is gestopt en geeft nu de geschiedenis van inburgering
NIEUWS | VRAGEN | SITEMAP | WAT WAS NIEUW | AGENDA | SERVICE | DISCUSSIE
Vragen, antwoorden

komt mede tot stand in samenwerking met het Informatie- centrum Inburgering van CFI, telefoon: (079-3234000), dat ingesteld is door de ministeries van Biza, OCenW en VWS.

Vragen en Antwoorden uit het Handboek Inburgering  van Elsevier Bedrijsinformatie, Den Haag, elsevierwelzijn

Vragen en Antwoorden uit het Handboek Inburgering

(deel 2)

2 Begintraject WIN

terug naar: Inhoudsopgave

2 Begintraject WIN

2.1 Gemeentelijke samenwerking

- Veel vragen van gemeenten richten zich op de wijze waarop de WIN georganiseerd dient te worden. Voor kleine(re) gemeenten speelt daarnaast de vraag hoe samengewerkt kan worden.

Voor de oplossing van een aantal (organisatorische en financiële) problemen zou gemeentelijke samenwerking ook voor de hand liggen.

- In de Onderwijsregeling Inburgering Nieuwkomers 1998 (artikel 2) is de mogelijkheid tot samenwerking en de aanvraagprocedure daarvoor opgenomen. In de WIN wordt niet meer over samenwerking gesproken. Betekent dit dat gemeenten in 1999 niet meer kunnen samenwerken?

Ook onder de WIN kunnen gemeenten samenwerken. Deze mogelijkheid en de aanvraagprocedure zijn opgenomen in het Bekostigingsbesluit Inburgering Nieuwkomers, artikel 5 (Stb. 1998, 441). Gemeenten kunnen de budgetten gezamenlijk besteden. De verantwoording (prestatie) moet echter per gemeente zichtbaar zijn. Dit laatste is nodig om, ingeval een gemeente uit een samenwerkingsverband stapt, op basis van de t-2-systematiek een budget vast te stellen voor de afzonderlijke gemeente. (Bron: Rapportage, nr. 20, ICO/CFI)

- Hoe moet een gemeente handelen als een nieuwkomer verhuist? Wat zijn de wijzigingen ten opzichte van de Onderwijsregeling Inburgering Nieuwkomers 1998?

Volgens de Onderwijsregeling Inburgering Nieuwkomers 1998 kan alleen de eerste gemeente van huisvesting, waar het inburgeringscontract is getekend, de nieuwkomer opvoeren bij de rekening en verantwoording. Het uitwisselen van informatie en het verrekenen van de financiële middelen moeten de betreffende gemeenten onderling regelen. Hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Inburgering Nieuwkomers (Stb. 1998, 409) geeft invulling aan artikel 14 van de WIN (Stb. 1998, 261). Hier wordt vermeld dat gemeenten bij verhuizing van een nieuwkomer met elkaar overeen moeten komen wie de verantwoordelijkheid voor het inburgeringsprogramma op zich neemt. De gemeente van eerste huisvesting is verplicht binnen vier weken na verhuizing mededeling daarvan te doen aan de gemeente van tweede huisvesting. Binnen twee weken daarna wordt door de gemeenten afgesproken, na overleg met de nieuwkomer, welke gemeente de verantwoordelijkheid voor de inburgering op zich neemt. Neemt de nieuwe gemeente van huisvesting de verantwoordelijkheid over, dan dient de eerste gemeente het dossier van de nieuwkomer over te dragen. Wat betreft de verantwoording is het zo geregeld dat de gemeente die de beschikking voor het inburgeringsprogramma afgeeft deze mee mag tellen en de gemeente die de verklaring van het ROC ontvangt, deze in zijn verantwoording opneemt. De beschikking en de verklaring zijn zo beiden telgegevens voor de bekostiging twee jaar later. Eventuele financiële afspraken kunnen de gemeenten onderling maken. Daarover zijn geen algemene regels te stellen, omdat elke verhuizing anders is. (Bron: rapportage, nr. 21 ICO/CFI)

- Gemeenten die samenwerken kopen ter hoogte van de gezamenlijke taakstelling trajecten in bij een ROC. Stel dat gemeente A onder de taakstelling blijft en gemeente B krijgt meer nieuwkomers dan de raming. Hoe kunnen deze gemeenten omgaan met de verdeling van de welzijnscomponent? Kan gemeente A de welzijnscomponent reserveren of is zij verplicht deze af te staan aan gemeente B? In het laatste geval raakt gemeente A haar buffer kwijt en zou gemeente B in het jaar t+2 meer inburgeringsgelden krijgen. Samenwerking is in dat geval niet gunstig.

In geval van samenwerking wordt het samenwerkingsverband door de ministeries als een gemeente gezien. De reservering van de afzonderlijke gemeenten wordt dus ook getotaliseerd. In de verantwoording van de rijksbijdragen moeten de bekostigingsgegevens wel zijn uitgesplitst naar de betrokken gemeenten. Daarmee wordt voorkomen dat bij beëindiging van de samenwerking onduidelijkheid bestaat over het afzonderlijke aandeel van elk van die gemeenten. De wijze waarop de splitsing wordt aangebracht, is aan de gemeenten zelf overgelaten. Denkbaar is dat samenwerkende gemeenten een bepaalde onderlinge toedeling afspreken. Deze hoeft niet gelijk te zijn aan de feitelijke situatie (Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers, Stb. 441, artikel 5 en toelichting).(Bron: rapportage, nr. 22, ICO/CFI)

- Kan een gemeente de nieuwkomer een boete opleggen als hij afwezig is bij de lessen Beroepenoriëntatie?

Indien een nieuwkomer afwezig is bij onderdelen, bijvoorbeeld Beroepenoriëntatie, van het voor hem vastgestelde educatief programma, kan een boete aan de nieuwkomer worden opgelegd. (Bron: rapportage, nr: 34, ICO/CFI.)

- Een gemeente heeft op verkeerde gronden ontheffing van een nieuwkomer verleend. Kan de gemeente een nieuwe beschikking afgeven en de nieuwkomer alsnog een inburgeringsprogramma aanbieden?

Ja, de gemeente kan in dit geval een nieuwe beschikking afgeven. De inburgeringsplicht van de nieuwkomer kan niet worden opgeheven door een fout van de gemeente. De gemeente zal een verklaring moeten geven voor de gemaakte fout en deze vastleggen in het dossier van de nieuwkomer. Vervolgens kan de gemeente een inburgeringsprogramma samenstellen en een nieuwe beschikking afgeven. Juridisch is er geen sprake van vervanging, maar van intrekken van een beschikking en het opstellen van een nieuwe

beschikking. Alleen de nieuwe beschikking zal meetellen voor de bekostiging. (Bron: rapportage, nr: 35, ICO/CFI.)

- Een centrumgemeente wil voor alle betrokken gemeenten in het samenwerkingsverband de uitvoering van de WIN verzorgen (inclusief ondertekenen van beschikking, afgeven van certificaten enz.). Is dit toegestaan?

Ja,een gemeente kan de uitvoering van de WIN voor haar rekening nemen. Door middel van een mandaat geven de betrokken gemeenten aan dat zij hun taken overdragen aan de centrumgemeente. Echter, in geval van samenwerking moeten de bekostigingsgegevens voor de verantwoording per gemeente worden uitgesplitst (artikel 7, 5e lid van het Bekostigingsbesluit). Hiermee wordt voorkomen dat bij beëindiging van de samenwerking onduidelijkheid bestaat over het afzonderlijk deel van elk van die gemeenten. (Bron: rapportage, nr: 37, ICO/CFI.)

- Overleg met een aantal andere gemeenten om tot officiële samenwerking te komen is mislukt. De gemeente ziet het niet zitten om het inburgeringsbeleid alleen uit te voeren. Wat zijn de mogelijkheden voor verdere aanpak? Is het mogelijk alles aan een andere gemeente over te dragen en dus zelf helemaal te stoppen? Hebben jullie informatie over hoe andere gemeenten dit aanpakken? Zie voor informatie: Handboek WIN deel A, Hoofdstuk 4.

- Cfi heeft in december 1998 de beschikking over 1999, gebaseerd op het samenwerkingsverband, verstuurd aan de centrumgemeenten. Toch is in enkele gevallen de eerste betaling van de educatieve component aan de gemeenten apart gedaan. Wat is hiervoor de verklaring?

Gemeenten, die in 1999 voor het eerst gaan samenwerken of de samenwerking voortzetten, hadden dit v¢¢r 1 februari 1999 kenbaar moeten maken aan het Ministerie van VWS. De gemeenten die, ongewenst, apart zijn gefinancierd hebben nagelaten de samenwerking (opnieuw) bij VWS op te geven. De beschikking van Cfi is gebaseerd op de toen bestaande samenwerkingsverbanden. Aangezien Cfi van VWS geen verzoek tot voortzetting van de samenwerking heeft ontvangen, is de beschikking herzien en worden de gemeenten apart gefinancierd.

2.2 Samenwerken met ROC's

- Startmoment cursussen/lange wachttijd gaat van het twaalf-maandentraject af; Zomersluiting ROC's.

In de eindrapportage van de 'Evaluatie inburgeringsbeleid voor nieuwkomers' wordt geconstateerd dat het inburgeringsbeleid mede heeft bijgedragen aan de vergroting van het aantal instroommomenten bij nagenoeg alle ROC's. Dit juist met het oog op het halen van de vier-maandentermijn. Zo heeft tweederde van de statushouders binnen deze termijn kunnen starten met een NT2-cursus. Voor gezinsvormers en herenigers geldt dat voor de helft. In de gevallen dat de termijn niet is gehaald, waren diverse redenen de oorzaak. Wachten op een nieuw instroommoment, problemen met statusverlening en persoonlijke omstandigheden van de nieuwkomers (zie eerdergenoemde eindrapportage pag. 179). Nieuwkomers hebben voorrang boven andere educatiedeelnemers. Daarmee wordt de wachttijd tot een minimum beperkt. Als gevolg daarvan valt niet uit te sluiten dat het soms lastig is zo homogeen mogelijke groepen te starten. Bij analfabete nieuwkomers is dat zeker een probleem.

- Kan een gemeente wijzigingen aanbrengen in de onderwijsovereenkomst van de onderwijsinstelling?

Dit is in principe niet mogelijk. Een ROC heeft zich bij het opstellen van een onderwijsovereenkomst te houden aan artikel 8.1.3 van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs. Eventuele voorstellen tot wijziging van de onderwijsovereenkomst kan de gemeente voorleggen aan de onderwijsinstelling. Het besluit om de wijzigingen al dan niet door te voeren ligt echter bij de instelling.

Uiteraard wordt de wachttijd voor een educatief traject niet in mindering gebracht op de maximale termijn van 12 maanden waarin dit traject moet zijn afgerond. Vanaf het moment van inschrijving bij een ROC start de periode van 12 maanden.

De BVE Raad is in onderhandeling met de vakbonden om voor de BVE-sector een nieuwe CAO af te sluiten per 1 augustus 1999. Deze CAO moet, als het aan de BVE Raad ligt, de bevoegde gezagen van de ROC's in staat stellen het personeel flexibeler in te zetten dan tot op heden mogelijk was. In deze CAO wordt tevens een regeling voorzien die de inzet van personeel in vakantieperioden beter mogelijk maakt. (Bron: BVE Raad)

- Samenwerking ROC/afsluiten contracten?

Het afsluiten van contracten moet bij voorkeur plaatsvinden op het moment dat de afspraken tussen ROC en gemeente op basis van een beleidsplan zijn gemaakt. Echter, uit ervaring blijkt dat in veel gevallen een educatief beleid ontbreekt en dat partijen zich laten leiden door korte-termijnvisies. Gelukkig is in de educatie-contractrelatie tussen gemeente en ROC's een tendens waarneembaar dat het wederzijdse vertrouwen groeit. Zo kan worden geconstateerd dat in een toenemend aantal gevallen sprake is van meerjarige (vierjarige) raamovereenkomsten voor educatie. Door middel van een dergelijke raamovereenkomst wordt de meer permanente onderhandeling ondersteund. Dit niet alleen als gevolg van het langdurig karakter maar vooral ook door de nadruk op overleg, evaluatie en bijstelling. Onlosmakelijk verbonden met deze raamovereenkomsten zijn de zogenoemde productovereenkomsten. Door middel van deze laatstgenoemde overeenkomsten wordt de inhoudelijke vulling van de raamovereenkomst gerealiseerd. Daarbij gaat het om de vertaling van de concrete vraag en aanbod. Modellen van beide soorten overeenkomsten zijn onder andere opgenomen in de WEB-brochure nummer 7 'Educatie: de rol van gemeenten en instellingen' van het Ministerie van OCenW.

Mede vanuit de optiek dat het wenselijk wordt geacht te komen tot een meer integraal lokaal (onderwijs-)beleid, is het aanbevelenswaardig de tussen gemeenten en ROC's af te sluiten contracten inburgering nieuwkomers in de besprekingen en onderhandelingen te betrekken. Daarbij ligt het voor de hand dat de hiervoor genoemde modelovereenkomsten hun diensten kunnen bewijzen. (Bron: BVE Raad)

- Flexibiliteit ROC/is maatwerk mogelijk?

Veel ROC's maakten in 1996 nog gebruik van een standaardaanbod (Evaluatie inburgeringsbeleid voor nieuwkomers, BiZa en VWS, 1997). Ook de Inspectie BVE constateert in zijn evaluatierapportage van het aanloopjaar van de inburgeringstrajecten 'Inburgering uitgeschreven' (september 1997) dat de score op de standaard 'afstemming aanbod op behoeften van de deelnemer' te wensen over laat, dit terwijl in zijn algemeenheid is vastgesteld dat de kwaliteit van het primair onderwijsproces van de educatieve inburgeringstrajecten zich in het aanloopjaar goed heeft ontwikkeld (pag. 62).

Maatwerk is mogelijk als de contracten tussen gemeenten en ROC's daartoe de randvoorwaarden scheppen. In veel gevallen is het denkbaar dat gemeenten kiezen voor standaardtrajecten. Dit kan vervolgens wel op gespannen voet staan met de (individuele) behoeften van de deelnemers. ROC's verzorgen intensieve en minder intensieve cursussen. Dit is mede afhankelijk van de wensen van de opdrachtgevers. De intensiteit verschilt ook tussen ROC's. Het aantal klokuren loopt uiteen van 10 tot 22 per week. Gemiddeld genomen gaat het om cursussen van 15 uur per week, verspreid over ongeveer vijf dagdelen. Dit kan zowel in de avonduren als overdag zijn. In toenemende mate worden nieuwkomers ook in de gelegenheid gesteld buiten lesuren om gebruik te maken van de voorzieningen (bijvoorbeeld computerprogramma's). Zie verder ook de beantwoording van de vraag met betrekking tot startmomenten cursussen.

Het maatwerk kent dus meerdere dimensies. Het gaat dan om programmatische, didactische en organisatorische flexibiliteit. Op dit moment wordt uitvoering gegeven aan een Implementatieplan Kwalificatiestructuur Educatie van alle ROC's. Na afronding (januari 1999) hiervan hebben de ROC's instrumenten in handen waarmee het gevraagde educatieve maatwerk kan worden geleverd. Zodoende kan een belangrijke bijdrage worden geleverd aan de totstandkoming van meer effectieve en efficiënte educatieve trajecten. (Bron: BVE Raad)

2.3 Samenwerken met derden

- Kunnen werkgevers een rol spelen in WIN?

Werkgevers kunnen een rol spelen in het inburgeringsprogramma indien zij nieuwkomers in dienst hebben (die nog inburgeringsplichtig zijn) en hen bijvoorbeeld naast het werk taalcursussen aanbieden. Met de werkgever zullen hierover bindende afspraken gemaakt moeten worden. Daarnaast kunnen werkgevers een rol spelen door taalstages gedurende het inburgeringsprogramma aan te bieden.

- Wat is de rol van Arbeidsvoorziening binnen de inburgering onder de WIN?

Het Centrale Organisatie Werk en Inkomen (CWI) verricht voor nieuwkomers die na de inburgering willen/kunnen gaan werken tijdens het inburgeringsonderzoek een werkintake en een kwalificerende intake uiterlijk 6 weken voor het einde van het inburgeringsprogramma. Daarnaast voert het Centrale Organisatie Werk en Inkomen (CWI) in de regel ook een zogenaamd tussentijds overleg met de WIN-partners (gemeente/bureau nieuwkomers en ROC) en eventueel ook met de nieuwkomer. Aan het einde van het inburgeringsprogramma stelt het Centrale Organisatie Werk en Inkomen (CWI) aan de hand van een kwalificerende intake een reïntegratieadvies op voorzover het gaat om nieuwkomers die in fase 2, 3 of 4 geplaatst worden. Dit reïntegratieadvies gaat naar de gemeente voorzover het om ontvangers van een bijstanduitkering gaat. Voor de zogenaamde NUG'ers, de niet uitkeringsgerechtigden gaat in 2001 het advies naar het reïntegratiebedrijf Kliq, dat het traject vervolgens uitvoert. In 2002 zal de gemeente ook de (financiële) verantwoordelijkheid krijgen voor de NUG'ers. Het is aan de gemeente om vervolgens - mede op basis van het reïntegratieadvies - de nieuwkomer een passend vervolgtraject aan te bieden.

- Is een gemeente verplicht zaken te doen met Arbeidsvoorziening? Mag een gemeente ook met een commercieel arbeidsbemiddelingsbureau samenwerken?

De wettelijke rol van het Centrale Organisatie Werk en Inkomen (CWI) beperkt zich tot het doen van een werk- en een kwalificerende intake en het opstellen van een reïntegratieadvies aan het einde van het inburgeringsprogramma. Voor de doorgeleiding naar de arbeidsmarkt na afloop van het inburgeringsprogramma sluit de gemeente met een door de gemeente gewenst reïntegratiebedrijf een contract. De kosten hiervan zijn voor rekening van de gemeente.

- Moet een nieuwkomer altijd worden ingeschreven bij Arbeidsvoorziening?

De nieuwkomers die na inburgering willen/kunnen gaan werken komen in aanraking met het Centrale Organisatie Werk en Inkomen (CWI) tijdens het inburgeringstraject, omdat het Centrale Organisatie Werk en Inkomen (CWI) voor die nieuwkomers een werk- en kwalificerende intake verricht en een reïntegratieadvies opstelt. Tijdens de werkintake vindt al de registratie plaats van de nieuwkomer.

Niet-uitkeringsgerechtigden worden ingeschreven wanneer men zelf aangeeft te willen werken. Fase 1 cliënten worden vervolgens naar de arbeidsmarkt geleid door het Centrale Organisatie Werk en Inkomen (CWI). Reïntegratieactiviteiten voor cliënten in fase 2, 3 of 4 worden uitgevoerd door de gemeente c.q. door een door de gemeente gecontracteerd reïntegratiebedrijf.

- Mag Arbeidsvoorziening een maximum stellen aan het aantal administratieve en kwalificerende intakegesprekken, dat zij kosteloos voert?

Dit is niet toegestaan. De werk- en de kwalificerende intake en het opstellen van een reïntegratieadvies zijn een onderdeel van de basisdienstverlening. Het Centrale Organisatie Werk en Inkomen (CWI) krijgt, net als een gemeente, een budget voor nieuwkomers. Ook als meer nieuwkomers dan het geraamde aantal zich melden, mag het Centrale Organisatie Werk en Inkomen (CWI) voor de intakegesprekken geen rekening indienen bij de gemeente.

Uitreiking aanmelding-/ontheffingsformulier

- Hoe zijn de rollen verdeeld met betrekking tot de aanmelding van de nieuwkomer? Verstrekt burgerzaken of de vreemdelingendienst het aanmeldings- en ontheffingsformulier aan de nieuwkomer?

Vreemdelingen krijgen het aanmeldings- en ontheffingsformulier uitgereikt wanneer het besluit tot toelating aan hen wordt uitgereikt door de Vreemdelingendienst. Nederlanders krijgen het aanmeldings- en ontheffingsformulier door de gemeente uitgereikt bij inschrijving in de GBA. De gemeente kan de formulieren printen van de diskette, die bij het Handboek WIN zit. De vreemdelingendienst wordt in eerste instantie bevoorraad door het Ministerie van BZK en kan extra formulieren schriftelijk of per fax bestellen bij het secretariaat van het Logistiek Centrum van BZK. Het faxnummer is (079) 361 49 86. Voor deze manier van bevoorraden is gekozen omdat de Vreemdelingendienst formeel niet onder BZK valt, maar onder Justitie. (Bron: Rapportage, nr. 21, ICO/CFI)

- Het verstrekken van gegevens uit GBA aan bijvoorbeeld een Bureau Nieuwkomers zou in strijd zijn met de Wet Persoonsregistraties; Hoe verhoudt de WIN zich tot de privacy?

Uitwisseling van gegevens uit de GBA met Bureau Nieuwkomers hoort tot de mogelijkheden die de GBA-wet biedt. Als het Bureau Nieuwkomers deel uitmaakt van de gemeente (ondergebracht bij een gemeentelijke dienst) dan zijn de regels van de GBA-wet van toepassing. Als het Bureau Nieuwkomers geen gemeentelijke dienst is, dan moeten voor de verstrekking van de gegevens de regels van de Wet Persoonsregistraties (WPR) (wordt Wet bescherming persoonsgegevens) in acht worden genomen.

Verstrekking van gegevens door Bureau Nieuwkomers aan andere organisaties is mogelijk met inachtneming van de WPR. Voor uitwisseling van gegevens met Arbeidsvoorziening zijn bepalingen opgenomen in het Uitvoeringsbesluit inburgering nieuwkomers (Stb. 1998, 409). (Bron: rapportage, nr. 21, ICO/CFI)

- Gaat de periode van 6 weken, waarbinnen de nieuwkomer zich moet melden bij de gemeente, in nadat de beschikking van de status is afgegeven of na afgifte van de pas?

De termijn gaat in nadat de nieuwkomer zijn verblijfsdocument (pas) uitgereikt heeft gekregen van de Vreemdelingendienst. Dit zal via een technische wijziging in de WIN worden veranderd in het moment waarop de beschikking tot toelating (het verlenen van een status) wordt uitgereikt. Een wijziging van deze strekking is inmiddels bij het parlement ingediend. (Bron: rapportage, nr. 22, ICO/CFI)

- Als een nieuwkomer na binnenkomst in Nederland in de gevangenis terechtkomt, is er geen sprake van reguliere huisvesting. Hoeft hij zich dan niet te melden of moet hij een ontheffing aanvragen?

Als de nieuwkomer behoort tot de doelgroep van de WIN en hij is ingeschreven in het GBA, moet hij zich binnen zes weken na afgifte van de beschikking tot toelating of inschrijving in het GBA melden bij de gemeente. In dit specifieke geval zal dat niet mogelijk zijn en dus zal de nieuwkomer om een (tijdelijke) ontheffing van de meldingsplicht moeten vragen. Zolang de nieuwkomer niet voldoet aan beide voorwaarden (inschrijving in GBA

en het hebben van een relevante verblijfstitel) hoeft hij nog geen actie te ondernemen. (Bron: rapportage, nr. 22, ICO/CFI)

2.4 Ontheffing en vrijstelling

- Ontheffing van de meldingsplicht

Het taalbeheersingsniveau is als een van de uitgangspunten gekozen in de wettelijke mogelijkheid om tot ontheffing over te gaan. Voor nieuwkomers met de Nederlandse nationaliteit, zoals Antillianen, wordt ontheffing alleen dan verleend indien de nieuwkomer de Nederlandse taal beheerst op een niveau dat ten minste overeenkomt met het taalniveau van het Staatsexamen Nederlands als tweede taal, zoals dat is geregeld in het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal (zie Besluit opleidingseisen Nederlandse nieuwkomers, Stb. 1998, 408).

Andere gronden voor ontheffing zijn lichamelijke en geestelijke gesteldheid en bijzondere gronden die ter beoordeling zijn aan de gemeente.

- Kan een gemeente een tijdelijke ontheffing verlenen aan een nieuwkomer wanneer deze, wegens zwaarwegende omstandigheden, na de start van het inburgeringsprogramma, het traject tijdelijk wil onderbreken?

Dit is niet mogelijk. Een nieuwkomer kan alleen om een ontheffing van de meldingsplicht vragen. Wanneer hij dat niet doet of de gemeente zijn aanvraag tot ontheffing afwijst, is de nieuwkomer verplicht zich te melden voor het inburgeringsonderzoek. Wanneer de nieuwkomer vervolgens start met het programma, kan hij geen (tijdelijke) ontheffing krijgen.

Feitelijk is een tijdelijke onderbreking wel mogelijk. Is een nieuwkomer om legitieme redenen niet in staat het voor hem vastgestelde programma binnen ,,n jaar af te ronden, dan bestaat de mogelijkheid om hem de nog resterende uren op grond van de opgelegde verplichting te laten volgen in de periode van doorgeleiding. Dit heeft overigens geen invloed op de verplichting om de toets binnen 12 maanden na de start van het educatieve programma af te leggen. Blijkt de nieuwkomer overigens bij deze toets toch het voor hem vastgestelde eindniveau te hebben behaald, dan is dit grond aan de gemeente om de nieuwkomer verder vrij te stellen van de resterende uren. (Bron: Rapportage, nr. 21 ICO/CFI)

- Vaststellen van criteria voor 'gewichtige gronden'

Gemeenten hebben de vrijheid om zelf vast te stellen welke gronden gewichtig genoeg zijn voor ontheffing. Deze gronden mogen echter niet in strijd zijn met de bepalingen in de wet.

Met de GGD kunnen afspraken worden gemaakt voor medische verklaringen, als (tijdelijke) ontheffingen op medische gronden wordt gevraagd. De KNMG heeft als richtlijn dat medische verklaringen niet door de behandelend arts afgegeven kunnen worden (bron: 'Richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens' van de KNMG). Ook met het RIAGG kunnen afspraken worden gemaakt voor snelle keuring en vaststelling van psychische gronden die (tijdelijke) ontheffing rechtvaardigen.

- Hoe om te gaan met zwangerschap?

Zwangerschap is een grond voor tijdelijke ontheffing van de meldingsplicht, niet voor onderbreking van het inburgeringsprogramma. Een veel gehanteerde praktijk is de periode van tijdelijke ontheffing gelijk te stellen aan wat binnen de gemeente gebruikelijk is bij zwangerschapsverlof.

- Een nieuwkomer kan om bepaalde redenen geen onderwijs volgen aan een ROC. Welke mogelijkheden heeft de gemeente om de betreffende persoon wel onderwijs aan te bieden?

Er bestaan twee mogelijkheden om een nieuwkomer toch onderwijs aan te bieden. Allereerst kan het zijn dat het ROC bereid is door te contracteren. De gemeente heeft in dit geval aan haar verplichtingen voldaan onderwijs in te kopen bij een ROC. Het ROC is verantwoordelijk voor het doorcontracteren. Ten tweede kan een nieuwkomer op basis van de resultaten van het inburgeringsonderzoek een volledige vrijstelling krijgen van het educatief programma. De gemeente kan deze vrijstelling onder andere geven als 'aannemelijk is geworden dat de nieuwkomer zijn kennis, inzicht en vaardigheden binnen een redelijke termijn in voldoende mate op een andere manier zal verwerven' (WIN, artikel 5.2). In dit geval kan bij een andere instelling onderwijs worden gevolgd. Dit kan echter niet van de inburgeringsgelden worden betaald.

N.B.: Als blijkt dat een nieuwkomer nooit aan de verplichtingen in het kader van de WIN kan voldoen, kan de gemeente de nieuwkomer ontheffing voor onbepaalde tijd geven (WIN, artikel 3, derde lid, onder a). (Bron: rapportage, nr. 23, ICO/CFI)

- Een nieuwkomer heeft zich aangemeld bij de gemeente en heeft een eerste gesprek gehad in het kader van het inburgeringsonderzoek. Dan blijkt dat de betrokkene wegens omstandigheden (psychische of religieuze redenen) niet wil of kan meewerken aan het inburgeringsprogramma. Kan de gemeente deze nieuwkomer alsnog een ontheffing geven?

Dit is niet mogelijk. Alleen de nieuwkomer zelf kan een verzoek tot ontheffing van de meldingsplicht indienen in plaats van zich te melden. In dit geval heeft de betrokkene zich al gemeld. Er bestaat wettelijk (nog) geen mogelijkheid tot tussentijdse onderbreking van het programma. Feitelijk is een tijdelijke onderbreking wel mogelijk. De verplichting om de toets binnen ,,n jaar na start van het programma af te leggen blijft dan wel bestaan. (Bron: rapportage, nr. 24, ICO/CFI)

- Een nieuwkomer krijgt een ontheffing voor het educatieve programma. Kan de gemeente hem in dat geval maatschappelijke begeleiding geven, betaald van de welzijnsgelden?

Maatschappelijke begeleiding is een verplicht onderdeel van het inburgeringsprogramma (WIN, artikel 6, eerste lid). Ook wanneer een nieuwkomer geen educatief programma volgt, moet maatschappelijke begeleiding worden aangeboden. Deze begeleiding moet uit de inburgeringsgelden worden betaald. In dit geval telt het vastgestelde traject echter niet mee voor de bepaling van het budget twee jaar later omdat er geen toets wordt afgelegd. Het is dan ook aan te raden een nieuwkomer een volledige vrijstelling van het inburgeringsprogramma te geven en maatschappelijke begeleiding te betalen van reguliere welzijnsmiddelen. (Bron: rapportage, nr. 23, ICO/CFI)

- Worden de beschikkingen vertaald?

Nee, bij officiële documenten geldt dat deze in het Nederlands gesteld moeten worden. Dat geldt ook voor de beschikking. Het is aan de gemeente om een vertaling daarvan bij te leveren. (Bron: rapportage, nr. 26, ICO/CFI)

- Wat is volgens de WIN het verschil tussen een ontheffing en een vrijstelling? Kan een nieuwkomer na de start van het inburgeringsprogramma een tussentijdse ontheffing krijgen?

Een gemeente kan een nieuwkomer ontheffen van de meldingsplicht. De ontheffing kan worden afgegeven voor ten hoogste ,,n jaar of voor onbepaalde tijd (artikel 3). Een vrijstelling wordt afgegeven op basis van de resultaten van het inburgeringsonderzoek. Een nieuwkomer kan volledig worden vrijgesteld van inburgering of hij kan een vrijstelling krijgen voor delen van het educatieve programma.

Als de nieuwkomer is gestart met het inburgeringsprogramma is opschorting van de termijn waarbinnen hij de toets moet afleggen (bijvoorbeeld als gevolg van zwangerschap of ziekte) niet mogelijk. Na het afleggen van de toets moet het inburgeringsprogramma binnen een halfjaar zijn voltooid. In deze periode mag een nieuwkomer gemiste uren NT2 inhalen en extra lessen volgen om een hoger taalniveau te bereiken voor doorgeleiding naar de arbeidsmarkt of vervolgonderwijs.

- Twee jonge nieuwkomers kunnen op basis van de WIN worden verplicht tot deelname aan een inburgeringsprogramma. Hun vader wil echter niet (wegens geloof) dat zij naar een openbare school gaan. Hoe kan de gemeente in dit geval handelen?

De twee nieuwkomers kunnen op grond van art. 3, eerste lid onder c (gewichtige gronden) om een ontheffing van de meldingsplicht vragen. Wanneer de nieuwkomers zich wel al hebben gemeld, is er nog de mogelijkheid voor de gemeente om de nieuwkomers op basis van artikel 5.2 van de WIN een volledige vrijstelling te geven en hen dus in de gelegenheid te stellen de kennis, het inzicht en de vaardigheden op een andere wijze (op een andere school) te verwerven. Aan deze vrijstelling kan de voorwaarde worden verbonden op een later tijdstip de toets af te leggen.

- Als een nieuwkomer na binnenkomst in Nederland in de gevangenis terechtkomt, is er geen sprake van reguliere huisvesting. Hoeft hij zich dan niet te melden of moet hij een ontheffing aanvragen?

Als de nieuwkomer behoort tot de doelgroep van de WIN en hij is ingeschreven in het GBA, moet hij zich binnen zes weken na statusuitreiking of inschrijving in het GBA melden bij de gemeente. In dit specifieke geval zal dat niet mogelijk zijn en dus zal de nieuwkomer om een (tijdelijke) ontheffing van de meldingsplicht moeten vragen. Zolang de nieuwkomer niet voldoet aan beide voorwaarden (inschrijving in GBA en het hebben van een relevante verblijfstitel) hoeft hij nog geen actie te ondernemen.

- Gemeenten kunnen Nederlandse nieuwkomers een ontheffing van de meldingsplicht geven op basis van bepaalde diploma's (art.3, 1e lid onder b van de WIN). Dit is geregeld in het Besluit opleidingseisen en in de regeling 'Overzicht Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse opleidingen en diplomavergelijking Nederlandse nieuwkomers' (Staatscourant 1998, nr. 183). In laatstgenoemde regeling staat in de toelichting dat gemeenten, in aanvulling op de regeling, een lijst wordt toegezonden met daarop de namen en adressen van middelbare scholen op de Antillen en Aruba. Wanneer kunnen gemeenten deze lijst verwachten?

Deze lijst is opgenomen in het handboek WIN (W1 3-1/4).

- Een nieuwkomer vertelt tijdens het inburgeringsonderzoek een arbeidscontract te hebben voor een halfjaar en op eigen initiatief te zijn gestart met het volgen van een cursus Nederlands (6 uur per week). Kan de gemeente deze nieuwkomer een tijdelijke ontheffing geven?

Formeel kan de gemeente deze nieuwkomer geen ontheffing meer verlenen omdat de nieuwkomer zich al heeft gemeld en meewerkt aan het inburgeringsonderzoek. Wel kan de gemeente de nieuwkomer op basis van artikel 5, 2e lid van de WIN een vrijstelling geven voor het gehele of een gedeelte van het educatief programma. Het voordeel van een vrijstellende beschikking, ten opzichte van een ontheffingsbeschikking, is dat deze meetelt voor de vaststelling van het budget voor de gemeente twee jaar later. Er kan ook een educatief programma worden vastgesteld dat rekening houdt met de werktijden van de nieuwkomer.

Een nieuwkomer heeft een ontheffing van de meldingsplicht gevraagd. Omdat deze niet is toegekend, maakt de nieuwkomer bezwaar. Kan hij de uitspraak over zijn bezwaar afwachten voordat er verdere stappen worden ondernomen of moet hij nu binnen vier maanden na de melding starten met het educatief programma?

In dit geval moet de nieuwkomer binnen vier maanden starten met het educatief programma omdat het maken van bezwaar geen opschortende werking heeft. Pas als zijn bezwaar gegrond wordt verklaard, hoeft de nieuwkomer zijn verplichtingen in het kader van de WIN niet meer na te komen.

- Kan een gemeente uitstel verlenen aan een nieuwkomer wanneer deze na de start van het inburgeringsprogramma, het traject tijdelijk wil onderbreken wegens het accepteren van tijdelijk werk?

Dit is niet mogelijk. Als een nieuwkomer is gestart met het educatief programma, kan hij geen tijdelijke ontheffing krijgen. Feitelijk is een tijdelijke onderbreking wel mogelijk. De verplichting om de toets binnen een jaar na start van het programma af te leggen blijft dan wel bestaan. Heeft de nieuwkomer voor de toets het hem opgelegde aantal uren educatief programma nog niet gevolgd, dan zal hij deze in de periode van doorgeleiding alsnog moeten volgen. Alleen als hij bij de toets het vastgestelde streefniveau behaalt, kan de gemeente hem daarvan vrijstellen.

- Kan een nieuwkomer een ontheffing van de meldingsplicht vragen als hij of zij kinderen onder de vijf jaar heeft?

Dit is mogelijk. Als de nieuwkomer op gewichtige gronden niet aan de verplichtingen van de WIN kan voldoen, kan hij een ontheffing van de meldingsplicht vragen (art. 3, 1e lid, onder c). Onder 'gewichtige gronden' wordt in elk geval begrepen 'het hebben als ouder van een volledige verzorgende taak voor een of meer ten laste komende kinderen, danwel pleegkinderen, jonger dan 5 jaar, zolang er geen erkende kinderopvang voor deze kinderen beschikbaar is'. Dit staat in modelbeleidsregels, die gemeenten hebben ontvangen van het Ministerie van BZK (brief van 29 juli 1998, CIM98/1247).

2.5 Verhuizing

- Een nieuwkomer heeft een ontheffing voor onbepaalde tijd gekregen. Vervolgens verhuist hij en de tweede gemeente van vestiging is van mening dat de nieuwkomer wel kan worden ingeburgerd. Kan deze gemeente de ontheffing voor onbepaalde tijd herzien en alsnog een inburgeringsprogramma vaststellen?

Dit is niet mogelijk. Een ontheffing voor onbepaalde tijd houdt in dat de nieuwkomer niet hoeft in te burgeren, ook niet als hij verhuist naar een andere gemeente. Anders is het als de ontheffing tijdelijk is. In dat geval blijft de betrokkene inburgeringsplichtig, maar hoeft hij zich voorlopig niet te melden. Ook bij verhuizing naar een andere gemeente blijft deze situatie bestaan. De eerste gemeente moet dan de gegevens van de nieuwkomer overdragen aan de tweede gemeente conform het Uitvoeringsbesluit, zodat de tweede gemeente de nieuwkomer opnieuw kan beoordelen. (Bron: rapportage, nr. 27, ICO/CFI)

2.6 Inburgeringsonderzoek

- Wat zijn de minimale eisen voor het inburgeringsonderzoek?

De criteria voor het houden van een inburgeringsonderzoek zijn beschreven in het Uitvoeringsbesluit inburgering nieuwkomers, hoofdstuk 2 en de toelichting (Stb. 1998, 409). Het onderzoek bestaat uit de volgende onderdelen:

* de beoordeling van het ingevulde aanmeldingsformulier;

* een begingesprek met de nieuwkomer waarin het doel van een inburgeringsprogramma en de verdere procedure uiteen worden gezet en de nieuwkomer, zo nodig, om een toelichting op deze gegevens wordt gevraagd;

* een test van de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de nieuwkomer ten behoeve van de vaststelling van de inhoud van het inburgeringsprogramma;

* een eindgesprek met de nieuwkomer waarin met hem het vast te stellen inburgeringsprogramma, het met het programma te bereiken einddoel en zijn rechten en verplichtingen worden besproken.

Ook in deel B (Begintraject WIN) van het Handboek WIN wordt aandacht besteed aan het inburgeringsonderzoek, zie pag. B 1-24 en verder.

Bij het inburgeringsonderzoek dienen een educatie-instelling en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te worden betrokken. De betrokkenheid van deze organisaties is van belang bij het vaststellen van het inburgeringsprogramma. Voor het bepalen van het opleidingsniveau dat de nieuwkomer heeft zal het zinvol zijn dat een IDW wordt uitgevoerd (art. 3, uitvoeringsbesluit). (Rapportage Helpdesk Inburgering ICO/CFI nr. 22, oktober 1998)

- Hoe om te gaan met analfabeten?

Analfabete nieuwkomers zullen instromen in een Alfa-NT2-traject. Na een jaar moet ook een analfabete cursist de verplichte toets afleggen. De NT2-profieltoets is daarvoor echter niet geschikt en momenteel wordt gewerkt aan een alternatief. In goed overleg met de gemeente kan het bereikte resultaat op een andere manier in kaart worden gebracht. De vorderingen kunnen als bijlage bij het advies van de school worden gevoegd. (Bron: CINOP)

- Wat is de rol van Arbvo in de WIN? Is advies Arbvo verplicht?

Ja, de Arbvo wordt in de WIN als een van de partners genoemd waarbij advies ingewonnen dient te worden. Dit is vooral van belang voor de nieuwkomer die aan het einde van het traject professioneel zelfredzaam dient te zijn.

Met name geeft de WIN aan dat Arbeidsvoorziening betrokken moet zijn bij het inburgeringsonderzoek in de vorm van een administratieve intake. Doel van deze intake is om:

* de afstand tot de arbeidsmarkt te bepalen;

* een advies te geven m.b.t. het einddoel van het inburgeringsprogramma (vorm van redzaamheid); en

* advies geven voor inzet beroepenoriëntatie.

- Naast een wettelijk voorgeschreven rol in het inburgeringsprogramma, o.a. in het inburgeringsonderzoek, speelt de Arbeidsvoorziening een belangrijke adviserende rol bij de doorgeleiding naar werk. (Gedeeltelijk ontleend aan rapportage helpdesk Arbvo)

Moet een nieuwkomer ingeschreven staan bij het arbeidsbureau?

Als de nieuwkomer een inburgeringsprogramma volgt en een bijstandsuitkering ontvangt dan dient de nieuwkomer ingeschreven te staan. Veelal zal de persoon in fase 3 of 4 geregistreerd worden en voor de duur van het inburgeringsprogramma als tijdelijk niet ter beschikking voor de arbeidsmarkt worden beschouwd. Tijdens het inburgeringsonderzoek kan Arbvo in ieder geval de administratieve intake verzorgen.

- Hoe om te gaan met tegenstrijdige adviezen? Wie heeft het laatste woord?

De gemeente als eindverantwoordelijke heeft het laatste woord bij de afweging van (tegenstrijdige) adviezen. In de praktijk zal degene die namens de gemeente het inburgeringsprogramma opstelt - veelal de trajectbegeleider - beslissen over de adviezen, in samenspraak met de nieuwkomer.

- Komt er, in het kader van de WIN, een standaardtoets voor het beoordelen van de achterstandssituatie van een nieuwkomer?

Voor het bepalen van de inhoud van een inburgeringsprogramma kan een gemeente tijdens het inburgeringsonderzoek gebruikmaken van een test, waarmee kennis, inzicht en vaardigheden van de nieuwkomer worden vastgesteld. Voor het testen wordt geen standaardinstrument ontwikkeld. Wel worden in de toelichting op hoofdstuk 2 (criteria inburgeringsonderzoek) van het Uitvoeringsbesluit inburgering nieuwkomers (Stb. 1998, 409) een aantal toetsinstrumenten genoemd, waarvan gemeenten bij het beoordelen van de achterstandssituatie gebruik kunnen maken. (Bron: rapportage, nr. 21, ICO/CFI)

- Wie moet de kosten van Internationale diplomawaardering (IDW) betalen?

Als in het kader van het inburgeringsonderzoek IDW vereist is, zijn de kosten hiervan (Y165,-) voor de gemeente. IDW kan worden betaald van de inburgeringsgelden of, in het geval het om een uitkeringsgerechtigde nieuwkomer gaat, van de bijzondere bijstand. (Bron: rapportage, nr. 31, ICO/CFI)

- Een gemeente heeft op verkeerde gronden ontheffing aan een nieuwkomer verleend. Kan de gemeente een nieuwe beschikking afgeven en de nieuwkomer alsnog een inburgeringsprogramma aanbieden?

Ja, de gemeente kan in dit geval een nieuwe beschikking afgeven. De inburgeringsplicht van de nieuwkomer kan niet worden opgeheven door een fout van de gemeente. De gemeente zal een verklaring moeten geven voor de gemaakte fout en deze vastleggen in het dossier van de nieuwkomer. Vervolgens kan de gemeente een inburgeringsprogramma samenstellen en een nieuwe beschikking afgeven. Deze beschikking vervangt de eerdere beschikking. Alleen de nieuwe beschikking zal meetellen voor de bekostiging. (Bron: rapportage, nr. 35, ICO/CFI)

- In het controleprotocol 1998 staat dat er een verklaring van de daartoe bevoegde functionaris van de gemeente, waaruit blijkt dat de nieuwkomer risico loopt in een achterstandssituatie te raken, benodigd is. Moet er per persoon een verklaring worden opgesteld of is ondertekening van het inburgeringscontract door bovengenoemde functionaris voldoende?

Het controleprotocol van 1998 is komen te vervallen.

- Het inkomen is geen criterium voor het vaststellen van de mate van achterstand. Is dit een dwingende bepaling? Staat dit in de wet?

Dit is een dwingende bepaling, waaraan gemeenten zich moeten houden. Deze regel is echter niet in de wet opgenomen. Als inkomen wel een criterium zou zijn, heeft dit tot gevolg dat bij elke nieuwkomer een inkomenstoets moet worden gedaan zoals bij de bijstand. Gezien de achtergronden van de meeste nieuwkomers zou dit slechts in enkele gevallen tot mogelijke uitsluiting leiden. De kosten wegen niet op tegen de baten. Daarom geen inkomenstoets, ook niet onder de wet.

- Wanneer er sprake is van een samenwerkingsverband tussen gemeenten, maakt dan ook een bevoegd functionaris de verklaring op waaruit de achterstandssituatie blijkt of is er per gemeente een bevoegd functionaris?

Dit mag men zelf bepalen. Wanneer elke gemeente zelf de intakegesprekken blijft doen is het wellicht handig dat er per gemeente een bevoegd functionaris wordt aangesteld.

2.7 Doorgeleiding

- Kunnen hoger opgeleide nieuwkomers worden doorgeleid naar HBO/universiteit?

Ja, er zijn mogelijkheden van een schakelklas. In bijlage A UAF bij het hoofdstuk doorgeleiding wordt hier nader op ingegaan.

- Zijn er mogelijkheden voor overbrugging behaald niveau (educatie) en (wettelijk of individueel vastgesteld) streefniveau?

In de doorgeleidingsperiode, die volgt op het jaar waarin het educatieve programma plaatsvindt, kan gebruik worden gemaakt van de beschikbare educatiemiddelen (inclusief reguliere middelen) om nieuwkomers op het gewenste niveau te brengen. Deze mogelijkheid bestaat ook na afsluiting van het inburgeringsprogramma (na de doorgeleiding).

- Is een gemeente verplicht zaken te doen met Arbeidsvoorziening? Mag een gemeente ook met een commercieel arbeidsbemiddelingsbureau samenwerken?

Een gemeente is slechts verplicht zaken te doen met Arbeidsvoorziening voorzover het om de wettelijk vastgelegde betrokkenheid van Arbeidsvoorziening in het kader van het inburgeringsonderzoek en de doorgeleiding gaat. Het staat de gemeente daarnaast vrij een ander bureau in te schakelen om nieuwkomers te bemiddelen voor de arbeidsmarkt. Eventuele kosten hiervan zijn voor rekening van de gemeente. (Bron: rapportage, nr. 21, ICO/CFI)

- Kan het arbeidsbureau de KWINT (kwalitatieve intake) niet in een later stadium uitvoeren dan binnen het inburgeringstraject van 12 maanden? Meer dan 80% van de cursisten NT 2 heeft na de 600 uur nog vervolgtaal nodig (al dan niet in combinatie met andere toeleidingstrajecten).

De gemeente moet een inburgeringstraject van een nieuwkomer na 12 maanden afsluiten om aan de verplichtingen van de wet te voldoen en om voor financiële middelen in aanmerking te komen. Binnen die termijn moet het arbeidsbureau volgens de WIN een advies uitbrengen aan de gemeente over de vervolgstappen na inburgering (de zgn. doorgeleiding).

Uit dat advies (uiterlijk 6 weken voor het einde van het inburgeringsprogramma) zal middels een KWINT blijken of vervolgtaal noodzakelijk is of een andere vorm van doorgeleiding. Deze activiteit is voor Arbeidsvoorziening vastgelegd in de wet en valt onder de basisdienstverlening. (Bron: rapportage helpdesk arbeidsbureau Nieuwkomers, juni 1999)

Mag Arbeidsvoorziening een maximum stellen aan het aantal administratieve en kwalificerende intakegesprekken, dat zij kosteloos voert? Boven dit maximum wil Arbeidsvoorziening de gemeente de kosten laten betalen.

Dit is niet toegestaan. Arbeidsvoorziening krijgt, net als een gemeente, een budget voor nieuwkomers. Als meer nieuwkomers dan het geraamd aantal zich melden, mag Arbeidsvoorziening voor de intakegesprekken geen rekening indienen bij de gemeente. De administratieve en de kwalificerende intake moeten worden gefinancierd uit de basisdienstverlening. Voor meer informatie over de relatie van Arbeidsvoorziening tot de WIN kunnen gemeenten contact opnemen met het Arbeidsbureau Nieuwkomers, tel.: (055) 578 71 11. (Bron: rapportage, nr. 27, ICO/CFI)

- Hoe geschiedt de financiering van vervolgtrajecten na de inburgering voor nieuwkomers die geen uitkering genieten?

De financiering geschiedt uit het prestatiebudget dat Arbeidsvoorziening gekregen heeft. De verdeling van deze aantallen bemiddelingsplannen zijn door het bestuur vastgesteld en wel als volgt: 55% voor klanten van gemeenten; 30% voor klanten van uvi's en 15% voor niet-uitkeringsgerechtigden. (Bron: rapportage helpdesk arbeidsbureau Nieuwkomers, juni 1999)

- Een nieuwkomer heeft zonder problemen 600 uur NT2 gevolgd. Het vooruitzicht van de toets veroorzaakt bij de nieuwkomer echter psychische en lichamelijke klachten. Hoe moet hiermee worden omgegaan gelet op het feit dat de toets een bekostigingscriterium is? De gemeente kan aantonen dat de nieuwkomer 600 uur onderwijs heeft gevolgd. Ook is er een advies van de trajectbegeleider en van het ROC om de toets niet af te leggen en een doktersverklaring kan ook worden overlegd.

Het feit dat iemand om medische redenen niet in staat is om een toets af te leggen mag niet leiden tot het niet tellen van een volledig gevolgd programma. Ook in het reguliere onderwijs bestaan er mogelijkheden om leerlingen met faalangst op een aangepaste manier te toetsen. Dit zou een ROC ook kunnen doen. Op basis van de resultaten kan dan een verklaring worden afgegeven. In een dergelijke situatie is het verstandig dat het ROC de medische verklaring daarbij vermeldt of meestuurt. (Bron: rapportage, nr. 29, ICO/CFI)

- Wanneer moet Arbeidsvoorziening de kwalificerende intake uitvoeren?

De kwalificerende intake moet uiterlijk 6 weken voor het einde van het inburgeringsprogramma plaatsvinden. Voor meer informatie kan contact worden opgenomen met het Arbeidsbureau Nieuwkomers, tel. (055) 5787111. (Bron: rapportage, nr. 32, ICO/CFI)

- Bij de gemeente kunnen zich twee categorieën nieuwkomers melden: nieuwkomers met uitkering en nieuwkomers zonder uitkering. Vormt de doorgeleiding ook een onderdeel van het inburgeringsprogramma voor nieuwkomers zonder uitkering?

In artikel 6 van de WIN staat dat doorgeleiding een onderdeel van het inburgeringsprogramma is. Doorgeleiding is verplicht voor iedere nieuwkomer, ongeacht of de nieuwkomer een uitkering heeft of niet. (Bron: rapportage, nr. 34, ICO/CFI)

- Wanneer moet de gemeente het certificaat uitreiken: direct na het afleggen van de toets of na de doorgeleiding?

In artikel 13, tweede lid van de WIN staat dat de gemeente het certificaat uitreikt nadat het inburgeringsprogramma is voltooid. Het inburgeringsprogramma bestaat uit een educatief programma, maatschappelijke begeleiding en doorgeleiding (artikel 6 WIN). Het certificaat wordt dus uitgereikt na de doorgeleiding. (Bron: rapportage, nr. 33, ICO/CFI)

2.8 Toezicht, controle en handhaving

- Zijn de boetes die in het Boetebesluit worden genoemd bindend?

De WIN en het Boetebesluit schetsen een kader, waarbinnen gemeenten kunnen handelen. In het Boetebesluit wordt de hoogte van boetes aangegeven. Gemeenten kunnen hiervan afwijken op basis van artikel 18, tweede en vierde lid, van de WIN. Het tweede lid vermeldt dat gemeenten de boete moeten afstemmen op de ernst van het feit, de omstandigheden waarin de nieuwkomer verkeert en de mate van verwijtbaarheid. Wanneer er dringende redenen aanwezig zijn, kan het college van burgemeester en wethouders besluiten van het opleggen van een boete af te zien (artikel 18, vierde lid).

- In artikel 17 van de WIN is vastgelegd dat het toezicht op de naleving van de WIN is opgedragen aan een of meer ambtenaren binnen de gemeente. Op het toezicht zijn enkele artikelen van de Leerplichtwet 1969 van toepassing. Betekent dit dat deze taak moet worden opgedragen aan de leerplichtambtenaar?

Dit kan, maar is niet nodig. De ambtenaar, die met het toezicht wordt belast, moet op de hoogte zijn van de betreffende artikelen van de Leerplichtwet. Een trajectbegeleider kan het niet-nakomen van de verplichtingen van zijn cliënt signaleren en rapporteren aan de betreffende ambtenaar. Deze stelt vervolgens een onderzoek in. Hij hoort de betrokken nieuwkomer en probeert hem alsnog aan zijn verplichtingen te laten voldoen. Als de nieuwkomer dit blijft weigeren, stuurt de ambtenaar een verslag van zijn bevindingen aan het college van B en W, waarna een boete kan worden vastgesteld (artikel 17 en 18 WIN). (Bron: rapportage, nr. 22, ICO/CFI)

- Artikel 16 is een van de artikelen van de Leerplichtwet 1969, op basis waarvan een ambtenaar toezicht moet houden op naleving van de WIN. Dit artikel regelt dat ambtenaren de eed of belofte afleggen voordat zij hun ambt aanvaarden. Welke eed of belofte is dit? Komt hier een speciaal formulier voor?

Dit is de eed of belofte die elke ambtenaar moet afleggen. Er komt dus geen specifiek formulier voor de ambtenaar die belast is met het toezicht op het naleven van de WIN.

- In welke vorm moet de boete worden opgelegd: in de vorm van een beschikking of een aanmaning?

De boete wordt afgegeven in de vorm van een gemeentelijke beschikking (bijvoorbeeld door de sociale dienst). Meer informatie is te vinden in het Handboek WIN, deel F: toezicht en sancties. (Bron: rapportage, nr. 23, ICO/CFI)

- Artikel 20, lid 2, WIN geeft aan dat 'bij gebreke van betaling het college van B en W de boete, verhoogd met de op de aanmaning en invordering betrekking hebbende kosten, bij dwangbevel kan invorderen'. Wie is bevoegd het dwangbevel op te maken?

Het college van B en W kan een ambtenaar aanwijzen die het dwangbevel opmaakt. Het gaat hier enkel om bestuurlijke boetes die worden vastgesteld conform de Wet boeten en maatregelen en/of het Algemeen burgerlijk wetboek. Uitkeringsgerechtigde nieuwkomers worden immers gesanctioneerd op basis van de Algemene bijstandswet. Voor meer informatie kan contact worden opgenomen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, afdeling Voorlichting tel.: (070) 333 44 44). (Bron: rapportage, nr. 28, ICO/CFI)

- Moet de gemeente een boete bij de nieuwkomer aankondigen en in welke vorm wordt de vastgestelde boete bekendgemaakt?

Artikel 17 van de WIN regelt het toezicht op de naleving van de verplichtingen in het kader van inburgering. Het toezicht is opgedragen aan het college van burgemeester en wethouders, maar voor de feitelijke uitvoering van het toezicht wijst het college een of meer ambtenaren aan. In eerste instantie is het de rol van de trajectbegeleider om de nieuwkomer te wijzen op het feit dat hij een boete zal krijgen bij het niet-nakomen van zijn verplichting, zonder dat een grond voor ontheffing aanwezig is. Als de trajectbegeleider hier niet in slaagt, kan de door het college van B en W aangestelde ambtenaar een onderzoek instellen. In het kader van dat onderzoek zal hij de betrokken nieuwkomer moeten horen en proberen hem te bewegen zijn verplichting alsnog na te komen. Als de nieuwkomer weigert dit te doen, zal de ambtenaar een verslag van zijn bevindingen sturen aan het college van B en W (artikel 17, derde lid). Het college kan de nieuwkomer vervolgens zo nodig een boete opleggen. Deze boete wordt afgegeven in de vorm van een gemeentelijke beschikking (bijvoorbeeld door de sociale dienst). (Bron: rapportage, nr. 24, ICO/CFI)

- In artikel 17 van de WIN staat dat 'de ambtenaar een verslag van bevindingen stuurt aan het college van burgemeester en wethouders'. Is een verslag voldoende of moet een proces-verbaal worden opgemaakt?

Navraag bij het Ministerie van BZK geeft het volgende antwoord. In artikel 17 van de WIN wordt naar een aantal artikelen van de Leerplichtwet verwezen. In deze opsomming is artikel 22 van de Leerplichtwet, waarin de ambtenaar wordt verplicht een proces-verbaal van zijn bevindingen te sturen aan de Officier van Justitie, niet opgenomen. Er is bewust niet gekozen voor een dergelijke strafrechtelijke procedure. Onder de WIN moet de ambtenaar, die door B en W is aangewezen om toe te zien op de naleving van de WIN, een verslag van zijn bevindingen zenden aan B en W. Aan dit verslag worden geen eisen gesteld (het is vormvrij), behalve dat het moet zijn voorzien van de handtekening van de ambtenaar. (Bron: rapportage, nr. 25, ICO/CFI)

- Strookt de periode van twee weken, waarin de boete moet worden betaald met de periode van zes weken, waarin bezwaar kan worden gemaakt tegen het opleggen van de boete?

Het indienen van een bezwaarschrift heeft geen opschortende werking voor het betalen ervan. Dit betekent dat de nieuwkomer de boete binnen de gestelde termijn zal moeten betalen. Als blijkt dat de nieuwkomer na het indienen van zijn bezwaarschrift in het gelijk wordt gesteld, zal het bedrag door de gemeente aan de betrokkene worden terugbetaald. (Bron: rapportage, nr. 24, ICO/CFI)

- Een nieuwkomer weigert haar verplichtingen in het kader van de WIN na te komen. Haar partner geeft aan de boetes, die hiervoor worden opgelegd, te betalen. Kan een nieuwkomer op deze manier haar verplichtingen afkopen? Hoe moet een gemeente in deze situatie handelen?

Het is niet mogelijk om de inburgeringsplicht af te kopen. Zolang de nieuwkomer zich niet heeft gemeld bij de gemeente, kan de gemeente volgens het Boetebesluit 'oneindig' boetes opleggen. Zodra de nieuwkomer zich heeft gemeld bij de gemeente, is de periode waarin een boete kan worden opgelegd (bij voortdurende weigering de verplichtingen na te komen), beperkt tot maximaal 22 maanden. Deze 22 maanden zijn als volgt opgebouwd:

* 4 maanden: de periode waarbinnen de nieuwkomer moet zijn gestart met het educatief programma;

* 12 maanden: de periode waarbinnen de nieuwkomer zijn toets moet hebben afgelegd;

* 6 maanden: de periode waarbinnen de nieuwkomer moet zijn overgedragen aan vervolgonderwijs of Arbeidsvoorziening.

Na deze periode bestaat er geen inburgeringsplicht meer voor de nieuwkomer. (Bron: rapportage, nr. 24, ICO/CFI)

- Hoe lang kan een gemeente een nieuwkomer sanctioneren als deze blijft weigeren aan zijn verplichtingen in het kader van de WIN te voldoen?

Zolang de nieuwkomer zich niet heeft gemeld bij de gemeente, kan de gemeente hem volgens het Boetebesluit (Stb. 1998, 330) 'oneindig' blijven sanctioneren. Zodra de nieuwkomer zich heeft gemeld, is de periode waarin een boete kan worden opgelegd nog maximaal 22 maanden. Afhankelijk van het moment waarop de betrokkene weigert mee te werken aan het inburgeringsprogramma, kan de termijn van sanctioneren korter zijn. Hierna zijn de termijnen weergegeven:

* een nieuwkomer moet zich melden binnen zes weken nadat hij zich heeft ingeschreven in de gemeente (dit geldt voor nieuwkomers die uit een AZC komen; artikel 2, tweede lid, onder a) of een status heeft gekregen, of zich in de gemeente heeft ingeschreven (dit geldt voor de overige nieuwkomers; artikel 2, tweede lid, onder b);

* het bevoegd gezag van het ROC zorgt ervoor dat het educatieve programma voor een nieuwkomer binnen vier maanden start nadat hij zich heeft gemeld bij de gemeente (WIN, hoofdstuk 7 onder K: artikel 8.1.3 van de WEB). Dit betekent dat binnen deze termijn het inburgeringsonderzoek moet zijn afgerond;

* binnen ,,n jaar na inschrijving bij de onderwijsinstelling moet de nieuwkomer de toets afleggen (artikel 10, eerste lid);

* tot slot zorgt de gemeente ervoor dat het inburgeringsprogramma binnen zes maanden, nadat de nieuwkomer de toets heeft afgelegd, is afgerond (artikel 13, eerste lid).

Na deze termijnen bestaat er geen inburgeringsplicht meer voor de nieuwkomer en kan de gemeente geen boete meer opleggen. (Bron: rapportage, nr. 26, ICO/CFI)

- Moet een gemeente verantwoording afleggen over de gelden die binnenkomen als gevolg van het opleggen van een bestuurlijke boete aan een niet-uitkeringsgerechtigde nieuwkomer? Is de gemeente verplicht de gelden in te zetten voor inburgering?

Dit is niet nodig. De Abw regelt wel de inzet van de gelden die binnenkomen als gevolg van een sanctie aan een uitkeringsgerechtigde nieuwkomer. De inkomsten die de gemeente heeft van een niet-uitkeringsgerechtigde nieuwkomer zijn vrij inzetbaar. (Bron: rapportage, nr. 31, ICO/CFI)

- Is er een maximum aantal uren dat een nieuwkomer mag verzuimen, voordat de gemeente hem een sanctie kan opleggen?

Dit is niet geregeld in de wet- en regelgeving op het gebied van inburgering. Presentie en absentie worden door een ROC geregistreerd. Het ROC kan, in het kader van de WIN, hierover afspraken maken met de gemeente. In de Leerplichtwet zijn wel voorschriften opgenomen over de aan- en afwezigheid van leerplichtige leerlingen. (Bron: rapportage, nr. 33, ICO/CFI)

- Moeten de aanmeldings- en ontheffingsformulieren aanwezig zijn voor de accountantscontrole over 1998?

Veel gemeenten krijgen via het GBA de informatie dat een nieuwkomer behoort tot de doelgroep van de WIN en nodigen de betreffende persoon vervolgens uit voor een gesprek. In die gevallen ontbreekt het bovengenoemde formulier dan ook.

Het aanmeldings- en ontheffingsformulier op zich zijn geen aandachtspunten voor de accountantscontrole. Als ze ontbreken, zal op een andere manier uit het dossier van de nieuwkomer moeten blijken wanneer hij zich heeft gemeld bij de gemeente.

- Wie moet de boete betalen als een 16- of 17-jarige niet voldoet aan zijn verplichting in het kader van de WIN: de betrokkene zelf of zijn ouders?

Tot het achttiende levensjaar staan ouders borg voor hun kind. Dit betekent dat de boete verhaald moet worden op de ouders als de jongere deze zelf niet kan betalen.

InburgerNet werd mogelijk gemaakt door het ministerie van Justitie.

Terug naar:
Interactief

Inhoudsopgave