomen. Ik verwacht dat een dergelijk instrument de uitvoerbaarheid voor gemeenten vergroot. Gelet op dit voornemen neem ik het voorstel van de ACVZ om een verplichte aanvullende intensieve cursus aan te bieden bij het niet behalen van het examen na een aantal vast te stellen pogingen, niet over.
Het voorstel van de ACVZ om bij de meldplicht een nadere omschrijving te geven van objectief vaststelbare gedragingen waaraan moet zijn voldaan, zoals het in het bezit hebben van enig cursus-voorbereidingsmateriaal, dan wel het aantonen van enigerlei vorm van begeleiding neem ik niet over. Dit voorstel spoort niet met de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige. Deze eigen verantwoordelijkheid betekent ook dat de wijze waarop inburgeringsplichtigen zich voorbereiden op het inburgeringsexamen in beginsel vrij is.
Het voorstel van de ACVZ voor een juridisch criterium voor het bepalen aan wie een inburgeringsplicht dient te worden opgelegd
De ACVZ doet een voorstel tot aanpassingen op grond waarvan de juridische constructie volgens de bevindingen van de ACVZ juridisch wel houdbaar is.
De voornaamste aanpassing betreft het niet centraal stellen van afkomst of land van geboorte, maar aan alle personen die duurzaam in Nederland zijn of willen zijn gevestigd, en niet gedurende tenminste acht jaar van de leerplichtige leeftijd in Nederland hebben gewoond in beginsel de inburgering verplicht te stellen. Door het instellen van enkele nadere uitzonderingscategorieën blijft de daadwerkelijke inburgeringsplicht beperkt tot de doelgroep die de regering voor ogen heeft: Nederlanders en vreemdelingen met een onvoldoende kennis van de Nederlandse taal en samenleving. Zoals ik in het bovenstaande heb aangegeven ben ik thans van mening dat het in de Contourennota voorgestelde criterium “geboren buiten de EU/EER” niet altijd even goed te rechtvaardigen valt.
Ik hecht er uiteraard zeer grote waarde aan dat in het nieuwe inburgering(s)stelsel het onderscheid tussen wie wel en niet de inburgeringsplicht opgelegd krijgt op een juridisch toelaatbare wijze wordt gemaakt. Ik ben het met de ACVZ eens dat met wijze waarop de ACVZ de doelgroep omschrijft minder risico bestaat dat er sprake is van een onderscheid dat niet te rechtvaardigen is. Het onderscheidend criterium (niet gedurende tenminste acht jaar van de leerplichtige leeftijd in Nederland hebben gewoond) is een onderscheid dat te rechtvaardigen is: het onderscheid spitst zich toe op het wel of niet kennis hebben van de Nederlandse taal en samenleving. Het doel, iedereen die duurzaam in Nederland verblijft beschikt over voldoende kennis van het Nederlands en de Nederlandse samenleving om in die samenleving te kunnen participeren, correspondeert daarmee. De maatregel is dus proportioneel. Ook voldoet het voorstel aan de eis van subsidiariteit: geen groepen wordt onnodig een belastende verplichting opgelegd.
Uiteraard kan het voorstel van de ACVZ alleen worden overgenomen indien het niveau van het inburgeringsexamen (A2) overeen komt met acht jaar leerplicht in Nederland. Deskundigen hebben mij bevestigd dat op basis van de beschrijving van het niveau A2 bijvoorbeeld: beginnend taalleerder, kan in alledaagse situaties communiceren te verwachten valt dat iemand die na het 5e jaar acht jaar op school heeft gezeten in Nederland dat niveau heeft.
De uitzonderingscategorieën die door de ACVZ worden genoemd komen voor het grootste deel overeen met de uitzonderingscategorieën, genoemd in de Contourennota: personen die op grond van het EU-recht en internationale verdragen niet tot inburgering kunnen worden verplicht, personen van 65 jaar en ouder en personen die bijvoorbeeld in het bezit zijn van Nederlandse, Antilliaanse of Arubaanse diploma’s op het niveau van wetenschappelijk onderwijs, hoger beroepsonderwijs en bepaalde vormen van voortgezet onderwijs.
Wat betreft de uit te zonderen personen die in het bezit zijn van een buiten Koninkrijk behaald diploma op het niveau van vmbo, mbo, hbo of universiteit, dat tevens inhoudt dat de bezitter de Nederlandse taal beheerst heb ik, gelet op de fraudegevoeligheid ervan, grote aarzelingen. Eerst zal nagegaan moeten worden of die fraudegevoeligheid tot een aanvaardbaar risico kan worden beperkt.
Voor mijn reactie op de opmerkingen van de ACVZ over de genaturaliseerde Nederlanders van vóór 1 april 2003 en over het sanctiesysteem verwijs ik kortheidshalve naar het bovenstaande.
Ik ben het met de ACVZ eens dat het mogelijk is om de gevraagde gegevens die nodig zijn om het voorstel van de ACVZ uit te voeren, hoewel in sommige gevallen bewerkelijk, uit de GBA zijn te selecteren. In bepaalde gevallen is onderzoek slechts aan de hand van persoonskaarten mogelijk. Ik bezie nog of ik het voorstel van de ACVZ volg om dit handmatig onderzoek alleen te verrichten indien er contra-indicaties zijn. De ACVZ is van mening dat de groep, die vanwege buitenlands verblijf van meer dan vier jaar toch inburgeringsplichtig is, naar alle waarschijnlijkheid niet groot zal zijn, mede omdat een deel van deze groep wel zal beschikken over een Nederlands middelbare schooldiploma waardoor de inburgeringsplicht vervalt.
Met de ACVZ acht ik positieve prikkels van groot belang. Echter het eerder verkrijgen van een vergunning voor onbepaalde tijd voor nieuwkomers acht ik niet wenselijk, omdat de termijn waarop een vergunning voor onbepaalde tijd asiel kan worden aangevraagd recentelijk is verlengd van 3 naar 5 jaar. Wat betreft het verbinden van het behalen van het inburgeringsexamen aan toelating tot voorgezette schoolopleidingen wordt opgemerkt dat thans bijvoorbeeld de lagere opleidingen (niveau 1 en 2) in het MBO-onderwijs een drempelloze instroom kennen. Dat wil zeggen aan deelnemers worden niet vooraf eisen gesteld aan bijvoorbeeld de taalvaardigheid. Mijns inziens zou daarom de positieve prikkel die uitgaat van een formeel civiel effect dat aan het inburgeringsexamen verbonden wordt, leiden tot hogere drempels voor instroom in het MBO-stelsel. Zeker gezien het feit dat ik juist ook het in de tijd combineren van beroepsonderwijs en/of reïntegratie met inburgering een succesvolle route voor inburgeraars acht, lijkt mij dat het opvolgen van dit advies eerder leidt tot het volgtijdelijk achter elkaar plaatsen van inburgering en beroepsonderwijs. Dat is niet wenselijk. In de afgelopen jaren heb ik de campagne Nieuwe Kansen voor Anderstaligen in het Beroepsonderwijs gefaciliteerd die gericht is op de ontwikkeling van geïntegreerde scholingstrajecten waarbij taalonderwijs en vakonderwijs zoveel mogelijk worden geïntegreerd. Het is uitdrukkelijk de bedoeling dat inburgeringsplichtigen indien zij een beroepsopleiding op niveau 1 en 2 gaan volgen daarbij gelijktijdig een NT2- opleiding gaan volgen.
Tot slot stelt de ACVZ als mogelijk sluitstuk van regeling voor een elektronisch toetsingssysteem beschikbaar te hebben (een quick scan). Hoewel het door de ACVZ voorgestelde systeem veel nauwkeuriger dan het systeem Contourennota leidt tot een onderscheid tussen degene die wel en niet voldoende kennis van de Nederlandse taal en samenleving hebben, kan het ook in het ACVZ-systeem bij wijze van uitzondering voorkomen dat er ongediplomeerden zijn die volgens de regels inburgeringsplichtig worden terwijl zij evident aan alle eisen voldoen. Daarom zou kunnen worden overwogen om voor wie stelt tot die groep te behoren een elektronische Quick Scan beschikbaar te hebben. Als zich iemand bij gelegenheid van de melding daarop beroept, kan direct worden vastgesteld dat een normale examenverplichting overbodig is. Ik zal deze suggestie van de ACVZ verder bestuderen. Voor het examen in het buitenland is een systeem van proefexamens ontwikkeld waarmee de aanvrager van een mvv, zich tegen relatief geringe kosten vooraf kan vergewissen of hij kans van slagen heeft om het examen te behalen. Ik zal onderzoeken of er een mogelijkheid bestaat om voor het inburgeringsexamen in Nederland een dergelijk systeem op te zetten. Voorop staat echter dat iedere inburgeringsplichtige moet kunnen bewijzen dat hij/zij aan de eisen van het examen voldoet. In tegenstelling tot de ACVZ zie ik een electronisch toetsingssysteem als een instrument dat de inburgeringsplichtige zelf ten dienste staat, en niet de overheid. Indien een quickscan ertoe leidt dat de inburgeraar ervan overtuigd is dat hij/zij aan de eisen van het examen voldoet, en dat niet middels andere formele bewijzen kan aantonen, zou hij ertoe kunnen overgaan om zich te onderwerpen aan het inburgeringsexamen en bij goed gevolg dan kunnen aantonen dat hij voldaan heeft aan de eisen van de wet.
Alles overwegende heb ik besloten het voorstel van de ACVZ voor een ander juridisch criterium voor het opleggen van de inburgeringsplicht over te nemen. Ik teken daarbij aan dat ik de suggestie om de inburgeringsplicht bij Rijkswet vast te stellen niet volg. De inbreng van de Nederlandse Antillen en Aruba kan in voldoende mate gestalte krijgen in de ‘gewone’ wetgevingsprocedure.
1 “Van Contourennota naar Inburgeringswet; Juridische mogelijkheden tot een meer verplichtend inburgering(s)stelsel”, ACVZ, november 2004
2 Dit uitgangspunt leidt uitzondering indien de naturalisatietoets op de Nederlandse Antillen en Aruba in het Engels of het Papiaments wordt afgelegd.