is gestopt en geeft nu de geschiedenis van inburgering
NIEUWS | VRAGEN | SITEMAP | WAT WAS NIEUW | AGENDA | SERVICE | DISCUSSIE
Regels  

Wet inburgering nieuwkomers

Op deze pagina vindt
u een overzicht van relevante wetten, regelingen en circulaires.
De tekst van de Wet inburgering nieuwkomers kunt u nu via InburgerNet opvragen. Van de overige wetten wordt vermeld van welk ministerie de regelgeving afkomstig is. Mogelijk zijn ook deze wetten in de toekomst via InburgerNet opvraagbaar.

Conferentie: "Netwerken voor de
Integratie van Vluchtelingen"

Op 19 april jl. vond in Kontakt der Kontinenten te Soesterberg een (middag)conferentie plaats ter afsluiting van het project "Netwerken voor de Integratie van Vluchtelingen". De middag werd ingeleid door de heer Nazarski, Adjunct Directeur VluchtelingenWerk Nederland. Vervolgens gaf de heer Henk Nijhuis, projectmanager van Netwerken voor de Integratie van Vluchtelingen, een toelichting op de doelstelling en de resultaten van het project. Tot slot van de plenaire sessie hield Prof. Dr. Entzinger, de 'Geestelijke Vader van het Inburgeringsprogramma' een betoog. Vervolgens gingen de deelnemers aan de conferentie uiteen om in een viertal werkgroepen te discussiëren over verschillende thema's gerelateerd aan het project. Hieronder volgt een verslag van de presentatie van de heer Nijhuis en het betoog van Prof. Dr. Entzinger.

De heer Henk Nijhuis, projectmanager van Netwerken voor de Integratie van Vluchtelingen

Organisatie van het project Netwerken voor de Integratie van Vluchtelingen
Nijhuis begon met een toelichting op de organisatie van het project. In Delft en in de Regio Friese Wouden werd met steun van de Europese Commissie gedurende één jaar een speciaal integratieprogramma door en voor vluchtelingen uitgevoerd in aansluiting op de inburgering. Dit project "Netwerken voor de Integratie van Vluchtelingen" werd in de zomer van 1997 geïnitieerd door het landelijk bureau VluchtelingenWerk Nederland en werd uitgevoerd in samenwerking met de zeven gemeenten van Regio de Friese Wouden (RFW), de gemeente Delft, Stichting Pharos, Stichting VON, Stichting voor vluchteling studenten UAF, VluchtelingenWerk Regiobureau Noord en Stichting VluchtelingenWerk Delft. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten trad op als adviseur bij het project. Het project werd medegefinancierd door de Europese Unie. Co-financiers waren: de zeven gemeenten van RFW; de gemeente Delft; het ministerie van BZK; VluchtelingenWerk Nederland en de Stichting Vluchtelingenorganisaties.

Gebrek aan persoonlijke netwerken
Vervolgens ging Nijhuis in op de achtergronden van het project. Het project moest een vervolg bieden op het bestaande inburgeringsprogramma. De doelgroep bestond dan ook uit vluchtelingen die reeds het inburgeringstraject doorlopen hadden. Het inburgeringsbeleid heeft het bereiken van educatieve, professionele en sociale zelfredzaamheid tot doel. Er bestaat echter te weinig verband met de gezondheidszorg en welzijn voor vluchtelingen, met de behoefte van vluchtelingen aan communicatie met de Nederlandse samenleving en met participatie in sociale verbanden. "De aanleiding voor het project was de constatering in de nota Vluchtelingen en Integratie (VluchtelingenWerk, 1997) dat veel vluchtelingen niet beschikken over een persoonlijke netwerk. Er dreigt soms zelfs sociale uitsluiting en isolement", aldus Nijhuis.
Nijhuis noemde een aantal kenmerken van vluchtelingen waardoor deze groep een groter risico op sociaal isolement heeft dan andere nieuwkomers:

  • De grote heterogeniteit van de groep: qua land van herkomst, leeftijd, werkervaring, rechtspositie etc.;
  • Veel vluchtelingen hebben een dubbel perspectief: ze blijven zich oriënteren op het land van herkomst èn ze oriënteren zich op Nederland;
  • Wijze van opvang en integratie in Nederland. Vluchtelingen worden gespreid gehuisvest. En je weet als vluchteling niet of je bij de voor jou gewenste voorzieningen komt.

In datzelfde rapport werd een gebrek aan samenhang in de aanpak van de verschillende diensten die bij inburgering/integratie betrokken zijn gesignaleerd. Een versterking van professionele netwerken moest hier verbetering in gaan brengen. Verder was het belangrijkste uitgangspunt van het project dat: "Integratieprogramma's voor vluchtelingen veel beter kunnen worden afgestemd mèt vluchtelingen", vertelde Nijhuis.

Doel: Bevorderen van persoonlijke netwerken
Het belangrijkste doel van het project was het bevorderen van de persoonlijke netwerken van vluchtelingen. Daartoe werden een aantal subdoelen van het project geformuleerd:

  1. Het project geeft vluchtelingen de kans om ter versterking van het inburgeringsprogramma een op het individu toegesneden vervolgprogramma te volgen;
  2. Het project geeft vluchtelingen een directe rol bij de beleidsvoorbereiding en -uitvoering;
  3. Het project realiseert een professioneel netwerk van instanties die zijn betrokken bij de opvang en integratie van vluchtelingen opdat een overdraagbare samenhangende aanpak ontstaat, zowel op plaatselijk/regionaal als landelijk niveau;
  4. Het project levert een bijdrage aan het opbouwen van een persoonlijk netwerk ter voorkoming van sociaal isolement.

Het opbouwen van zowel professionele als persoonlijke netwerken kreeg vorm door het organiseren van concrete activiteiten die de kansen van vluchtelingen hebben vergroot. Die activiteiten werden (in onderlinge samenhang) op vier beleidsterreinen georganiseerd:

  1. Onderwijs
  2. Werk
  3. Participatie/Communicatie
  4. Gezondheidszorg/Welzijn

Door deelname aan het project zijn de verschillende instanties nu ook beter op de hoogte van elkaars activiteiten, communiceren onderling, verwijzen naar elkaar en stemmen hun activiteiten op elkaar af in een professioneel netwerk.

Enkele resultaten
Nijhuis gaf enkele voorbeelden van de resultaten van het project:

Onderwijs en werk:
In RFW werden 104 vluchtelingenvrouwen geselecteerd die het inburgeringsprogramma doorlopen hadden maar nog geen baan hadden gevonden. 94 daarvan hebben i.h.k.v. het project een vervolgtraject doorlopen met als resultaat:
10 vrouwen hebben werk gevonden;
32 vrouwen volgen een toeleidingstraject;
21 vrouwen volgen een vervolgtraject aan het Friesland College (ROC)
31 vrouwen hebben het traject voor sociale redzaamheid doorlopen.

In Delft werden 44 vluchtelingen geselecteerd voor een vervolgtraject naar opleiding, werk of stage, met als resultaat:
23 vluchtelingen zijn een gerichte beroepsopleiding gestart
24 vluchtelingen hebben een portfolio gemaakt
6 vluchtelingen zijn bemiddeld naar een stage
25 vluchtelingen zijn bemiddeld naar werk.
'Het Geheim van de Smid' is volgens Nijhuis dat: "door het project de gemeenten, de arbeidsbureaus, bureaus nieuwkomers, ofwel alle betrokken instanties werden gedwongen tot een effectieve samenwerking. Bij het uitzetten van een vervolgtraject voor de hogeropgeleide vluchtelingen heeft UAF een belangrijke rol gespeeld. In RFW volgt nu een aantal hoger opgeleide vrouwen een opleiding Hoger Onderwijs. En in Delft studeert nu een aantal vluchtelingen met behoud van uitkering. Ook is er bij het Arbeidsbureau in Delft nu veel meer aandacht voor vluchtelingen doordat we gedurende één jaar voor twee dagen per week een medewerker van Bureau Nieuwkomers bij het Arbeidsbureau hebben gedetacheerd. "

Participatie/Communicatie
In Delft is inmiddels een Ontmoetingscentrum voor vluchtelingen opgezet. Hierin zijn de zelforganisaties van vluchtelingen in Delft gevestigd. Maar er komen ook Nederlandse organisaties, zoals de politie, scholen en woningbouwcorporaties, omdat ze zo goed de vluchtelingen kunnen bereiken en voorlichten. In RFW werd onder meer ondersteuning geboden bij het vinden van vrijwilligerswerk en aan het "Netwerk voor Internationale Vrouwen" door het geven van kadertrainingen. "Deze activiteit heeft sterk bijgedragen aan het doorbreken van het sociaal isolement van een groep van vijfenveertig vrouwen die verspreid over de kerkdorpen van de RFW woont", aldus Nijhuis.

Gezondheidszorg en Welzijn
De Rijksuniversiteit van Groningen heeft een onderzoek gedaan naar de ervaringen van vluchtelingen met de Nederlandse gezondheidszorg in de stad en op het platteland (Over de Kloof, Priscilla de Pree, 1998). Vervolgens is door de RU Groningen en Pharos (Steunpunt Gezondheidszorg Vluchtelingen) een behoeftepeiling gedaan onder vluchtelingen. Aan vluchtelingen werd gevraagd wat zij nodig hadden qua gezondheidszorg. Dit heeft op beide locaties tot een scala aan activiteiten geleid. In Delft onder meer:

  • sluitende afspraken met de huisartsenvereniging over de toeleiding van vluchtelingen naar hun praktijken;
  • het samenstellen van teksten over gezondheid in verschillende talen voor de Delftse kabelkrant;
  • het aanleggen van een voor vluchtelingen toegankelijke informatiebank over gezondheidszorg in het het kantoor van de SVD en in het Ontmoetingscentrum.

Conclusies en aanbevelingen'
Nijhuis concludeerde:

  • "Opvang van vluchtelingen is maatwerk." Het project heeft aangetoond dat intensief maatwerk wat betreft onderwijs/werk in aansluiting op de inburgering in de vorm van vervolgonderwijs, een arbeidsplaats of het doen van vrijwilligerswerk tot goede resultaten leidt voor vluchtelingen. Dergelijke activiteiten dragen dus bij aan het voorkomen van sociale uitsluiting. "Om maatwerk te kunnen leveren zijn professionele netwerken essentieel. Doelmatig functionerende netwerken verdiepen en verbreden het maatwerk", benadrukte Nijhuis.
  • "Ook de regiefunctie van de gemeenten is hierbij belangrijk. Gemeenten moeten zorgen voor een betere afstemming tussen lokale voorzieningen en landelijke expertise-instellingen. Specifiek voor het platteland geldt daarbij dat gemeenten door regionale samenwerking schaalvoordeel kunnen behalen. Door regionale samenwerking wordt ook hun onderhandelingspositie met derden beter."
  • De samenhangende aanpak (van zowel materiële als immateriële aspecten van integratie) heeft nog eens het belang van de welzijncomponent bij inburgering en integratie aangetoond.
  • "Het betrekken van vluchtelingen bij inburgering en integratie is absoluut nodig. Dit kan onder meer door: behoeftepeilingen, klankbordgroepen en zelforganisaties."

Het belangrijkste doel van het project was het verbeteren van persoonlijke netwerken. "Aan het einde van het project vonden de meeste deelnemers dat hun sociaal netwerk vergroot was. Maar ik moet daarbij toegeven dat het moeilijk meetbaar is of dat zonder dit project niet ook gebeurd zou zijn", besloot Nijhuis.

Evaluatie
De evaluatie van het project wordt verzorgd door Ellen Houtman van Bureau Vrijbaan. Op 19 mei a.s. wordt het evaluatierapport besproken door de stuurgroep daarna zal het openbaar gemaakt worden.
Het rapport Netwerken voor de Integratie van Vluchtelingen, Werkwijze Conclusies en aanbevelingen (1999, VluchtelingenWerk Nederland) is verkrijgbaar bij: VluchtelingenWerk Nederland.

Prof. Dr. Entzinger, Hoogleraar Algemene Sociale Wetenschappen Universiteit van Utrecht

"Naar de integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving is veel onderzoek gedaan, maar verhoudingsgewijs weten we weinig over de integratie van vluchtelingen", begon Entzinger zijn betoog. "Het probleem voor het doen van onderzoek is dat vluchtelingen zo'n heterogene groep vormen. Er zijn wel een aantal duidelijke verschillen met arbeidsmigranten aan te geven":

  1. Gedwongen migratie. Arbeidsmigranten hebben een vrijwillig economisch motief voor migratie. Bij vluchtelingen heeft de migratie een gedwongen karakter: migratie vanwege de politieke omstandigheden in het land van herkomst;
  2. Veel onzekerheden en verlies aan identiteit. Vluchtelingen worden meer dan economische migranten geconfronteerd met onzekerheden, onder andere de asielprocedure. Onzekerheid over de asielprocedure en het perspectiefloos wachten leidt vaak tot verlies van identiteit (soms zelfs letterlijk door verlies van documenten). Daar komen nog eens bij: de onzekerheid over familieleden thuis en de angst voor de Lange Arm van het Regime in het land van herkomst. Vluchtelingen hebben dan ook veel (meer) medische en psychische problemen. Ook hebben asielzoekers en vluchtelingen veel meer problemen bij het nemen van initiatieven omdat hen het initiatief door uitsluiting van allerlei voorzieningen ontnomen wordt.
  3. Terugkeerperspectief. Arbeidsmigranten kunnen altijd terug voor vakantie. Vluchtelingen weten niet of en wanneer ze terug kunnen naar het land van herkomst en ze zijn tegelijkertijd wèl nog betrokken bij de politiek van hun land.

Vraagpunten rond de inburgering van vluchtelingen
Entzinger: "Er is een verandering in de vraagpunten rond inburgering waar te nemen van meer principieel naar organisatorisch:

Vijf jaar geleden:

  1. Waarom moet inburgering verplicht zijn? Het antwoord daarop was: als inburgering verplicht is zal de overheid het financieel steunen.
  2. Wat zijn de sancties als je niet mee-inburgert?

Nu:

  1. Op welk moment moet je daadwerkelijk beginnen met inburgeren? Deze vraag komt vaak op in verband met medische en psychische problemen. Zo spoedig mogelijk inburgeren is altijd het beste voor integratie, maar het kan wèl ook valse verwachtingen wekken.
  2. De grote heterogeniteit van de groep vluchtelingen maakt het moeilijk om passende cursussen aan te bieden.
  3. Er vindt nu een sterke professionalisering van de opvang van arbeidsmigranten en met name vluchtelingen plaats. Eerst geschiedde de opvang vooral vanuit VluchtelingenWerk, privaat/ particulier initiatief, nu meer publieke/ statelijke opvang. Maar het particulier initiatief vergroot juist het draagvlak, verstatelijking is dus een beetje jammer in dat opzicht…"

"Het probleem is ook dat het output-denken steeds meer overheerst in Nederland. Er zijn bij het inburgeren heel veel verschillende diensten en instellingen betrokken en elke instelling wordt afgerekend op output. Dit bevordert de samenwerking niet èn het is ook niet stimulerend voor het behandelen van de 'moeilijke gevallen' (bijvoorbeeld vluchtelingen).

Accentverschuivingen in het Nederlandse integratiebeleid
Tot slot signaleert Entzinger accentverschuivingen in het Nederlandse integratiebeleid van groepsemancipatie naar individuele integratie:

Groepsemancipatie
Het Nederlands beleid van vreemdelingen was aanvankelijk niet gericht op integratie in de Nederlandse samenleving maar op welzijn en de mogelijkheid hier de eigen culturele identiteit te beleven. Toen rond 1980 echter geconstateerd werd dat etnische minderheden op verschillende materiële terreinen vaak een achterstand hadden die zich ook in de daaropvolgende generaties dreigde voort te zetten, werden onderwijs, arbeid en huisvesting de speerpunten van beleid. De nadruk kwam te liggen op groepsemancipatie.
De nadruk lag bij de groepsemancipatie op: multiculturalisme, evenredigheid en rechtspluralisme.

Individuele integratie
Door de in 1994 uitgebrachte Contourennota maakte het minderhedenbeleid plaats voor een integratiebeleid. De overheid kijkt de laatste jaren in het kader van die integratie meer individueel naar de groep en men noemt ze daarom niet meer minderheden maar allochtonen. Bij die individuele integratie ligt de nadruk op: individueel pluralisme of assimilatie, gelijke kansen en inburgering. Met de invoering van de WIN (september 1998) is inburgering, ofwel de aanzet tot integratie, zelfs verplicht gesteld.
Zie ook: Het voorportaal van Nederland; inburgeringsbeleid in een multiculturele samenleving,
H. Entzinger in verzamelbundel Multiculturalisme, Uitg. Lemma BV, Utrecht, 1998.

  etnisch cultureel sociaal economisch Politiek juridisch
Groeps-
emancipatie
Multiculturalisme Evenredigheid (eindsituatie) Rechts
pluralisme
Individuele integratie Individueel pluralisme/
Assimilatie
Gelijke kansen   (uitgangssituatie) Inburgering

Schema: Prof. Entzinger

Nota bene:
Groep - 'minderheden'
Individu - 'allochtonen'


Verder naar:
Resultaten, activiteiten EU project onderdeel onderwijs

terug naar boven

InburgerNet werd mogelijk gemaakt door het ministerie van Justitie.