- Veel vragen van gemeenten richten zich op de wijze waarop de WIN
georganiseerd dient te worden. Voor kleine(re) gemeenten speelt
daarnaast de vraag hoe samengewerkt kan worden.
Voor de oplossing van een aantal (organisatorische en financiële)
problemen zou gemeentelijke samenwerking ook voor de hand liggen.
Ook onder de WIN kunnen gemeenten samenwerken. Deze mogelijkheid en
de aanvraagprocedure zijn opgenomen in het Bekostigingsbesluit
Inburgering Nieuwkomers, artikel 5 (Stb. 1998, 441). Gemeenten kunnen
de budgetten gezamenlijk besteden. De verantwoording (prestatie) moet
echter per gemeente zichtbaar zijn. Dit laatste is nodig om, ingeval
een gemeente uit een samenwerkingsverband stapt, op basis van de
t-2-systematiek een budget vast te stellen voor de afzonderlijke
gemeente. (Bron: Rapportage, nr. 20, ICO/CFI)
antwoording opneemt. De beschikking en de verklaring zijn zo beiden telgegevens voor de bekostiging twee jaar later. Eventuele financiële afspraken kunnen de gemeenten onderling maken. Daarover zijn geen algemene regels te stellen, omdat elke verhuizing anders is. (Bron: rapportage, nr. 21 ICO/CFI)
- Gemeenten die samenwerken kopen ter hoogte van de gezamenlijke
taakstelling trajecten in bij een ROC. Stel dat gemeente A onder de
taakstelling blijft en gemeente B krijgt meer nieuwkomers dan de
raming. Hoe kunnen deze gemeenten omgaan met de verdeling van de
welzijnscomponent? Kan gemeente A de welzijnscomponent reserveren of
is zij verplicht deze af te staan aan gemeente B? In het laatste geval
raakt gemeente A haar buffer kwijt en zou gemeente B in het jaar t+2
meer inburgeringsgelden krijgen. Samenwerking is in dat geval niet
gunstig.
In geval van samenwerking wordt het samenwerkingsverband door de
ministeries als een gemeente gezien. De reservering van de
afzonderlijke gemeenten wordt dus ook getotaliseerd. In de
verantwoording van de rijksbijdragen moeten de bekostigingsgegevens
wel zijn uitgesplitst naar de betrokken gemeenten. Daarmee wordt
voorkomen dat bij beëindiging van de samenwerking onduidelijkheid
bestaat over het afzonderlijke aandeel van elk van die gemeenten. De
wijze waarop de splitsing wordt aangebracht, is aan de gemeenten zelf
overgelaten. Denkbaar is dat samenwerkende gemeenten een bepaalde
onderlinge toedeling afspreken. Deze hoeft niet gelijk te zijn aan de
feitelijke situatie (Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers, Stb.
441, artikel 5 en toelichting).(Bron: rapportage, nr. 22, ICO/CFI)
- Kan een gemeente de nieuwkomer een boete
opleggen als hij afwezig is bij de lessen Beroepenoriëntatie?
Indien een nieuwkomer afwezig is bij onderdelen, bijvoorbeeld
Beroepenoriëntatie, van het voor hem vastgestelde educatief programma,
kan een boete aan de nieuwkomer worden opgelegd. (Bron: rapportage, nr:
34, ICO/CFI.)
- Een gemeente heeft op verkeerde gronden
ontheffing van een nieuwkomer verleend. Kan de gemeente een nieuwe
beschikking afgeven en de nieuwkomer alsnog een inburgeringsprogramma
aanbieden?
Ja, de gemeente kan in dit geval een nieuwe beschikking afgeven. De
inburgeringsplicht van de nieuwkomer kan niet worden opgeheven door
een fout van de gemeente. De gemeente zal een verklaring moeten geven
voor de gemaakte fout en deze vastleggen in het dossier van de
nieuwkomer. Vervolgens kan de gemeente een inburgeringsprogramma
samenstellen en een nieuwe beschikking afgeven. Juridisch is er geen
sprake van vervanging, maar van intrekken van een beschikking en het
opstellen van een nieuwe
beschikking. Alleen de nieuwe beschikking zal meetellen voor de
bekostiging. (Bron: rapportage, nr: 35, ICO/CFI.)
- Een centrumgemeente wil voor alle betrokken
gemeenten in het samenwerkingsverband de uitvoering van de WIN
verzorgen (inclusief ondertekenen van beschikking, afgeven van
certificaten enz.). Is dit toegestaan?
Ja,een gemeente kan de uitvoering van de WIN voor haar rekening
nemen. Door middel van een mandaat geven de betrokken gemeenten aan
dat zij hun taken overdragen aan de centrumgemeente. Echter, in geval
van samenwerking moeten de bekostigingsgegevens voor de verantwoording
per gemeente worden uitgesplitst (artikel 7, 5e lid van het
Bekostigingsbesluit). Hiermee wordt voorkomen dat bij beëindiging van
de samenwerking onduidelijkheid bestaat over het afzonderlijk deel van
elk van die gemeenten. (Bron: rapportage, nr: 37, ICO/CFI.)
- Overleg met een aantal andere gemeenten om tot officiële
samenwerking te komen is mislukt. De gemeente ziet het niet zitten om
het inburgeringsbeleid alleen uit te voeren. Wat zijn de mogelijkheden
voor verdere aanpak? Is het mogelijk alles aan een andere gemeente
over te dragen en dus zelf helemaal te stoppen? Hebben jullie
informatie over hoe andere gemeenten dit aanpakken? Zie voor
informatie: Handboek WIN deel A, Hoofdstuk 4.
- Cfi heeft in december 1998 de beschikking
over 1999, gebaseerd op het samenwerkingsverband, verstuurd aan de
centrumgemeenten. Toch is in enkele gevallen de eerste betaling van de
educatieve component aan de gemeenten apart gedaan. Wat is hiervoor de
verklaring?
Gemeenten, die in 1999 voor het eerst gaan samenwerken of de
samenwerking voortzetten, hadden dit v¢¢r 1 februari 1999 kenbaar
moeten maken aan het Ministerie van VWS. De gemeenten die, ongewenst,
apart zijn gefinancierd hebben nagelaten de samenwerking (opnieuw) bij
VWS op te geven. De beschikking van Cfi is gebaseerd op de toen
bestaande samenwerkingsverbanden. Aangezien Cfi van VWS geen verzoek
tot voortzetting van de samenwerking heeft ontvangen, is de
beschikking herzien en worden de gemeenten apart gefinancierd.
2.2 Samenwerken met ROC's
- Startmoment cursussen/lange wachttijd gaat
van het twaalf-maandentraject af; Zomersluiting ROC's.
In de eindrapportage van de 'Evaluatie inburgeringsbeleid voor
nieuwkomers' wordt geconstateerd dat het inburgeringsbeleid mede heeft
bijgedragen aan de vergroting van het aantal instroommomenten bij
nagenoeg alle ROC's. Dit juist met het oog op het halen van de
vier-maandentermijn. Zo heeft tweederde van de statushouders binnen
deze termijn kunnen starten met een NT2-cursus. Voor gezinsvormers en
herenigers geldt dat voor de helft. In de gevallen dat de termijn niet
is gehaald, waren diverse redenen de oorzaak. Wachten op een nieuw
instroommoment, problemen met statusverlening en persoonlijke
omstandigheden van de nieuwkomers (zie eerdergenoemde eindrapportage
pag. 179). Nieuwkomers hebben voorrang boven andere
educatiedeelnemers. Daarmee wordt de wachttijd tot een minimum
beperkt. Als gevolg daarvan valt niet uit te sluiten dat het soms
lastig is zo homogeen mogelijke groepen te starten. Bij analfabete
nieuwkomers is dat zeker een probleem.
- Kan een gemeente wijzigingen aanbrengen in
de onderwijsovereenkomst van de onderwijsinstelling?
Dit is in principe niet mogelijk. Een ROC heeft zich bij het
opstellen van een onderwijsovereenkomst te houden aan artikel 8.1.3
van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs. Eventuele voorstellen tot
wijziging van de onderwijsovereenkomst kan de gemeente voorleggen aan
de onderwijsinstelling. Het besluit om de wijzigingen al dan niet door
te voeren ligt echter bij de instelling.
Uiteraard wordt de wachttijd voor een educatief traject niet in
mindering gebracht op de maximale termijn van 12 maanden waarin dit
traject moet zijn afgerond. Vanaf het moment van inschrijving bij een
ROC start de periode van 12 maanden.
De BVE Raad is in onderhandeling met de vakbonden om voor de
BVE-sector een nieuwe CAO af te sluiten per 1 augustus 1999. Deze CAO
moet, als het aan de BVE Raad ligt, de bevoegde gezagen van de ROC's
in staat stellen het personeel flexibeler in te zetten dan tot op
heden mogelijk was. In deze CAO wordt tevens een regeling voorzien die
de inzet van personeel in vakantieperioden beter mogelijk maakt.
(Bron: BVE Raad)
- Samenwerking ROC/afsluiten contracten?
Het afsluiten van contracten moet bij voorkeur plaatsvinden op het
moment dat de afspraken tussen ROC en gemeente op basis van een
beleidsplan zijn gemaakt. Echter, uit ervaring blijkt dat in veel
gevallen een educatief beleid ontbreekt en dat partijen zich laten
leiden door korte-termijnvisies. Gelukkig is in de
educatie-contractrelatie tussen gemeente en ROC's een tendens
waarneembaar dat het wederzijdse vertrouwen groeit. Zo kan worden
geconstateerd dat in een toenemend aantal gevallen sprake is van
meerjarige (vierjarige) raamovereenkomsten voor educatie. Door middel
van een dergelijke raamovereenkomst wordt de meer permanente
onderhandeling ondersteund. Dit niet alleen als gevolg van het
langdurig karakter maar vooral ook door de nadruk op overleg,
evaluatie en bijstelling. Onlosmakelijk verbonden met deze
raamovereenkomsten zijn de zogenoemde productovereenkomsten. Door
middel van deze laatstgenoemde overeenkomsten wordt de inhoudelijke
vulling van de raamovereenkomst gerealiseerd. Daarbij gaat het om de
vertaling van de concrete vraag en aanbod. Modellen van beide soorten
overeenkomsten zijn onder andere opgenomen in de WEB-brochure nummer 7
'Educatie: de rol van gemeenten en instellingen' van het Ministerie
van OCenW.
Mede vanuit de optiek dat het wenselijk wordt geacht te komen tot
een meer integraal lokaal (onderwijs-)beleid, is het
aanbevelenswaardig de tussen gemeenten en ROC's af te sluiten
contracten inburgering nieuwkomers in de besprekingen en
onderhandelingen te betrekken. Daarbij ligt het voor de hand dat de
hiervoor genoemde modelovereenkomsten hun diensten kunnen bewijzen.
(Bron: BVE Raad)
- Flexibiliteit ROC/is maatwerk mogelijk?
Veel ROC's maakten in 1996 nog gebruik van een standaardaanbod
(Evaluatie inburgeringsbeleid voor nieuwkomers, BiZa en VWS, 1997).
Ook de Inspectie BVE constateert in zijn evaluatierapportage van het
aanloopjaar van de inburgeringstrajecten 'Inburgering uitgeschreven'
(september 1997) dat de score op de standaard 'afstemming aanbod op
behoeften van de deelnemer' te wensen over laat, dit terwijl in zijn
algemeenheid is vastgesteld dat de kwaliteit van het primair
onderwijsproces van de educatieve inburgeringstrajecten zich in het
aanloopjaar goed heeft ontwikkeld (pag. 62).
Maatwerk is mogelijk als de contracten tussen gemeenten en ROC's
daartoe de randvoorwaarden scheppen. In veel gevallen is het denkbaar
dat gemeenten kiezen voor standaardtrajecten. Dit kan vervolgens wel
op gespannen voet staan met de (individuele) behoeften van de
deelnemers. ROC's verzorgen intensieve en minder intensieve cursussen.
Dit is mede afhankelijk van de wensen van de opdrachtgevers. De
intensiteit verschilt ook tussen ROC's. Het aantal klokuren loopt
uiteen van 10 tot 22 per week. Gemiddeld genomen gaat het om cursussen
van 15 uur per week, verspreid over ongeveer vijf dagdelen. Dit kan
zowel in de avonduren als overdag zijn. In toenemende mate worden
nieuwkomers ook in de gelegenheid gesteld buiten lesuren om gebruik te
maken van de voorzieningen (bijvoorbeeld computerprogramma's). Zie
verder ook de beantwoording van de vraag met betrekking tot
startmomenten cursussen.
Het maatwerk kent dus meerdere dimensies. Het gaat dan om
programmatische, didactische en organisatorische flexibiliteit. Op dit
moment wordt uitvoering gegeven aan een Implementatieplan
Kwalificatiestructuur Educatie van alle ROC's. Na afronding (januari
1999) hiervan hebben de ROC's instrumenten in handen waarmee het
gevraagde educatieve maatwerk kan worden geleverd. Zodoende kan een
belangrijke bijdrage worden geleverd aan de totstandkoming van meer
effectieve en efficiënte educatieve trajecten. (Bron: BVE Raad)
2.3 Samenwerken met derden
- Kunnen werkgevers een rol spelen in WIN?
Werkgevers kunnen een rol spelen in het inburgeringsprogramma
indien zij nieuwkomers in dienst hebben (die nog inburgeringsplichtig
zijn) en hen bijvoorbeeld naast het werk taalcursussen aanbieden. Met
de werkgever zullen hierover bindende afspraken gemaakt moeten worden.
Daarnaast kunnen werkgevers een rol spelen door taalstages gedurende
het inburgeringsprogramma aan te bieden.
- Wat is de rol van Arbeidsvoorziening binnen
de inburgering onder de WIN?
Het Centrale Organisatie Werk en Inkomen (CWI) verricht voor
nieuwkomers die na de inburgering willen/kunnen gaan werken tijdens
het inburgeringsonderzoek een werkintake en een kwalificerende intake
uiterlijk 6 weken voor het einde van het inburgeringsprogramma.
Daarnaast voert het Centrale Organisatie Werk en Inkomen (CWI) in de
regel ook een zogenaamd tussentijds overleg met de WIN-partners
(gemeente/bureau nieuwkomers en ROC) en eventueel ook met de
nieuwkomer. Aan het einde van het inburgeringsprogramma stelt het
Centrale Organisatie Werk en Inkomen (CWI) aan de hand van een
kwalificerende intake een reïntegratieadvies op voorzover het gaat om
nieuwkomers die in fase 2, 3 of 4 geplaatst worden. Dit
reïntegratieadvies gaat naar de gemeente voorzover het om ontvangers
van een bijstanduitkering gaat. Voor de zogenaamde NUG'ers, de niet
uitkeringsgerechtigden gaat in 2001 het advies naar het
reïntegratiebedrijf Kliq, dat het traject vervolgens uitvoert. In 2002
zal de gemeente ook de (financiële) verantwoordelijkheid krijgen voor
de NUG'ers. Het is aan de gemeente om vervolgens - mede op basis van
het reïntegratieadvies - de nieuwkomer een passend vervolgtraject aan
te bieden.
- Is een gemeente verplicht zaken te doen met
Arbeidsvoorziening? Mag een gemeente ook met een commercieel
arbeidsbemiddelingsbureau samenwerken?
De wettelijke rol van het Centrale Organisatie Werk en Inkomen (CWI)
beperkt zich tot het doen van een werk- en een kwalificerende intake
en het opstellen van een reïntegratieadvies aan het einde van het
inburgeringsprogramma. Voor de doorgeleiding naar de arbeidsmarkt na
afloop van het inburgeringsprogramma sluit de gemeente met een door de
gemeente gewenst reïntegratiebedrijf een contract. De kosten hiervan
zijn voor rekening van de gemeente.
- Moet een nieuwkomer altijd worden
ingeschreven bij Arbeidsvoorziening?
De nieuwkomers die na inburgering willen/kunnen gaan werken komen
in aanraking met het Centrale Organisatie Werk en Inkomen (CWI)
tijdens het inburgeringstraject, omdat het Centrale Organisatie Werk
en Inkomen (CWI) voor die nieuwkomers een werk- en kwalificerende
intake verricht en een reïntegratieadvies opstelt. Tijdens de
werkintake vindt al de registratie plaats van de nieuwkomer.
Niet-uitkeringsgerechtigden worden ingeschreven wanneer men zelf
aangeeft te willen werken. Fase 1 cliënten worden vervolgens naar de
arbeidsmarkt geleid door het Centrale Organisatie Werk en Inkomen (CWI).
Reïntegratieactiviteiten voor cliënten in fase 2, 3 of 4 worden
uitgevoerd door de gemeente c.q. door een door de gemeente
gecontracteerd reïntegratiebedrijf.
- Mag Arbeidsvoorziening een maximum stellen
aan het aantal administratieve en kwalificerende intakegesprekken, dat
zij kosteloos voert?
Dit is niet toegestaan. De werk- en de kwalificerende intake en het
opstellen van een reïntegratieadvies zijn een onderdeel van de
basisdienstverlening. Het Centrale Organisatie Werk en Inkomen (CWI)
krijgt, net als een gemeente, een budget voor nieuwkomers. Ook als
meer nieuwkomers dan het geraamde aantal zich melden, mag het Centrale
Organisatie Werk en Inkomen (CWI) voor de intakegesprekken geen
rekening indienen bij de gemeente.
Uitreiking aanmelding-/ontheffingsformulier
- Hoe zijn de rollen verdeeld met betrekking
tot de aanmelding van de nieuwkomer? Verstrekt burgerzaken of de
vreemdelingendienst het aanmeldings- en ontheffingsformulier aan de
nieuwkomer?
Vreemdelingen krijgen het aanmeldings- en ontheffingsformulier
uitgereikt wanneer het besluit tot toelating aan hen wordt uitgereikt
door de Vreemdelingendienst. Nederlanders krijgen het aanmeldings- en
ontheffingsformulier door de gemeente uitgereikt bij inschrijving in
de GBA. De gemeente kan de formulieren printen van de diskette, die
bij het Handboek WIN zit. De vreemdelingendienst wordt in eerste
instantie bevoorraad door het Ministerie van BZK en kan extra
formulieren schriftelijk of per fax bestellen bij het secretariaat van
het Logistiek Centrum van BZK. Het faxnummer is (079) 361 49 86. Voor
deze manier van bevoorraden is gekozen omdat de Vreemdelingendienst
formeel niet onder BZK valt, maar onder Justitie. (Bron: Rapportage,
nr. 21, ICO/CFI)
- Het verstrekken van gegevens uit GBA aan
bijvoorbeeld een Bureau Nieuwkomers zou in strijd zijn met de Wet
Persoonsregistraties; Hoe verhoudt de WIN zich tot de privacy?
Uitwisseling van gegevens uit de GBA met Bureau Nieuwkomers hoort
tot de mogelijkheden die de GBA-wet biedt. Als het Bureau Nieuwkomers
deel uitmaakt van de gemeente (ondergebracht bij een gemeentelijke
dienst) dan zijn de regels van de GBA-wet van toepassing. Als het
Bureau Nieuwkomers geen gemeentelijke dienst is, dan moeten voor de
verstrekking van de gegevens de regels van de Wet Persoonsregistraties
(WPR) (wordt Wet bescherming persoonsgegevens) in acht worden genomen.
Verstrekking van gegevens door Bureau Nieuwkomers aan andere
organisaties is mogelijk met inachtneming van de WPR. Voor
uitwisseling van gegevens met Arbeidsvoorziening zijn bepalingen
opgenomen in het Uitvoeringsbesluit inburgering nieuwkomers (Stb.
1998, 409). (Bron: rapportage, nr. 21, ICO/CFI)
- Gaat de periode van 6 weken, waarbinnen de
nieuwkomer zich moet melden bij de gemeente, in nadat de beschikking
van de status is afgegeven of na afgifte van de pas?
De termijn gaat in nadat de nieuwkomer zijn verblijfsdocument (pas)
uitgereikt heeft gekregen van de Vreemdelingendienst. Dit zal via een
technische wijziging in de WIN worden veranderd in het moment waarop
de beschikking tot toelating (het verlenen van een status) wordt
uitgereikt. Een wijziging van deze strekking is inmiddels bij het
parlement ingediend. (Bron: rapportage, nr. 22, ICO/CFI)
- Als een nieuwkomer na binnenkomst in
Nederland in de gevangenis terechtkomt, is er geen sprake van
reguliere huisvesting. Hoeft hij zich dan niet te melden of moet hij
een ontheffing aanvragen?
Als de nieuwkomer behoort tot de doelgroep van de WIN en hij is
ingeschreven in het GBA, moet hij zich binnen zes weken na afgifte van
de beschikking tot toelating of inschrijving in het GBA melden bij de
gemeente. In dit specifieke geval zal dat niet mogelijk zijn en dus
zal de nieuwkomer om een (tijdelijke) ontheffing van de meldingsplicht
moeten vragen. Zolang de nieuwkomer niet voldoet aan beide voorwaarden
(inschrijving in GBA
en het hebben van een relevante verblijfstitel) hoeft hij nog geen
actie te ondernemen. (Bron: rapportage, nr. 22, ICO/CFI)
2.4 Ontheffing en
vrijstelling
- Ontheffing van de meldingsplicht
Het taalbeheersingsniveau is als een van de uitgangspunten gekozen
in de wettelijke mogelijkheid om tot ontheffing over te gaan. Voor
nieuwkomers met de Nederlandse nationaliteit, zoals Antillianen, wordt
ontheffing alleen dan verleend indien de nieuwkomer de Nederlandse
taal beheerst op een niveau dat ten minste overeenkomt met het
taalniveau van het Staatsexamen Nederlands als tweede taal, zoals dat
is geregeld in het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal (zie
Besluit opleidingseisen Nederlandse nieuwkomers, Stb. 1998, 408).
Andere gronden voor ontheffing zijn lichamelijke en geestelijke
gesteldheid en bijzondere gronden die ter beoordeling zijn aan de
gemeente.
- Kan een gemeente een tijdelijke ontheffing
verlenen aan een nieuwkomer wanneer deze, wegens zwaarwegende
omstandigheden, na de start van het inburgeringsprogramma, het traject
tijdelijk wil onderbreken?
Dit is niet mogelijk. Een nieuwkomer kan alleen om een ontheffing
van de meldingsplicht vragen. Wanneer hij dat niet doet of de gemeente
zijn aanvraag tot ontheffing afwijst, is de nieuwkomer verplicht zich
te melden voor het inburgeringsonderzoek. Wanneer de nieuwkomer
vervolgens start met het programma, kan hij geen (tijdelijke)
ontheffing krijgen.
Feitelijk is een tijdelijke onderbreking wel mogelijk. Is een
nieuwkomer om legitieme redenen niet in staat het voor hem
vastgestelde programma binnen ,,n jaar af te ronden, dan bestaat de
mogelijkheid om hem de nog resterende uren op grond van de opgelegde
verplichting te laten volgen in de periode van doorgeleiding. Dit
heeft overigens geen invloed op de verplichting om de toets binnen 12
maanden na de start van het educatieve programma af te leggen. Blijkt
de nieuwkomer overigens bij deze toets toch het voor hem vastgestelde
eindniveau te hebben behaald, dan is dit grond aan de gemeente om de
nieuwkomer verder vrij te stellen van de resterende uren. (Bron:
Rapportage, nr. 21 ICO/CFI)
- Vaststellen van criteria voor 'gewichtige gronden'
Gemeenten hebben de vrijheid om zelf vast te stellen welke gronden
gewichtig genoeg zijn voor ontheffing. Deze gronden mogen echter niet
in strijd zijn met de bepalingen in de wet.
Met de GGD kunnen afspraken worden gemaakt voor medische
verklaringen, als (tijdelijke) ontheffingen op medische gronden wordt
gevraagd. De KNMG heeft als richtlijn dat medische verklaringen niet
door de behandelend arts afgegeven kunnen worden (bron: 'Richtlijnen
inzake het omgaan met medische gegevens' van de KNMG). Ook met het
RIAGG kunnen afspraken worden gemaakt voor snelle keuring en
vaststelling van psychische gronden die (tijdelijke) ontheffing
rechtvaardigen.
- Hoe om te gaan met zwangerschap?
Zwangerschap is een grond voor tijdelijke ontheffing van de
meldingsplicht, niet voor onderbreking van het inburgeringsprogramma.
Een veel gehanteerde praktijk is de periode van tijdelijke ontheffing
gelijk te stellen aan wat binnen de gemeente gebruikelijk is bij
zwangerschapsverlof.
- Een nieuwkomer kan om bepaalde redenen geen
onderwijs volgen aan een ROC. Welke mogelijkheden heeft de gemeente om
de betreffende persoon wel onderwijs aan te bieden?
Er bestaan twee mogelijkheden om een nieuwkomer toch onderwijs aan
te bieden. Allereerst kan het zijn dat het ROC bereid is door te
contracteren. De gemeente heeft in dit geval aan haar verplichtingen
voldaan onderwijs in te kopen bij een ROC. Het ROC is verantwoordelijk
voor het doorcontracteren. Ten tweede kan een nieuwkomer op basis van
de resultaten van het inburgeringsonderzoek een volledige vrijstelling
krijgen van het educatief programma. De gemeente kan deze vrijstelling
onder andere geven als 'aannemelijk is geworden dat de nieuwkomer zijn
kennis, inzicht en vaardigheden binnen een redelijke termijn in
voldoende mate op een andere manier zal verwerven' (WIN, artikel 5.2).
In dit geval kan bij een andere instelling onderwijs worden gevolgd.
Dit kan echter niet van de inburgeringsgelden worden betaald.
N.B.: Als blijkt dat een nieuwkomer nooit aan de verplichtingen in
het kader van de WIN kan voldoen, kan de gemeente de nieuwkomer
ontheffing voor onbepaalde tijd geven (WIN, artikel 3, derde lid,
onder a). (Bron: rapportage, nr. 23, ICO/CFI)
- Een nieuwkomer heeft zich aangemeld bij de
gemeente en heeft een eerste gesprek gehad in het kader van het
inburgeringsonderzoek. Dan blijkt dat de betrokkene wegens
omstandigheden (psychische of religieuze redenen) niet wil of kan
meewerken aan het inburgeringsprogramma. Kan de gemeente deze
nieuwkomer alsnog een ontheffing geven?
Dit is niet mogelijk. Alleen de nieuwkomer zelf kan een verzoek tot
ontheffing van de meldingsplicht indienen in plaats van zich te
melden. In dit geval heeft de betrokkene zich al gemeld. Er bestaat
wettelijk (nog) geen mogelijkheid tot tussentijdse onderbreking van
het programma. Feitelijk is een tijdelijke onderbreking wel mogelijk.
De verplichting om de toets binnen ,,n jaar na start van het programma
af te leggen blijft dan wel bestaan. (Bron: rapportage, nr. 24, ICO/CFI)
- Een nieuwkomer krijgt een ontheffing voor
het educatieve programma. Kan de gemeente hem in dat geval
maatschappelijke begeleiding geven, betaald van de welzijnsgelden?
Maatschappelijke begeleiding is een verplicht onderdeel van het
inburgeringsprogramma (WIN, artikel 6, eerste lid). Ook wanneer een
nieuwkomer geen educatief programma volgt, moet maatschappelijke
begeleiding worden aangeboden. Deze begeleiding moet uit de
inburgeringsgelden worden betaald. In dit geval telt het vastgestelde
traject echter niet mee voor de bepaling van het budget twee jaar
later omdat er geen toets wordt afgelegd. Het is dan ook aan te raden
een nieuwkomer een volledige vrijstelling van het
inburgeringsprogramma te geven en maatschappelijke begeleiding te
betalen van reguliere welzijnsmiddelen. (Bron: rapportage, nr. 23, ICO/CFI)
- Worden de beschikkingen vertaald?
Nee, bij officiële documenten geldt dat deze in het Nederlands
gesteld moeten worden. Dat geldt ook voor de beschikking. Het is aan
de gemeente om een vertaling daarvan bij te leveren. (Bron:
rapportage, nr. 26, ICO/CFI)
- Wat is volgens de WIN het verschil tussen
een ontheffing en een vrijstelling? Kan een nieuwkomer na de start van
het inburgeringsprogramma een tussentijdse ontheffing krijgen?
Een gemeente kan een nieuwkomer ontheffen van de meldingsplicht. De
ontheffing kan worden afgegeven voor ten hoogste ,,n jaar of voor
onbepaalde tijd (artikel 3). Een vrijstelling wordt afgegeven op basis
van de resultaten van het inburgeringsonderzoek. Een nieuwkomer kan
volledig worden vrijgesteld van inburgering of hij kan een
vrijstelling krijgen voor delen van het educatieve programma.
Als de nieuwkomer is gestart met het inburgeringsprogramma is
opschorting van de termijn waarbinnen hij de toets moet afleggen
(bijvoorbeeld als gevolg van zwangerschap of ziekte) niet mogelijk. Na
het afleggen van de toets moet het inburgeringsprogramma binnen een
halfjaar zijn voltooid. In deze periode mag een nieuwkomer gemiste
uren NT2 inhalen en extra lessen volgen om een hoger taalniveau te
bereiken voor doorgeleiding naar de arbeidsmarkt of vervolgonderwijs.
- Twee jonge nieuwkomers kunnen op basis van
de WIN worden verplicht tot deelname aan een inburgeringsprogramma.
Hun vader wil echter niet (wegens geloof) dat zij naar een openbare
school gaan. Hoe kan de gemeente in dit geval handelen?
De twee nieuwkomers kunnen op grond van art. 3, eerste lid onder c
(gewichtige gronden) om een ontheffing van de meldingsplicht vragen.
Wanneer de nieuwkomers zich wel al hebben gemeld, is er nog de
mogelijkheid voor de gemeente om de nieuwkomers op basis van artikel
5.2 van de WIN een volledige vrijstelling te geven en hen dus in de
gelegenheid te stellen de kennis, het inzicht en de vaardigheden op
een andere wijze (op een andere school) te verwerven. Aan deze
vrijstelling kan de voorwaarde worden verbonden op een later tijdstip
de toets af te leggen.
- Als een nieuwkomer na binnenkomst in
Nederland in de gevangenis terechtkomt, is er geen sprake van
reguliere huisvesting. Hoeft hij zich dan niet te melden of moet hij
een ontheffing aanvragen?
Als de nieuwkomer behoort tot de doelgroep van de WIN en hij is
ingeschreven in het GBA, moet hij zich binnen zes weken na
statusuitreiking of inschrijving in het GBA melden bij de gemeente. In
dit specifieke geval zal dat niet mogelijk zijn en dus zal de
nieuwkomer om een (tijdelijke) ontheffing van de meldingsplicht moeten
vragen. Zolang de nieuwkomer niet voldoet aan beide voorwaarden
(inschrijving in GBA en het hebben van een relevante verblijfstitel)
hoeft hij nog geen actie te ondernemen.
- Gemeenten kunnen Nederlandse nieuwkomers
een ontheffing van de meldingsplicht geven op basis van bepaalde
diploma's (art.3, 1e lid onder b van de WIN). Dit is geregeld in het
Besluit opleidingseisen en in de regeling 'Overzicht
Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse opleidingen en
diplomavergelijking Nederlandse nieuwkomers' (Staatscourant 1998, nr.
183). In laatstgenoemde regeling staat in de toelichting dat
gemeenten, in aanvulling op de regeling, een lijst wordt toegezonden
met daarop de namen en adressen van middelbare scholen op de Antillen
en Aruba. Wanneer kunnen gemeenten deze lijst verwachten?
Deze lijst is opgenomen in het handboek WIN (W1 3-1/4).
- Een nieuwkomer vertelt tijdens het
inburgeringsonderzoek een arbeidscontract te hebben voor een halfjaar
en op eigen initiatief te zijn gestart met het volgen van een cursus
Nederlands (6 uur per week). Kan de gemeente deze nieuwkomer een
tijdelijke ontheffing geven?
Formeel kan de gemeente deze nieuwkomer geen ontheffing meer
verlenen omdat de nieuwkomer zich al heeft gemeld en meewerkt aan het
inburgeringsonderzoek. Wel kan de gemeente de nieuwkomer op basis van
artikel 5, 2e lid van de WIN een vrijstelling geven voor het gehele of
een gedeelte van het educatief programma. Het voordeel van een
vrijstellende beschikking, ten opzichte van een
ontheffingsbeschikking, is dat deze meetelt voor de vaststelling van
het budget voor de gemeente twee jaar later. Er kan ook een educatief
programma worden vastgesteld dat rekening houdt met de werktijden van
de nieuwkomer.
Een nieuwkomer heeft een ontheffing van de
meldingsplicht gevraagd. Omdat deze niet is toegekend, maakt de
nieuwkomer bezwaar. Kan hij de uitspraak over zijn bezwaar afwachten
voordat er verdere stappen worden ondernomen of moet hij nu binnen
vier maanden na de melding starten met het educatief programma?
In dit geval moet de nieuwkomer binnen vier maanden starten met het
educatief programma omdat het maken van bezwaar geen opschortende
werking heeft. Pas als zijn bezwaar gegrond wordt verklaard, hoeft de
nieuwkomer zijn verplichtingen in het kader van de WIN niet meer na te
komen.
- Kan een gemeente uitstel verlenen aan een
nieuwkomer wanneer deze na de start van het inburgeringsprogramma, het
traject tijdelijk wil onderbreken wegens het accepteren van tijdelijk
werk?
Dit is niet mogelijk. Als een nieuwkomer is gestart met het
educatief programma, kan hij geen tijdelijke ontheffing krijgen.
Feitelijk is een tijdelijke onderbreking wel mogelijk. De verplichting
om de toets binnen een jaar na start van het programma af te leggen
blijft dan wel bestaan. Heeft de nieuwkomer voor de toets het hem
opgelegde aantal uren educatief programma nog niet gevolgd, dan zal
hij deze in de periode van doorgeleiding alsnog moeten volgen. Alleen
als hij bij de toets het vastgestelde streefniveau behaalt, kan de
gemeente hem daarvan vrijstellen.
- Kan een nieuwkomer een ontheffing van de
meldingsplicht vragen als hij of zij kinderen onder de vijf jaar
heeft?
Dit is mogelijk. Als de nieuwkomer op gewichtige gronden niet aan
de verplichtingen van de WIN kan voldoen, kan hij een ontheffing van
de meldingsplicht vragen (art. 3, 1e lid, onder c). Onder 'gewichtige
gronden' wordt in elk geval begrepen 'het hebben als ouder van een
volledige verzorgende taak voor een of meer ten laste komende
kinderen, danwel pleegkinderen, jonger dan 5 jaar, zolang er geen
erkende kinderopvang voor deze kinderen beschikbaar is'. Dit staat in
modelbeleidsregels, die gemeenten hebben ontvangen van het Ministerie
van BZK (brief van 29 juli 1998, CIM98/1247).
2.5 Verhuizing
- Een nieuwkomer heeft een ontheffing voor
onbepaalde tijd gekregen. Vervolgens verhuist hij en de tweede
gemeente van vestiging is van mening dat de nieuwkomer wel kan worden
ingeburgerd. Kan deze gemeente de ontheffing voor onbepaalde tijd
herzien en alsnog een inburgeringsprogramma vaststellen?
Dit is niet mogelijk. Een ontheffing voor onbepaalde tijd houdt in
dat de nieuwkomer niet hoeft in te burgeren, ook niet als hij verhuist
naar een andere gemeente. Anders is het als de ontheffing tijdelijk
is. In dat geval blijft de betrokkene inburgeringsplichtig, maar hoeft
hij zich voorlopig niet te melden. Ook bij verhuizing naar een andere
gemeente blijft deze situatie bestaan. De eerste gemeente moet dan de
gegevens van de nieuwkomer overdragen aan de tweede gemeente conform
het Uitvoeringsbesluit, zodat de tweede gemeente de nieuwkomer opnieuw
kan beoordelen. (Bron: rapportage, nr. 27, ICO/CFI)
2.6 Inburgeringsonderzoek
- Wat zijn de minimale eisen voor het
inburgeringsonderzoek?
De criteria voor het houden van een inburgeringsonderzoek zijn
beschreven in het Uitvoeringsbesluit inburgering nieuwkomers,
hoofdstuk 2 en de toelichting (Stb. 1998, 409). Het onderzoek bestaat
uit de volgende onderdelen:
* de beoordeling van het ingevulde aanmeldingsformulier;
* een begingesprek met de nieuwkomer waarin het doel van een
inburgeringsprogramma en de verdere procedure uiteen worden gezet en
de nieuwkomer, zo nodig, om een toelichting op deze gegevens wordt
gevraagd;
* een test van de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de
nieuwkomer ten behoeve van de vaststelling van de inhoud van het
inburgeringsprogramma;
* een eindgesprek met de nieuwkomer waarin met hem het vast te
stellen inburgeringsprogramma, het met het programma te bereiken
einddoel en zijn rechten en verplichtingen worden besproken.
Ook in deel B (Begintraject WIN) van het Handboek WIN wordt
aandacht besteed aan het inburgeringsonderzoek, zie pag. B 1-24 en
verder.
Bij het inburgeringsonderzoek dienen een educatie-instelling en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie te worden betrokken. De betrokkenheid
van deze organisaties is van belang bij het vaststellen van het
inburgeringsprogramma. Voor het bepalen van het opleidingsniveau dat
de nieuwkomer heeft zal het zinvol zijn dat een IDW wordt uitgevoerd (art.
3, uitvoeringsbesluit). (Rapportage Helpdesk Inburgering ICO/CFI nr.
22, oktober 1998)
- Hoe om te gaan met analfabeten?
Analfabete nieuwkomers zullen instromen in een Alfa-NT2-traject. Na
een jaar moet ook een analfabete cursist de verplichte toets afleggen.
De NT2-profieltoets is daarvoor echter niet geschikt en momenteel
wordt gewerkt aan een alternatief. In goed overleg met de gemeente kan
het bereikte resultaat op een andere manier in kaart worden gebracht.
De vorderingen kunnen als bijlage bij het advies van de school worden
gevoegd. (Bron: CINOP)
- Wat is de rol van Arbvo in de WIN? Is
advies Arbvo verplicht?
Ja, de Arbvo wordt in de WIN als een van de partners genoemd
waarbij advies ingewonnen dient te worden. Dit is vooral van belang
voor de nieuwkomer die aan het einde van het traject professioneel
zelfredzaam dient te zijn.
Met name geeft de WIN aan dat Arbeidsvoorziening betrokken moet
zijn bij het inburgeringsonderzoek in de vorm van een administratieve
intake. Doel van deze intake is om:
* de afstand tot de arbeidsmarkt te bepalen;
* een advies te geven m.b.t. het einddoel van het
inburgeringsprogramma (vorm van redzaamheid); en
* advies geven voor inzet beroepenoriëntatie.
- Naast een wettelijk voorgeschreven rol in het
inburgeringsprogramma, o.a. in het inburgeringsonderzoek, speelt de
Arbeidsvoorziening een belangrijke adviserende rol bij de
doorgeleiding naar werk. (Gedeeltelijk ontleend aan rapportage
helpdesk Arbvo)
Moet een nieuwkomer ingeschreven staan bij
het arbeidsbureau?
Als de nieuwkomer een inburgeringsprogramma volgt en een
bijstandsuitkering ontvangt dan dient de nieuwkomer ingeschreven te
staan. Veelal zal de persoon in fase 3 of 4 geregistreerd worden en
voor de duur van het inburgeringsprogramma als tijdelijk niet ter
beschikking voor de arbeidsmarkt worden beschouwd. Tijdens het
inburgeringsonderzoek kan Arbvo in ieder geval de administratieve
intake verzorgen.
- Hoe om te gaan met tegenstrijdige adviezen?
Wie heeft het laatste woord?
De gemeente als eindverantwoordelijke heeft het laatste woord bij
de afweging van (tegenstrijdige) adviezen. In de praktijk zal degene
die namens de gemeente het inburgeringsprogramma opstelt - veelal de
trajectbegeleider - beslissen over de adviezen, in samenspraak met de
nieuwkomer.
- Komt er, in het kader van de WIN, een
standaardtoets voor het beoordelen van de achterstandssituatie van een
nieuwkomer?
Voor het bepalen van de inhoud van een inburgeringsprogramma kan
een gemeente tijdens het inburgeringsonderzoek gebruikmaken van een
test, waarmee kennis, inzicht en vaardigheden van de nieuwkomer worden
vastgesteld. Voor het testen wordt geen standaardinstrument
ontwikkeld. Wel worden in de toelichting op hoofdstuk 2 (criteria
inburgeringsonderzoek) van het Uitvoeringsbesluit inburgering
nieuwkomers (Stb. 1998, 409) een aantal toetsinstrumenten genoemd,
waarvan gemeenten bij het beoordelen van de achterstandssituatie
gebruik kunnen maken. (Bron: rapportage, nr. 21, ICO/CFI)
- Wie moet de kosten van Internationale
diplomawaardering (IDW) betalen?
Als in het kader van het inburgeringsonderzoek IDW vereist is, zijn
de kosten hiervan (Y165,-) voor de gemeente. IDW kan worden betaald
van de inburgeringsgelden of, in het geval het om een
uitkeringsgerechtigde nieuwkomer gaat, van de bijzondere bijstand.
(Bron: rapportage, nr. 31, ICO/CFI)
- Een gemeente heeft op verkeerde gronden
ontheffing aan een nieuwkomer verleend. Kan de gemeente een nieuwe
beschikking afgeven en de nieuwkomer alsnog een inburgeringsprogramma
aanbieden?
Ja, de gemeente kan in dit geval een nieuwe beschikking afgeven. De
inburgeringsplicht van de nieuwkomer kan niet worden opgeheven door
een fout van de gemeente. De gemeente zal een verklaring moeten geven
voor de gemaakte fout en deze vastleggen in het dossier van de
nieuwkomer. Vervolgens kan de gemeente een inburgeringsprogramma
samenstellen en een nieuwe beschikking afgeven. Deze beschikking
vervangt de eerdere beschikking. Alleen de nieuwe beschikking zal
meetellen voor de bekostiging. (Bron: rapportage, nr. 35, ICO/CFI)
- In het controleprotocol 1998 staat dat er
een verklaring van de daartoe bevoegde functionaris van de gemeente,
waaruit blijkt dat de nieuwkomer risico loopt in een
achterstandssituatie te raken, benodigd is. Moet er per persoon een
verklaring worden opgesteld of is ondertekening van het
inburgeringscontract door bovengenoemde functionaris voldoende?
Het controleprotocol van 1998 is komen te vervallen.
- Het inkomen is geen criterium voor het
vaststellen van de mate van achterstand. Is dit een dwingende
bepaling? Staat dit in de wet?
Dit is een dwingende bepaling, waaraan gemeenten zich moeten
houden. Deze regel is echter niet in de wet opgenomen. Als inkomen wel
een criterium zou zijn, heeft dit tot gevolg dat bij elke nieuwkomer
een inkomenstoets moet worden gedaan zoals bij de bijstand. Gezien de
achtergronden van de meeste nieuwkomers zou dit slechts in enkele
gevallen tot mogelijke uitsluiting leiden. De kosten wegen niet op
tegen de baten. Daarom geen inkomenstoets, ook niet onder de wet.
- Wanneer er sprake is van een
samenwerkingsverband tussen gemeenten, maakt dan ook een bevoegd
functionaris de verklaring op waaruit de achterstandssituatie blijkt
of is er per gemeente een bevoegd functionaris?
Dit mag men zelf bepalen. Wanneer elke gemeente zelf de
intakegesprekken blijft doen is het wellicht handig dat er per
gemeente een bevoegd functionaris wordt aangesteld.
2.7 Doorgeleiding
- Kunnen hoger opgeleide nieuwkomers worden
doorgeleid naar HBO/universiteit?
Ja, er zijn mogelijkheden van een schakelklas. In bijlage A UAF bij
het hoofdstuk doorgeleiding wordt hier nader op ingegaan.
- Zijn er mogelijkheden voor overbrugging
behaald niveau (educatie) en (wettelijk of individueel vastgesteld)
streefniveau?
In de doorgeleidingsperiode, die volgt op het jaar waarin het
educatieve programma plaatsvindt, kan gebruik worden gemaakt van de
beschikbare educatiemiddelen (inclusief reguliere middelen) om
nieuwkomers op het gewenste niveau te brengen. Deze mogelijkheid
bestaat ook na afsluiting van het inburgeringsprogramma (na de
doorgeleiding).
- Is een gemeente verplicht zaken te doen met
Arbeidsvoorziening? Mag een gemeente ook met een commercieel
arbeidsbemiddelingsbureau samenwerken?
Een gemeente is slechts verplicht zaken te doen met
Arbeidsvoorziening voorzover het om de wettelijk vastgelegde
betrokkenheid van Arbeidsvoorziening in het kader van het
inburgeringsonderzoek en de doorgeleiding gaat. Het staat de gemeente
daarnaast vrij een ander bureau in te schakelen om nieuwkomers te
bemiddelen voor de arbeidsmarkt. Eventuele kosten hiervan zijn voor
rekening van de gemeente. (Bron: rapportage, nr. 21, ICO/CFI)
- Kan het arbeidsbureau de KWINT (kwalitatieve intake) niet in een
later stadium uitvoeren dan binnen het inburgeringstraject van 12
maanden? Meer dan 80% van de cursisten NT 2 heeft na de 600 uur nog
vervolgtaal nodig (al dan niet in combinatie met andere
toeleidingstrajecten).
De gemeente moet een inburgeringstraject van een nieuwkomer na 12
maanden afsluiten om aan de verplichtingen van de wet te voldoen en om
voor financiële middelen in aanmerking te komen. Binnen die termijn
moet het arbeidsbureau volgens de WIN een advies uitbrengen aan de
gemeente over de vervolgstappen na inburgering (de zgn.
doorgeleiding).
Uit dat advies (uiterlijk 6 weken voor het einde van het
inburgeringsprogramma) zal middels een KWINT blijken of vervolgtaal
noodzakelijk is of een andere vorm van doorgeleiding. Deze activiteit
is voor Arbeidsvoorziening vastgelegd in de wet en valt onder de
basisdienstverlening. (Bron: rapportage helpdesk arbeidsbureau
Nieuwkomers, juni 1999)
Mag Arbeidsvoorziening een maximum stellen aan het aantal
administratieve en kwalificerende intakegesprekken, dat zij kosteloos
voert? Boven dit maximum wil Arbeidsvoorziening de gemeente de kosten
laten betalen.
Dit is niet toegestaan. Arbeidsvoorziening krijgt, net als een
gemeente, een budget voor nieuwkomers. Als meer nieuwkomers dan het
geraamd aantal zich melden, mag Arbeidsvoorziening voor de
intakegesprekken geen rekening indienen bij de gemeente. De
administratieve en de kwalificerende intake moeten worden gefinancierd
uit de basisdienstverlening. Voor meer informatie over de relatie van
Arbeidsvoorziening tot de WIN kunnen gemeenten contact opnemen met het
Arbeidsbureau Nieuwkomers, tel.: (055) 578 71 11. (Bron: rapportage,
nr. 27, ICO/CFI)
- Hoe geschiedt de financiering van
vervolgtrajecten na de inburgering voor nieuwkomers die geen uitkering
genieten?
De financiering geschiedt uit het prestatiebudget dat
Arbeidsvoorziening gekregen heeft. De verdeling van deze aantallen
bemiddelingsplannen zijn door het bestuur vastgesteld en wel als
volgt: 55% voor klanten van gemeenten; 30% voor klanten van uvi's en
15% voor niet-uitkeringsgerechtigden. (Bron: rapportage helpdesk
arbeidsbureau Nieuwkomers, juni 1999)
- Een nieuwkomer heeft zonder problemen 600 uur NT2 gevolgd. Het
vooruitzicht van de toets veroorzaakt bij de nieuwkomer echter
psychische en lichamelijke klachten. Hoe moet hiermee worden omgegaan
gelet op het feit dat de toets een bekostigingscriterium is? De
gemeente kan aantonen dat de nieuwkomer 600 uur onderwijs heeft
gevolgd. Ook is er een advies van de trajectbegeleider en van het ROC
om de toets niet af te leggen en een doktersverklaring kan ook worden
overlegd.
Het feit dat iemand om medische redenen niet in staat is om een
toets af te leggen mag niet leiden tot het niet tellen van een
volledig gevolgd programma. Ook in het reguliere onderwijs bestaan er
mogelijkheden om leerlingen met faalangst op een aangepaste manier te
toetsen. Dit zou een ROC ook kunnen doen. Op basis van de resultaten
kan dan een verklaring worden afgegeven. In een dergelijke situatie is
het verstandig dat het ROC de medische verklaring daarbij vermeldt of
meestuurt. (Bron: rapportage, nr. 29, ICO/CFI)
- Wanneer moet Arbeidsvoorziening de
kwalificerende intake uitvoeren?
De kwalificerende intake moet uiterlijk 6 weken voor het einde van
het inburgeringsprogramma plaatsvinden. Voor meer informatie kan
contact worden opgenomen met het Arbeidsbureau Nieuwkomers, tel. (055)
5787111. (Bron: rapportage, nr. 32, ICO/CFI)
- Bij de gemeente kunnen zich twee
categorieën nieuwkomers melden: nieuwkomers met uitkering en
nieuwkomers zonder uitkering. Vormt de doorgeleiding ook een onderdeel
van het inburgeringsprogramma voor nieuwkomers zonder uitkering?
In artikel 6 van de WIN staat dat doorgeleiding een onderdeel van
het inburgeringsprogramma is. Doorgeleiding is verplicht voor iedere
nieuwkomer, ongeacht of de nieuwkomer een uitkering heeft of niet.
(Bron: rapportage, nr. 34, ICO/CFI)
- Wanneer moet de gemeente het certificaat
uitreiken: direct na het afleggen van de toets of na de doorgeleiding?
In artikel 13, tweede lid van de WIN staat dat de gemeente het
certificaat uitreikt nadat het inburgeringsprogramma is voltooid. Het
inburgeringsprogramma bestaat uit een educatief programma,
maatschappelijke begeleiding en doorgeleiding (artikel 6 WIN). Het
certificaat wordt dus uitgereikt na de doorgeleiding. (Bron:
rapportage, nr. 33, ICO/CFI)
2.8 Toezicht,
controle en handhaving
- Zijn de boetes die in het Boetebesluit
worden genoemd bindend?
De WIN en het Boetebesluit schetsen een kader, waarbinnen gemeenten
kunnen handelen. In het Boetebesluit wordt de hoogte van boetes
aangegeven. Gemeenten kunnen hiervan afwijken op basis van artikel 18,
tweede en vierde lid, van de WIN. Het tweede lid vermeldt dat
gemeenten de boete moeten afstemmen op de ernst van het feit, de
omstandigheden waarin de nieuwkomer verkeert en de mate van
verwijtbaarheid. Wanneer er dringende redenen aanwezig zijn, kan het
college van burgemeester en wethouders besluiten van het opleggen van
een boete af te zien (artikel 18, vierde lid).
- In artikel 17 van de WIN is vastgelegd dat
het toezicht op de naleving van de WIN is opgedragen aan een of meer
ambtenaren binnen de gemeente. Op het toezicht zijn enkele artikelen
van de Leerplichtwet 1969 van toepassing. Betekent dit dat deze taak
moet worden opgedragen aan de leerplichtambtenaar?
Dit kan, maar is niet nodig. De ambtenaar, die met het toezicht
wordt belast, moet op de hoogte zijn van de betreffende artikelen van
de Leerplichtwet. Een trajectbegeleider kan het niet-nakomen van de
verplichtingen van zijn cliënt signaleren en rapporteren aan de
betreffende ambtenaar. Deze stelt vervolgens een onderzoek in. Hij
hoort de betrokken nieuwkomer en probeert hem alsnog aan zijn
verplichtingen te laten voldoen. Als de nieuwkomer dit blijft
weigeren, stuurt de ambtenaar een verslag van zijn bevindingen aan het
college van B en W, waarna een boete kan worden vastgesteld (artikel
17 en 18 WIN). (Bron: rapportage, nr. 22, ICO/CFI)
- Artikel 16 is een van de artikelen van de
Leerplichtwet 1969, op basis waarvan een ambtenaar toezicht moet
houden op naleving van de WIN. Dit artikel regelt dat ambtenaren de
eed of belofte afleggen voordat zij hun ambt aanvaarden. Welke eed of
belofte is dit? Komt hier een speciaal formulier voor?
Dit is de eed of belofte die elke ambtenaar moet afleggen. Er komt
dus geen specifiek formulier voor de ambtenaar die belast is met het
toezicht op het naleven van de WIN.
- In welke vorm moet de boete worden
opgelegd: in de vorm van een beschikking of een aanmaning?
De boete wordt afgegeven in de vorm van een gemeentelijke
beschikking (bijvoorbeeld door de sociale dienst). Meer informatie is
te vinden in het Handboek WIN, deel F: toezicht en sancties. (Bron:
rapportage, nr. 23, ICO/CFI)
- Artikel 20, lid 2, WIN geeft aan dat 'bij
gebreke van betaling het college van B en W de boete, verhoogd met de
op de aanmaning en invordering betrekking hebbende kosten, bij
dwangbevel kan invorderen'. Wie is bevoegd het dwangbevel op te maken?
Het college van B en W kan een ambtenaar aanwijzen die het
dwangbevel opmaakt. Het gaat hier enkel om bestuurlijke boetes die
worden vastgesteld conform de Wet boeten en maatregelen en/of het
Algemeen burgerlijk wetboek. Uitkeringsgerechtigde nieuwkomers worden
immers gesanctioneerd op basis van de Algemene bijstandswet. Voor meer
informatie kan contact worden opgenomen met het Ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, afdeling Voorlichting tel.: (070) 333 44
44). (Bron: rapportage, nr. 28, ICO/CFI)
- Moet de gemeente een boete bij de
nieuwkomer aankondigen en in welke vorm wordt de vastgestelde boete
bekendgemaakt?
Artikel 17 van de WIN regelt het toezicht op de naleving van de
verplichtingen in het kader van inburgering. Het toezicht is
opgedragen aan het college van burgemeester en wethouders, maar voor
de feitelijke uitvoering van het toezicht wijst het college een of
meer ambtenaren aan. In eerste instantie is het de rol van de
trajectbegeleider om de nieuwkomer te wijzen op het feit dat hij een
boete zal krijgen bij het niet-nakomen van zijn verplichting, zonder
dat een grond voor ontheffing aanwezig is. Als de trajectbegeleider
hier niet in slaagt, kan de door het college van B en W aangestelde
ambtenaar een onderzoek instellen. In het kader van dat onderzoek zal
hij de betrokken nieuwkomer moeten horen en proberen hem te bewegen
zijn verplichting alsnog na te komen. Als de nieuwkomer weigert dit te
doen, zal de ambtenaar een verslag van zijn bevindingen sturen aan het
college van B en W (artikel 17, derde lid). Het college kan de
nieuwkomer vervolgens zo nodig een boete opleggen. Deze boete wordt
afgegeven in de vorm van een gemeentelijke beschikking (bijvoorbeeld
door de sociale dienst). (Bron: rapportage, nr. 24, ICO/CFI)
- In artikel 17 van de WIN staat dat 'de
ambtenaar een verslag van bevindingen stuurt aan het college van
burgemeester en wethouders'. Is een verslag voldoende of moet een
proces-verbaal worden opgemaakt?
Navraag bij het Ministerie van BZK geeft het volgende antwoord. In
artikel 17 van de WIN wordt naar een aantal artikelen van de
Leerplichtwet verwezen. In deze opsomming is artikel 22 van de
Leerplichtwet, waarin de ambtenaar wordt verplicht een proces-verbaal
van zijn bevindingen te sturen aan de Officier van Justitie, niet
opgenomen. Er is bewust niet gekozen voor een dergelijke
strafrechtelijke procedure. Onder de WIN moet de ambtenaar, die door B
en W is aangewezen om toe te zien op de naleving van de WIN, een
verslag van zijn bevindingen zenden aan B en W. Aan dit verslag worden
geen eisen gesteld (het is vormvrij), behalve dat het moet zijn
voorzien van de handtekening van de ambtenaar. (Bron: rapportage, nr.
25, ICO/CFI)
- Strookt de periode van twee weken, waarin
de boete moet worden betaald met de periode van zes weken, waarin
bezwaar kan worden gemaakt tegen het opleggen van de boete?
Het indienen van een bezwaarschrift heeft geen opschortende werking
voor het betalen ervan. Dit betekent dat de nieuwkomer de boete binnen
de gestelde termijn zal moeten betalen. Als blijkt dat de nieuwkomer
na het indienen van zijn bezwaarschrift in het gelijk wordt gesteld,
zal het bedrag door de gemeente aan de betrokkene worden terugbetaald.
(Bron: rapportage, nr. 24, ICO/CFI)
- Een nieuwkomer weigert haar verplichtingen
in het kader van de WIN na te komen. Haar partner geeft aan de boetes,
die hiervoor worden opgelegd, te betalen. Kan een nieuwkomer op deze
manier haar verplichtingen afkopen? Hoe moet een gemeente in deze
situatie handelen?
Het is niet mogelijk om de inburgeringsplicht af te kopen. Zolang
de nieuwkomer zich niet heeft gemeld bij de gemeente, kan de gemeente
volgens het Boetebesluit 'oneindig' boetes opleggen. Zodra de
nieuwkomer zich heeft gemeld bij de gemeente, is de periode waarin een
boete kan worden opgelegd (bij voortdurende weigering de
verplichtingen na te komen), beperkt tot maximaal 22 maanden. Deze 22
maanden zijn als volgt opgebouwd:
* 4 maanden: de periode waarbinnen de nieuwkomer moet zijn gestart
met het educatief programma;
* 12 maanden: de periode waarbinnen de nieuwkomer zijn toets moet
hebben afgelegd;
* 6 maanden: de periode waarbinnen de nieuwkomer moet zijn
overgedragen aan vervolgonderwijs of Arbeidsvoorziening.
Na deze periode bestaat er geen inburgeringsplicht meer voor de
nieuwkomer. (Bron: rapportage, nr. 24, ICO/CFI)
- Hoe lang kan een gemeente een nieuwkomer
sanctioneren als deze blijft weigeren aan zijn verplichtingen in het
kader van de WIN te voldoen?
Zolang de nieuwkomer zich niet heeft gemeld bij de gemeente, kan de
gemeente hem volgens het Boetebesluit (Stb. 1998, 330) 'oneindig'
blijven sanctioneren. Zodra de nieuwkomer zich heeft gemeld, is de
periode waarin een boete kan worden opgelegd nog maximaal 22 maanden.
Afhankelijk van het moment waarop de betrokkene weigert mee te werken
aan het inburgeringsprogramma, kan de termijn van sanctioneren korter
zijn. Hierna zijn de termijnen weergegeven:
* een nieuwkomer moet zich melden binnen zes weken nadat hij zich
heeft ingeschreven in de gemeente (dit geldt voor nieuwkomers die uit
een AZC komen; artikel 2, tweede lid, onder a) of een status heeft
gekregen, of zich in de gemeente heeft ingeschreven (dit geldt voor de
overige nieuwkomers; artikel 2, tweede lid, onder b);
* het bevoegd gezag van het ROC zorgt ervoor dat het educatieve
programma voor een nieuwkomer binnen vier maanden start nadat hij zich
heeft gemeld bij de gemeente (WIN, hoofdstuk 7 onder K: artikel 8.1.3
van de WEB). Dit betekent dat binnen deze termijn het
inburgeringsonderzoek moet zijn afgerond;
* binnen ,,n jaar na inschrijving bij de onderwijsinstelling moet
de nieuwkomer de toets afleggen (artikel 10, eerste lid);
* tot slot zorgt de gemeente ervoor dat het inburgeringsprogramma
binnen zes maanden, nadat de nieuwkomer de toets heeft afgelegd, is
afgerond (artikel 13, eerste lid).
Na deze termijnen bestaat er geen inburgeringsplicht meer voor de
nieuwkomer en kan de gemeente geen boete meer opleggen. (Bron:
rapportage, nr. 26, ICO/CFI)
- Moet een gemeente verantwoording afleggen
over de gelden die binnenkomen als gevolg van het opleggen van een
bestuurlijke boete aan een niet-uitkeringsgerechtigde nieuwkomer? Is
de gemeente verplicht de gelden in te zetten voor inburgering?
Dit is niet nodig. De Abw regelt wel de inzet van de gelden die
binnenkomen als gevolg van een sanctie aan een uitkeringsgerechtigde
nieuwkomer. De inkomsten die de gemeente heeft van een
niet-uitkeringsgerechtigde nieuwkomer zijn vrij inzetbaar. (Bron:
rapportage, nr. 31, ICO/CFI)
- Is er een maximum aantal uren dat een nieuwkomer mag verzuimen,
voordat de gemeente hem een sanctie kan opleggen?
Dit is niet geregeld in de wet- en regelgeving op het gebied van
inburgering. Presentie en absentie worden door een ROC geregistreerd.
Het ROC kan, in het kader van de WIN, hierover afspraken maken met de
gemeente. In de Leerplichtwet zijn wel voorschriften opgenomen over de
aan- en afwezigheid van leerplichtige leerlingen. (Bron: rapportage,
nr. 33, ICO/CFI)
- Moeten de aanmeldings- en
ontheffingsformulieren aanwezig zijn voor de accountantscontrole over
1998?
Veel gemeenten krijgen via het GBA de informatie dat een nieuwkomer
behoort tot de doelgroep van de WIN en nodigen de betreffende persoon
vervolgens uit voor een gesprek. In die gevallen ontbreekt het
bovengenoemde formulier dan ook.
Het aanmeldings- en ontheffingsformulier op zich zijn geen
aandachtspunten voor de accountantscontrole. Als ze ontbreken, zal op
een andere manier uit het dossier van de nieuwkomer moeten blijken
wanneer hij zich heeft gemeld bij de gemeente.
- Wie moet de boete betalen als een 16- of
17-jarige niet voldoet aan zijn verplichting in het kader van de WIN:
de betrokkene zelf of zijn ouders?
Tot het achttiende levensjaar staan ouders borg voor hun kind. Dit
betekent dat de boete verhaald moet worden op de ouders als de jongere
deze zelf niet kan betalen.