Rapportage Taskforce Inburgering 2000-2001
1. Inleiding
Met deze rapportage
informeert de Taskforce Inburgering u over de stand van zaken met
betrekking tot haar drie deelopdrachten te weten:
-
het wegwerken van de
wachtlijsten NT2
-
de verbetering van het
inburgeringsproces
-
stroomlijning van de
informatievoorziening
De afgelopen periode
heeft het wegwerken van de wachtlijsten NT2 hoge prioriteit gehad. In
paragraaf 2 van deze notitie wordt u over de stand van zaken inzake
dit deelproject van de Taskforce geïnformeerd. In paragraaf 3
presenteert de Taskforce vervolgens de hoofdlijnen van het plan van
aanpak voor de verbetering van het inburgeringsproces . Dit plan van
aanpak heeft de instemming van de stuurgroep Taskforce Inburgering,
waarin representanten van de gemeenten, ROC´s, het landelijk
CWI-bestuur en de vier betrokken departementen zitting hebben. In
paragraaf 4 treft u de samenvatting voor het plan van aanpak voor de
stroomlijning en verbetering van de informatievoorziening aan.
2. Wegwerken
wachtlijsten NT2
2.1. Inleiding
Het kabinet heeft naar
aanleiding van het Integratiedebat met de voorzitters van de Tweede
Kamerfracties op 18 en 20 april 2000, de Taskforce Inburgering de
opdracht gegeven ervoor te zorgen dat de personen die op dat moment op
een wachtlijst stonden, binnen één jaar een taalaanbod zouden krijgen.
De Taskforce doet hierbij verslag van de wijze waarop zij haar eerste
deelopdracht met betrekking tot het wegwerken van de wachtlijsten ter
hand heeft genomen. Vervolgens gaat zij in op de stand van zaken met
betrekking tot het wegwerken van de wachtlijsten en rapporteert zij
haar bevindingen over de wijze waarop gemeenten en ROC's in de
uitvoering omgaan met wachtlijsten. Tot slot doet de Taskforce in deze
paragraaf een aantal voorstellen om de komende jaren tot een betere
afstemming van vraag en aanbod voor oudkomers te komen en geeft ze aan
welke rol wachtlijstbeleid en -beheer daarbij speelt.
2.2. De aanpak van het
wegwerken van de wachtlijsten
Voor het verkrijgen van
een meer betrouwbaar beeld over de omvang en samenstelling van de
wachtlijsten, heeft de Taskforce de onderzoeksbureaus Regioplan en
CINOP opdracht gegeven de telling die in december 1999 door de
Inspectie van het Onderwijs was uitgevoerd te valideren. Tevens werd
besloten om voor het kunnen volgen van het verloop van de wachtlijst
ieder kwartaal een vervolgonderzoek te doen.
Op basis van de eerste
meting, uitgevoerd door beide onderzoeksbureaus stelde de Taskforce
vast dat 90 procent van de wachtlijstproblematiek was geconcentreerd
in 15 ROC-regio's. In elk van deze regio's stonden méér dan 150
personen op de wachtlijst. Op grond hiervan besloot de Taskforce zich
primair op deze regio's te richten.
Met de betreffende
gemeenten en ROC's zijn convenanten afgesloten of anderszins
schriftelijke afspraken gemaakt waarin de partijen onderling
overeenkwamen om de noodzakelijke maatregelen te treffen om alle
personen die op 1 juli 2000 op de wachtlijst stonden een passend
onderwijsaanbod te doen. Afhankelijk van de geconstateerde oorzaken
voor het ontstaan van de wachtlijsten is met de regio's afgesproken om
onder meer de volgende maatregelen te treffen:
-
een versnelde intake
van personen op de wachtlijst;
-
uitbreiding van het
aantal cursusgroepen;
-
flexibilisering van
het aanbod door extra avondgroepen te starten en door uitbreiding
van het gebruik van open leercentra;
-
uitbreiding van het
aantal instroommomenten;
-
het realiseren van
extra docentcapaciteit;
-
uitbreiding van de
kinderopvangvoorzieningen.
Om de voortgang van de
gemaakte afspraken te volgen zijn in nagenoeg alle 15 regio´s
regionale Taskforces geformeerd, waarin het ROC en de gemeente(n)
zitting hebben. Medewerkers van de landelijke Taskforce boden waar
nodig ondersteuning. De regio´s met méér dan 150 personen op de
wachtlijst hebben op grond van het besluit van de minister voor Grote
Steden- en Integratiebeleid van 15 december 2000 (Eenmalige
bijdrageregeling wegwerken wachtlijsten taallessen) een financiële
bijdrage gekregen (in totaal f. 5 miljoen) voor het aanbrengen van een
versnelling in het wegwerken van de wachtlijsten.
Vanaf maart 2001 breidde
de Taskforce haar werkzaamheden uit naar 7 regio's die weliswaar
minder dan 150 wachtenden hadden, maar die -blijkens het
Regioplan/CINOP onderzoek- tussen 1 juli en 1 december slechts
beperkte voortgang hadden geboekt in het wegwerken van hun
wachtlijsten.
Ten slotte heeft de
Taskforce de gemeenten in de resterende regio's met een zeer geringe
wachtlijst met minder dan 50 wachtenden schriftelijk benaderd met het
verzoek zich tot het uiterste in te spannen om de wachtlijsten van
vorig jaar weg te werken.
2.3. De stand van
zaken met het wegwerken van de wachtlijsten
Door Regioplan/CINOP
wordt in het cursusjaar 2000/2001 vier keer de omvang en samenstelling
van de wachtlijsten onderzocht. In aansluiting op eerder aangehaald
onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs werd een wachttijd van 2
maanden als wachtlijstcriterium gehanteerd.
De eerste drie metingen
hadden betrekking op de stand van de wachtlijst op 1 juli 2000, 1
december 2000 en 15 februari 2001. De laatste meting betreft de stand
van 1 mei 2001. Over de eerste twee metingen is al gerapporteerd aan
de Tweede Kamer. De rapportage over de derde meting van 15 februari
wordt u tegelijkertijd met deze rapportage aangeboden. De vierde
meting zal voor wat betreft het kwantitatieve deel vóór het zomerreces
aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Het kwalitatieve deel zal zo
spoedig mogelijk na het zomerreces volgen.
De rapportages van de
stand van juli 2000, december 2000 en februari 2001 gaven het volgende
beeld:
|
Aantal personen
van de wachtlijst van 1 juli 2000 dat op 1 december 2000 en 15
februari 2001 nog steeds op de wachtlijst staat |
|
1 juli |
1 december |
15 februari |
|
10.202 |
3.475 (34%) |
2.124 (21%) |
Door de inspanningen van
alle betrokkenen is het gelukt om een substantieel deel van de
personen die op 1 juli op de wachtlijst stonden een onderwijsaanbod te
doen. Op 1 december stond nog 34 procent van de betreffende personen
op de wachtlijst, op 15 februari bedroeg dit nog 21 procent .
De Taskforce verwacht op
grond van aanvullende informatie, die afkomstig is van de top-15
regio's uit de maanden maart en april, dat op 1 mei ongeveer 5 procent
van de oorspronkelijke wachtlijst van 1 juli 2000 niet is weggewerkt.
In juli vorig jaar bedroeg het percentage wachtenden dat méér dan een
jaar op een cursusaanbod wachtte nog zo'n 35 procent van de toenmalige
wachtlijst. Hiermee kan worden geconstateerd dat er sprake is van een
aanzienlijk snellere doorstroming en een substantieel kortere
wachttijd voor de desbetreffende personen.
Omvang totale wachtlijst
|
Aantal personen
van de wachtlijst van 1 juli 2000 dat op 1 december 2000 en 15
februari 2001 nog steeds op de wachtlijst staat |
|
1 juli |
1 december |
15 februari |
|
10.202 |
9.668 |
9.302 |
Ondanks de snellere
doorstroming is de omvang van de totale wachtlijst maar in beperkte
mate afgenomen. De Taskforce concludeert hieruit dat zich steeds weer
nieuwe cursisten aanmelden uit een grote groep oudkomers die ervaren
onvoldoende ingeburgerd te zijn. Dit is vanuit integratieperspectief
een gunstige ontwikkeling, maar vereist een structurele aanpak van de
wachtlijstproblematiek. In de oudkomersnotitie worden daartoe
voorstellen gedaan.
Regioplan/CINOP zal met
de vierde meting van 1 mei a.s. nagaan, wat de redenen zijn waarom nog
ongeveer 5 procent van de oorspronkelijke populatie van 1 juli 2000 op
de wachtlijst staat. De Taskforce vermoedt op grond van haar inmiddels
opgebouwde kennis van en ervaring met de wachtlijstproblematiek in de
uitvoeringspraktijk dat er verschillende redenen zijn. Deze betreffen
enerzijds persoonlijke omstandigheden zoals ziekte, zwangerschap of
het hebben van werk, anderzijds een te specifieke onderwijsvraag (in
de combinatie tijden, niveau, samenstelling groep, locatie), het niet
tijdig kunnen realiseren van kinderopvang en demotivatie als gevolg
van lange wachttijden.
Naar aanleiding van
signalen uit het veld heeft Regioplan/CINOP een nadere analyse (een
zgn. cohort-onderzoek) uitgevoerd naar personen op de wachtlijst van
een zevental ROC's. Uit de rapportage blijkt dat een deel van deze
personen geen gehoor heeft gegeven aan een (herhaalde) oproep voor een
intake of tijdens de intake te kennen gaf op dit moment geen cursus te
willen of kunnen volgen. Deze ROC's voeren deze personen dan van de
wachtlijst af (het zogenaamde opschonen van de wachtlijst).
Daarnaast wordt in de
rapportage door Cinop/Regioplan geconstateerd dat bij de personen die
wel een cursus starten sprake is van een aanzienlijk percentage
uitvallers tijdens de cursus.
Een complex van factoren
speelt ook hierbij een rol. De betreffende factoren hebben wij
hierboven reeds aangestipt..
Bij de 7 ROC´s in de
steekproef loopt de uitval bij de start en tijdens de cursus op naar
bijna 37 procent. Nog weer of nog steeds op de wachtlijst staat 33
procent en feitelijk neemt een kleine 30 procent op het moment van de
meting deel aan de cursus. Opvallend is hierbij de grote bandbreedte
tussen de ROC´s variërend van 14 tot 50 procent. Deze cijfers roepen
vragen op over de effectiviteit van het aanbod aan oudkomers. Daarbij
moet tevens bedacht worden dat een aanzienlijk deel van de oudkomers
op vrijwillige basis deelneemt aan de taalcursus, voor degenen die een
uitkering hebben bestaat de mogelijkheid om in dat kader te
sanctioneren bij het niet deelnemen of stoppen met de cursus, voor de
overigen bestaat geen sanctiemogelijkheid. De Taskforce is van mening
dat dient te worden nagegaan of deze groep kan worden aangesproken op
de eigen verantwoordelijkheid door het vastleggen van de
verplichtingen van onderwijsinstelling en cursist jegens elkaar in de
vorm van een contract.
2.4. Bevindingen over
de wijze waarop gemeenten en ROC's omgaan met wachtlijsten
Op basis van de opgedane
ervaringen met het wegwerken van de wachtlijsten constateert de
Taskforce het volgende:
a. Inzicht in
discrepantie vraag en aanbod c.q. wachtlijsten oudkomers
Het wachtlijstbeheer ligt
veelal in handen van ROC's. Gemeenten hebben in veel gevallen geen
zicht op de omvang van de wachtlijst en weten niet wie er op staan,
hoe lang personen er op staan en wat de oorzaken zijn van het bestaan
ervan..
b. Aansturing van
gemeenten
Mede als gevolg van
bovenstaande hebben gemeenten wachtlijsten ook lange tijd als het
probleem van de ROC's beschouwd. Gemeenten stuurden daarom nauwelijks
op de wachtlijstproblematiek in de vorm van het vergroten van het
aanbod van onderwijsplaatsen, kinderopvangplaatsen, uitvalbeleid etc..
In de huidige verantwoordelijkheidsverdeling zijn ROC's zonder
gemeentelijke aansturing niet in staat om eigenstandig de problematiek
op te lossen. Gemeentelijk beleid inzake inburgering vergt afstemming
van vraag en aanbod, het creëren van voorzieningen zoals kinderopvang
en begeleiding, alsmede gemeentelijk beleid inzake uitval dient
hieraan ten grondslag te liggen.
c. Het wachtlijstbeleid
en -beheer van ROC's.
De informatievoorziening
inzake de wachtlijsten is op een groot aantal ROC's onvoldoende om
adequaat wachtlijstbeleid te kunnen voeren. Het verzamelen van de
informatie over wachtlijsten in het kader van de metingen van
Regioplan/CINOP bleek dan ook voor veel ROC's een grote opgave.
Daarbij komt dat ROC's hun wachtlijst verschillend definiëren. Ook
lopen de meningen uiteen over wat acceptabele wachttijden zijn en wie
er op de wachtlijst mogen/moeten staan. Tenslotte vindt niet overal
een regelmatige opschoning van de wachtlijst plaats. Naast het feit
dat ROC's hierdoor onvoldoende in staat zijn om de onderwijsvraag qua
omvang en inhoud duidelijk aan gemeenten te presenteren, beperken
dergelijke verschillen ook de onderlinge vergelijkbaarheid van de
wachtlijsten op landelijk niveau aanzienlijk.
Overigens hebben de
activiteiten ten aanzien van het wegwerken van de wachtlijsten er
zowel bij ROC's als gemeenten toe geleid dat bewuster met
wachtlijstbeleid en -beheer aan de slag is gegaan. Gemeenten hebben
meer zicht op de onderwijsvraag van oudkomers en meer inzicht in de
knelpunten in het organiseren van het aanbod gekregen. De Taskforce
stelt voor deze ontwikkeling in de richting van het managen van vraag
en aanbod mede door verdere intensivering en verbreding van het
wachtlijstbeleid en - beheer verder te stimuleren.
2.5. Voorstellen
afstemming vraag en aanbod; wachtlijstbeleid en -beheer
De komende jaren wordt
het oudkomersbeleid geïntensiveerd. Gemeenten staan daarbij voor de
opgave vraag en aanbod zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. Dat
is niet alleen een kwantitatief vraagstuk. Het is duidelijk geworden
dat de effectiviteit van geïsoleerde NT2-programma's beperkt is. De
Taskforce is van mening dat de ontwikkeling van een op de
verschillende groepen oudkomers toegesneden onderwijsaanbod sterker
dient te worden gestimuleerd. Hierbij wordt taalverwerving
gecombineerd met regulier werk, beroepsonderwijs, sociale activering
of opvoedingsondersteuning. Een deel van de oudkomers zal in eerste
instantie veel meer behoefte hebben aan een laagdrempelig aanbod in de
buurt en gericht op communicatie. Daarnaast is het van belang dat ook
voor oudkomers een goede intake plaats vindt en trajectbegeleiding
wordt opgezet. In het kader van deelopdracht 2 die betrekking heeft op
het verbeteren van het inburgeringsproces - op de hoofdlijnen van het
plan van aanpak wordt in de volgende paragraaf nader ingegaan - zal de
Taskforce initiatieven nemen om gemeenten en andere
uitvoeringsorganisaties daarbij te ondersteunen
Eén van de instrumenten
om vraag en aanbod van oudkomers goed op elkaar af te stemmen, is ook
het ontwikkelen en uitvoeren van wachtlijstbeleid- en beheer.
Wachtlijsten zijn immers een graadmeter voor de afstemming tussen
vraag en aanbod. Naar aanleiding van de uitslag van deze graadmeter
moet wel snel en intensief beleid worden gevoerd. De Taskforce stelt
in dit kader voor:
a. om gemeenten méér
verantwoordelijkheid te geven voor wachtlijstbeleid en -beheer en dit
onderdeel te maken van de contracten tussen gemeenten en ROC's;
b. dat ROC's zich
verantwoordelijk voelen voor de uitvoering van de overeengekomen
afspraken met de gemeenten.
Volgens de Taskforce
laat de uitvoering van deelopdracht 1 betreffende het wegwerken van de
wachtlijsten ook zien dat voor de landelijke vergelijkbaarheid van de
wachtlijsten en een adequaat landelijk oudkomersbeleid een minimale
set aan landelijke gegevens nodig is. Met betrekking tot de minimale
set landelijke gegevens wordt het volgende voorgesteld:
a. in aansluiting op de
regeling die geldt voor nieuwkomers ook voor oudkomers een maximale
wachttijd van 4 maanden af te spreken;
b. alleen personen op de
wachtlijst te plaatsen die geen onderwijsaanbod krijgen op grond van
omstandigheden die door de gemeente en/of onderwijsinstelling
beïnvloedbaar zijn (onvoldoende capaciteit; het aanbod sluit niet aan
op de vraag of onvoldoende kinderopvang);
c. ten minste ieder half
jaar de wachtlijsten op te schonen.
De VNG en de BVE-Raad hebben zich bereid verklaard om met de Taskforce
bovenstaande uitgangspunten in een convenant vast te leggen en
gezamenlijk uit te dragen naar de diverse betrokkenen. Het overleg
daarover wordt momenteel gevoerd.
In het kader van
deelopdracht 2 -verbetering van het inburgeringsproces- zal de
Taskforce samen met gemeenten en ROC´s voorbeelden ontwikkelen over de
wijze waarop afstemming van vraag en aanbod in samenhang met
wachtlijstbeleid en -beheer kan worden vorm gegeven.
2.6. Conclusies
Naar aanleiding van het
wegwerken van de wachtlijsten kunnen de volgende conclusies worden
getrokken:
a. De wachtlijsten van 1
juli 2000 zijn naar verwachting voor circa 95 procent weggewerkt.
Hiermee is sprake van een aanzienlijke snellere doorstroming en een
substantieel kortere wachttijd. De verwachte 5 procent die resteert,
betreft naar verwachting personen die door persoonlijke omstandigheden
of door gebrek aan passende kinderopvang of door een (te) specifieke
onderwijsvraag niet voor 1 mei kunnen worden bediend.
b. Hierbij dient te
worden aangetekend dat van de genoemde 95 % een substantieel deel -zie
ook onder 2.3.geen feitelijk onderwijs heeft aangevangen, maar is
uitgevallen in de verschillende fasen van het traject tussen aanbod en
afronding van het programma
c. Het wegwerken van de
wachtlijst van 1 juli 2000 heeft er niet toe geleid dat structureel de
wachtlijsten kleiner zijn geworden. Op dit moment is nog steeds sprake
van een aanzienlijke wachtlijst.
d. Het wegwerken van de
wachtlijst heeft ertoe geleid dat bij gemeenten en ROC's sprake is van
bewustwording van de wachtlijstproblematiek en de mogelijkheden om ten
minste aan beheersing van de wachttijd te doen.Hierbij is het voeren
van 'integraal' beleid noodzakelijk. Dit houdt in dat ingezet moet
worden op: uitbreiding en flexibilisering van het aanbod, vergroten
van de onderwijscapaciteit, verbeteren van voorzieningen als
kinderopvang, meer sturen op uitval- en sanctiebeleid, prioritering
van (sub)doelgroepen, aansluiten bij de specifieke onderwijsvragen van
oudkomers en het realiseren van acceptabele wachttijden.
3. Plan van aanpak
verbetering inburgeringsproces
3.1. Visie
Het inburgeringsproces
van nieuwkomers, zoals vastgelegd in de WIN, is een eerste stap in het
integratieproces in de Nederlandse maatschappij. Het vormt een opstap
om de maatschappelijke participatie te vergemakkelijken.
De laatste twee jaren is
duidelijk geworden dat de inburgering van nieuwkomers nog op vele
punten verbeterd kan worden. Zo is de uitval van nieuwkomers tijdens
het inburgeringsprogramma hoog en laat de doorgeleiding nog te wensen
over. Tegelijkertijd wordt waargenomen dat een deel van de groep
mensen die al langer in Nederland verblijft nog niet in voldoende mate
de aansluiting met de Nederlandse maatschappij heeft gevonden.
Voldoende redenen om een verbeteringsproces in gang te zetten, waarbij
de focus gericht is op een integrale aanpak en versterking van de
regierol van gemeenten.
Uitgangspunt in dit
verbeteringsproces, waarop de tweede deelopdracht van de Taskforce
zich richt, is het behoud van de eigen verantwoordelijkheden van alle
spelers in het veld. De Taskforce zal dan ook werken vanuit een
bottom-up benadering. Dit betekent in de praktijk dat de Taskforce
een faciliterende en stimulerende rol zal vervullen, en dat de
gemeenten en uitvoeringsorganisaties een eigen bijdrage leveren aan
het verbeteren van het inburgeringsproces.
3.2. Centrale
doelstellingen
De Taskforce heeft de
volgende doelstellingen:
a. Het samen met
gemeenten en andere actoren ontwikkelen van oplossingen voor bestaande
knelpunten in de inburgeringsketen.
b. Het versterken en
bevorderen van een integrale aanpak van inburgering door gemeenten.
c. Het bevorderen van de
aansluiting van inburgering naar integratie.
3.3. Knelpunten
Er bestaat inmiddels op
basis van uitgevoerd onderzoek een behoorlijk inzicht in de
knelpunten. De eigen waarneming van de Taskforce bevestigt deze
knelpunten. Overigens is het beeld dat het inburgeringsproces over de
gehele linie slecht verloopt onterecht. Gemeenten,ROC´s en andere
uitvoeringsorganisaties spannen zich in om het inburgeringproces te
verbeteren. Er zijn al veel goede verbeteringsinitiatieven in gang
gezet. Bedoelde initiatieven laten onverlet dat er knelpunten zijn.
Het inburgeringsproces, als eerste stap in het integratieproces, met
als uiteindelijk doel te komen tot een volwaardige maatschappelijke
participatie is daarom nog onvoldoende effectief. Hierdoor wordt nog
onvoldoende de aansluiting met vervolgeducatie, arbeidsmarkt en
sociale activering gerealiseerd.
3.4. Drie
sporen-aanpak
Om tot een gerichte
aanpak te komen wordt vanuit de Taskforce ingezet op drie sporen. Het
eerste spoor heeft betrekking op het bevorderen van de verbetering van
het inburgeringsproces op decentraal niveau door het opzetten van
regionale taskforces. Het tweede spoor betreft het initiëren,
faciliteren en coördineren van ontwikkeltrajecten op de belangrijkste
knelpunten in het inburgeringsproces. Het derde spoor gaat om het
professionaliseren van de uitvoeringspraktijk door onder meer het
verspreiden van good practices en van kennis en ervaring, opgedaan in
ontwikkeltrajecten. Deze sporen voeden en versterken elkaar en grijpen
in elkaar voor wat betreft hun effectiviteit. Dat is uit de ervaringen
in de zogenoemde top-15 regio's met wachtlijsten al gebleken.
In het
verbeteringsproces, waarvoor ruim 1,5 jaar is uitgetrokken, vervult de
Taskforce een stimulerende, faciliterende en adviserende rol. Het
betrekken van partijen, het creëren van draagvlak en de bewustwording
dat de betrokken actoren een gezamenlijke inspanning zullen moeten
leveren, vormt de kern van de werkwijze die in deze aanpak wordt
gehanteerd. Het betreft hier een bottom-up-proces, waarvoor
gemeenten verantwoordelijk zijn.
De
uitvoeringsorganisaties, waaronder met name de ROC's, dragen vanuit
een (deel)verantwoordelijkheid voor het inburgeringsproces bij aan het
verbeteren daarvan. De Taskforce, die zijn werkzaamheden eind 2002 zal
beëindigen, zal dan ook bij de uitvoering van haar werkzaamheden niet
treden in de verantwoordelijkheden van gemeenten en
uitvoeringsorganisaties. Daarnaast zal de Taskforce adviezen
uitbrengen aan de departementen over eventuele knelpunten in wet- en
regelgeving.
3.5. Regionale
Taskforces
In de aanpak van de
Taskforce vervullen regionale Taskforces een belangrijke rol. Gelet op
de concentratie van de inburgeringsproblematiek in de gemeenten die
tot de G4, G21 en G17 behoren, richt de Taskforce zich primair op deze
gemeenten. Naast de gemeenten worden uitvoeringsorganisaties in de
regio gestimuleerd te participeren in deze taskforce. Voor het
oprichten van dergelijke taskforces zal indien gewenst ook aansluiting
gezocht worden of gebruik gemaakt worden van bestaande
overlegstructuren. De regionale taskforces krijgen de opdracht om
vanuit een gezamenlijke probleemdefiniëring de respectievelijke
inspanningen ten behoeve van het verbeteringsproces te formuleren.
Daarvoor zal een veranderagenda worden opgesteld. Hoewel de regionale
problematiek het uitgangspunt vormt voor het nader bepalen van het
verbeteringstraject, zal de Taskforce een intermediaire rol vervullen
richting andere regio's.
Immers knelpunten en
mogelijke oplossingsrichtingen hebben een regio overstijgende waarde.
De Taskforce zal de regio's stimuleren om good practices in te
brengen en deel te nemen aan ontwikkeltrajecten dan wel landelijke
uitwisseling en professionalisering.
3.6.
Ontwikkeltrajecten
Veel van de lokale c.q.
regionale problemen zijn niet uniek. Ook in andere regio's lopen
gemeenten en andere betrokken organisaties tegen dezelfde problematiek
op. Partijen kunnen voor het oplossen van hun problemen dan ook naar
samenwerkingsverbanden zoeken. De Taskforce is ervan overtuigd dat het
van belang is dat op een aantal terreinen de krachten worden gebundeld
om oplossingsrichtingen voor geconstateerde knelpunten op een hoger
niveau te brengen. Daarvoor wil de Taskforce een negental
ontwikkeltrajecten opzetten. Deze ontwikkeltrajecten vormen de kern
van haar aanpak.
Deze ontwikkeltrajecten
concentreren zich op een bepaald te verbeteren onderdeel van het
inburgeringsproces. In de bij deze notitie gevoegde bijlage 1 zijn de
ontwikkeltrajecten opgenomen en qua oplossingsmodaliteiten nader
uitgelijnd. Al werkende weg zullen in de ontwikkeltrajecten
verbeteringen worden beproefd, good practices of modellen
ontwikkeld e.d. De producten, die op deze wijze tot stand komen en
verbeteringen van het inburgeringsproces inhouden, zullen door de
Taskforce naar andere gemeenten en uitvoeringsorganisaties worden
gedistribueerd. Zo kan een olievlekwerking ontstaan waarbij de
verschillende regio's gebruik kunnen maken van de expertise van
elkaar.
Gemeenten en
uitvoeringsorganisaties die tot de G4, G21 en G17 behoren worden door
de Taskforce gestimuleerd om zich als partner bij een ontwikkeltraject
te melden. Vervolgens zal op interactieve wijze met de geïnteresseerde
gemeenten en/of uitvoeringsorganisaties de verdere aanpak van het
ontwikkeltraject worden uitgewerkt. De partners die deelnemen aan een
ontwikkeltraject doen dit op basis van vrijwilligheid, maar verbinden
zich wel aan het realiseren van de gestelde doelen en resultaten.
Deelname aan de ontwikkeltrajecten impliceert tevens deelname aan
professionaliseringsactiviteiten.
3.7. Professionalisering
Communicatie en
voorlichting vanuit de Taskforce Inburgering is ondersteunend aan het
verbeteringsproces. In nauwe aansluiting op het stimuleren van de
regionale taskforces inburgering en de ontwikkeltrajecten stimuleert
en ondersteunt de Taskforce uitwisseling van informatie over
ervaringen, kennis en resultaten.
De Taskforce voorziet
regionale taskforces van informatie over good practices, vormt
een kenniscentrum en creëert en beheert in dit kader een 'databank',
waarmee informatie aan regio's ter beschikking kan worden gesteld.
Door middel van de nieuwsbrief, brochurereeks, en website informeert
de Taskforce de partijen over elkaars benaderingswijze en worden
oplossingsrichtingen en good practices uitgedragen.
De Taskforce zal
netwerkbijeenkomsten en conferenties organiseren gericht op
kennisuitwisseling en professionalisering van de gemeenten en
uitvoeringsorganisaties. Tegelijkertijd vormen deze bijeenkomsten een
belangrijke input voor de aanpak van de Taskforce.
4. Hoofdlijnen plan van
aanpak informatievoorziening
4.1. Inleiding
Het plan van aanpak ten
aanzien van de derde deelopdracht van de Taskforce heeft betrekking op
stroomlijning en verbetering van de informatievoorziening op het
gebied van nieuw- en oudkomers.
Het plan van aanpak,
gaat uit van:
a. het onderscheid in de
informatievoorziening tussen het centrale (= rijksniveau) en het
decentrale (= gemeentelijk en regionaal) niveau;
b. de voorlopige
handhaving van het onderscheid tussen oudkomers en nieuwkomers;
c. het zoveel mogelijk
gebruik maken van hetgeen er al in de uitvoeringspraktijk ontwikkeld
is, zoals het Gemeentelijk Functioneel Ontwerp en de verschillende
vormen van automatisering.
4.2. Knelpunten
Het plan van aanpak is
gebaseerd op een uitgebreide knelpuntenanalyse van de
informatievoorziening op het terrein van inburgering. Samengevat zijn
die knelpunten:
1. onvoldoende scherpe
definiëring van de gewenste beleids- en verantwoordingsinformatie,
zowel wat betreft het centrale als het decentrale niveau;
2. onvoldoende
afstemming tussen de departementen over welke informatie aan het
decentrale niveau wordt gevraagd, waardoor doublures niet zijn
uitgesloten en er geen sprake is van eenduidige definities;
3.gebrekkige registratie
en onvoldoende gegevensuitwisseling tussen de verschillende
uitvoeringsorganisaties
Gevolg ervan is dat er
zowel op het centrale als het decentrale niveau sprake is van
onvoldoende adequate beleids- en verantwoordingsinformatie en er bij
het decentrale niveau veel ongenoegen bestaat over de grote
informatielast die door de ongecoördineerde aanpak vanuit de
departementen op hun schouders wordt gelegd. De departementen trachten
vervolgens hun gebrek aan beleids- en verantwoordingsinformatie veelal
op te vangen door het laten uitvoeren van ad hoc onderzoek, hetgeen
vervolgens de informatielast voor het decentrale niveau verder doet
toenemen.
4.3. Opdrachtformulering
Voor het oplossen van de
knelpunten is de volgende opdracht geformuleerd:
1. het ontwikkelen van
een informatiemodel ten behoeve van een optimale beleids- en
verantwoordingsinformatie voor de rijksoverheid op het terrein van
inburgering
2. het op basis van dit
rijksmodel ontwikkelen van een voorbeeld-informatiemodel ten behoeve
van een optimale beleids- en verantwoordingsinformatie voor gemeenten
op het terrein van inburgering
3. het ontwikkelen van
good practices over de wijze waarop de gegevensuitwisseling
over inburgering tussen gemeente en de uitvoeringsorganisaties op het
decentrale niveau georganiseerd kan worden en deze good practices
in de vorm van een ontwikkeltraject gemeenten realiseren.
4.4. Omgevingsfactoren
Het formuleren van de
gewenste beleids- en verantwoordingsinformatie vraagt om een
beleidskader dat stabiliteit vertoont.Het terrein van inburgering is
nog sterk in ontwikkeling, hetgeen de uitvoering van de derde
deelopdracht compliceert.
Inburgering voor
oudkomers en nieuwkomers wordt in verschillende regelingen
vormgegeven, met verschillende verantwoordingsregimes en daarmee
gepaard gaande informatiebehoeften.. Bovendien zal zich de komende
jaren een aantal ontwikkelingen voordoen die consequenties hebben voor
de gevraagde beleids- en verantwoordingsinformatie.
Dat betreft in ieder
geval de volgende ontwikkelingen:
-
de resultaten van door
de Taskforce te starten ontwikkeltrajecten -zie paragraaf 3- zal in
de zomer van 2002 input geven voor de noodzakelijke beleids- en
verantwoordingsinformatie (dit betreft met name de
ontwikkeltrajecten regierol gemeenten; inkoopfunctie gemeenten;
vraag en aanbod en in mindere mate inburgeringsonderzoek, duale
trajecten; effectiviteit onderwijsprogramma en trajectbegeleiding)
-
de ontwikkeling van
het oudkomersbeleid; momenteel is er een specifiek oudkomersbeleid
voor 54 gemeenten; de Oudkomersnotitie ( die net als deze rapportage
van de Taskforce onderdeel uitmaakt van de bijlagen, bij de brief
van het kabinet over de voortgang van het inburgeringsbeleid) gaat
uit van intensivering van het specifieke oudkomersbeleid. De
consequenties daarvan voor de gewenste beleids- en
verantwoordingsinformatie zullen de komende maanden worden
geformuleerd.
-
de evaluatie van de
WEB in het najaar van 2001, waarbij vragen m.b.t. de educatie in het
algemeen en de gedwongen winkelnering van de educatie bij ROC´s in
het bijzonder, alsmede betreffende de samenhang tussen inburgering
en educatie aan bod zullen komen. De evaluatie van de WEB zou
overigens ook kunnen leiden tot aanpassing van wet- en regelgeving.
-
de evaluatie van de
WIN in de zomer van 2002, waarbij eveneens de gedwongen winkelnering
aan de orde zal komen en op basis waarvan het inburgeringsbeleid zal
worden bezien met eventuele consequenties voor de gewenste beleids-
en verantwoordingsinformatie.
-
het voornemen om met
ingang van 1 januari 2003 het onderwijsnummer in te voeren in de
BVE- sector. De invoering daarvan kan een krachtige impuls geven aan
het verbeteren van de informatievoorziening, immers de ROC´s zullen
in staat zijn om on line informatie aan te leveren aan de CFI.
Echter het betekent ook dat de invoering ervan gebruikt wordt als
een moment waarop herdefiniëring van de gewenste beleids- en
verantwoordingsinformatie plaatsvindt door OCenW en de BVE-Raad
4.5. Fasering
Gelet op bovenstaande
omgevingsfactoren die van invloed zijn op de gewenste beleids- en
verantwoordingsinformatie stelt de Taskforce een gefaseerde aanpak
voor. In bijlage 2 is de fasering in activiteiten en het daarbij
geplande tijdpad opgenomen.
4.5.1. Eerste fase
In de eerste fase,
die in het najaar van 2002 wordt afgerond, wordt gewerkt op basis van
de volgende uitgangspunten:
-
daar waar sprake is
van identieke gegevensverzameling voor nieuw- en oudkomers wordt er
uitgegaan van eenzelfde vraagstelling en gegevensdefinities.
-
de uitkomsten van de
ontwikkeling van het voorbeeld-informatie-model gemeenten en de
ontwikkeltrajecten als onderdeel van de tweede deelopdracht met
betrekking tot gemeentelijke regierol, inkoopfunctie gemeenten,
vraag en aanbod, inburgeringsonderzoek, duale trajecten,
effectiviteit onderwijsprogramma's en trajectbegeleiding zullen
zoveel als mogelijk worden meegenomen.
-
afstemming met de
projectgroep die de invoering van het onderwijsnummer voor de
BVE-sector voorbereidt, is noodzakelijk
De eerste fase
zich op:
het stroomlijnen van de gevraagde beleids- en
verantwoordingsinformatie voor nieuwkomers op basis van de WIN door de
rijksoverheid Deze informatie wordt nu deels door OCenW verzameld en
deels door VWS (het inhoudelijk verslag). Hierbij dienen de volgende
stappen te worden gezet:
a. analyse van huidige
gegevensverzameling door de verschillende departementen op
rijksniveau, bij gemeenten en uitvoeringsorganisaties.
b. definiëring van de
minimaal gewenste beleidsinformatie.
c. formulering van een
gegevensset en vaststelling van gegevensdefinities.
d. voorstel voor een
eenduidige wijze van organisatie van de gegevensvraag,
gegevensverwerking en rapportage door de rijksoverheid, waarbij het
uitgangspunt is dat er vanuit één gezamenlijke front-office (één
loket) wordt gewerkt naar het decentrale niveau en de achterliggende
departementale back-offices.
e. het maken van
procedure-afspraken over aanpassing van het overeengekomen
informatie-model, alsmede afspraken over de communicatie daarover.
f. het initiëren van
gestructureerd overleg met de belangrijkste software leveranciers
-
het stroomlijnen van
de gevraagde beleids- en verantwoordingsinformatie oudkomers door de
rijksoverheid. De informatieverzameling rond oudkomers vindt
momenteel plaats in het kader van de WEB door OCenW en door BZK/GSI
in het kader van de oudkomersregelingen. Het betreft hier
uitsluitend informatieverzameling m.b.t. oudkomers, die gebruik
maken van educatieve trajecten. Het betreft dus niet alle oudkomers.
BZK is voornemens een monitor oudkomers in te richten voor de
specifieke oudkomersregelingen.
Voor het realiseren van
de gewenste stroomlijning zullen de bovenstaand geschetste stappen a t/m f worden gezet.
-
het starten van een
ontwikkeltraject met drie gemeenten, gericht op het ontwikkelen van
good practices rond de informatie-uitwisseling voor nieuwkomers
en oudkomers tussen de gemeenten en de verschillende
uitvoeringsorganisaties. Dit specifieke ontwikkeltraject wordt in
nauwe samenhang met de negen ontwikkeltrajecten van deelopdracht 2
uitgevoerd en vormt als het ware het tiende ontwikkeltraject.
De good practices
dienen als opstap naar een voorbeeld informatiemodel voor gemeenten,
waarbij het informatiemodel rijksoverheid als vertrekpunt geldt.
Het gemeentelijk
voorbeeld informatiemodel kan pas ontwikkeld als duidelijk is wat voor
informatie de rijksoverheid van de gemeenten en
uitvoeringsorganisaties wil hebben. Zodra dat het geval is kan in het
genoemde ontwikkeltraject worden nagegaan aan welke aanvullende,
lokaal specifieke informatie de betreffende gemeenten behoefte hebben
gelet op de afgesloten contracten met de uitvoeringsorganisaties. Het
bovenstaande laat onverlet dat ook hier een aantal stappen in
samenspel tussen de drie gemeenten en de betrokken
uitvoeringsorganisaties kunnen worden gezet:
a. analyse van de
huidige gegevensverzameling bij de uitvoering.
b. definiëring van de
minimaal gewenste beleidsinformatie.
c. formulering van een
gegevensset en vaststelling van gegevensdefinities.
d. voorstel voor de
wijze van organisatie van de gegevensuitvraag, gegevensverwerking en
rapportage.
e. het maken van
procedureafspraken over de wijze waarop aanpassing van het
overeengekomen informatiemodel kan plaatsvinden.
4.5.2. Tweede fase
De tweede fase is
gericht op:
De tweede fase
start in het voorjaar van 2002 en wordt afgerond eind 2002.
Bij het opstellen van het betreffende document kan gebruik worden
gemaakt van de ervaringen die zijn opgedaan in de eerste fase en de
resultaten van de ontwikkeltrajecten voorbeeld-informatiemodel en de
hierboven aangehaalde ontwikkeltrajecten van de tweede deelopdracht
Tevens kunnen de uitkomsten van de evaluatie van de WEB en mogelijk
ook de WIN erbij worden betrokken.
De Taskforce, wier
werkzaamheden op 31 december 2002 zullen zijn afgerond, zal tenslotte
na completering van het rijksinformatiemodel en het op basis daarvan
ontwikkelde voorbeeld-informatiemodel voor gemeenten, alsmede de
'beproeving' daarvan in het ontwikkeltraject gemeenten een integraal
informatieplan inburgering opleveren met daarin voorstellen tot
formulering van de set van kwantitatieve gegevens die verzameld moet
worden om te voorzien in de gewenste beleids- en
verantwoordingsinformatie op het terrein van inburgering van zowel
gemeenten als rijksoverheid en niet alleen ten aanzien van nieuw- en
oudkomers. Het integrale plan zal tevens een aantal
implementatievoorstellen, voorzien van een fasering en tijdpad,
bevatten.
Bijlage 1 Aanpak spoor 2 'ontwikkeltrajecten'
Bijlage 2 Fasering en tijdpad deelopdracht informatievoorziening
Download:
|