|
Service
Wet inburgering
nieuwkomers
Op deze pagina vindt
u een overzicht van relevante wetten, regelingen en circulaires.
De tekst van de Wet inburgering nieuwkomers kunt u nu via InburgerNet
opvragen. Van de overige wetten wordt vermeld van welk ministerie de
regelgeving afkomstig is. Mogelijk zijn ook deze wetten in de toekomst
via InburgerNet opvraagbaar.
Brief van ministerie aan de
54 gemeenten
Regeling inburgering oudkomers 54
gemeenten (bijlage)
Aanvraagformulier
|
Regeling inburgering oudkomers 54 gemeenten
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
Regeling van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van … september 2003, nr. DDS5237588
Besluit:
Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen en doel van de bijdrage
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a.
Minister: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie;
b.
gemeentebestuur: het college van burgemeesters en wethouders van een gemeente, genoemd in de bijlage bij deze regeling;
c.
oudkomers: leden van etnische minderheidsgroepen van 18 jaar of ouder, die buiten Nederland zijn geboren, al voor langere tijd legaal in Nederland verblijven anders dan voor een tijdelijk doel en die niet verplicht zijn om op grond van de Wet inburgering nieuwkomers een inburgeringsprogramma te volgen;
d.
traject: een inburgeringsprogramma dat de oudkomer volgt en waarbij het onderdeel Nederlands als tweede taal kan worden gekoppeld aan onderdelen voor het bereiken van werk, toegang tot beroepsonderwijs, opvoedingsondersteuning of sociale activering;
e.
prognose: het aantal oudkomers dat naar de verwachting van het gemeentebestuur een traject zal starten in 2004;
f.
monitor: het door de Minister vastgestelde model-document aan de hand waarvan het gemeentebestuur de Minister informatie verschaft over de gemeentelijke uitvoering op het gebied van de inburgering van oudkomers en de resultaten ervan en aan de hand waarvan hoogte van de bijdrage over 2004 wordt vastgesteld als bedoeld in artikel 9.
Artikel 2
Doel van de regeling is:
- a. te bevorderen dat oudkomers die in een maatschappelijke achterstandssituatie verkeren en in het bijzonder diegenen die behoren tot de groep werklozen, opvoeders of geestelijke bedienaren deelnemen aan trajecten en deze afronden om hun maatschappelijke positie te verbeteren; en
- b. te bevorderen dat gemeenten deze trajecten aan oudkomers aanbieden. Hoofdstuk 2. Verlening bijdrage
Artikel 3
-
De Minister verleent het gemeentebestuur een bijdrage voor het in 2004 aanbieden van trajecten aan oudkomers, indien het gemeentebestuur binnen zes weken na inwerkingtreding van de regeling bij de Minister een aanvraag indient en de Minister deze aanvraag goedkeurt.
-
De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt beschikbaar gesteld onder het voorbehoud van autorisatie door de begrotingswetgever.
-
De trajecten die in 2004 worden gestart dienen uiterlijk 31 december 2005 te zijn afgerond.
-
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid bevat de prognose.
Artikel 4
Het aantal oudkomers, genoemd in de bijlage, is vastgesteld naar evenredigheid van het aantal leden van etnische minderheidsgroepen uit de 1e generatie die behoren tot de groep Niet-westerse allochtonen over de afzonderlijke gemeenten.
Het normbedrag voor een traject bedraagt € 6.400.
De hoogte van het bedrag, genoemd in de bijlage, is afhankelijk van het aantal oudkomers, genoemd in de bijlage, en het normbedrag, genoemd in het tweede lid.
Artikel 5
- De Minister verleent het gemeentebestuur de bijdrage, bedoeld in artikel 3, eerste lid, bij wijze van een voorschot.
- Het voorschot is afhankelijk van de prognose en van het bedrag, genoemd in de bijlage, en wordt als volgt vastgesteld:
a. indien de prognose gelijk is aan het aantal oudkomers, genoemd in de bijlage, bedraagt het voorschot het bedrag, genoemd in de bijlage;
b. indien de prognose lager is dan het aantal oudkomers, genoemd in de bijlage, wordt het bedrag, genoemd in de bijlage, naar evenredigheid verminderd;
c. indien de prognose hoger is dan het aantal oudkomers, genoemd in de bijlage, wordt het
- bedrag, genoemd in de bijlage: 1° in het geval het budget toereikend is, naar evenredigheid vermeerderd; 2° in het geval het budget niet toereikend is, vastgesteld conform dat bedrag vermeerderd met een bedrag. Dat bedrag is afhankelijk is van de verdeling van de resterende middelen naar evenredigheid van het aantal oudkomers, genoemd in de bijlage.
- De Minister stelt het voorschot vóór 1 januari 2004 vast.
- Het voorschot wordt uiterlijk 31 mei 2004 betaald.
-
Hoofdstuk 3. Verplichtingen gemeentebestuur
Artikel 6
1. Het gemeentebestuur aan wie het voorschot, bedoeld in artikel 5, is verleend, sluit een overeenkomst met de oudkomer die start met een traject. In deze overeenkomst zijn in ieder geval opgenomen:
a. het doel van het traject;
b. de onderdelen van het traject;
c. het aantal lesuren van het traject;
d. de aard en de omvang van de individuele begeleiding;
e. de verplichtingen van het gemeentebestuur;
f. de verplichtingen van de oudkomer;
g. de informatieoverdracht tussen het gemeentebestuur, de instellingen betrokken bij het aanbieden van het traject en de oudkomer over de voortgang van die oudkomer in het traject;
h. de gevolgen van het niet nakomen van de overeenkomst door de oudkomer.
2. Het gemeentebestuur sluit op grond van deze regeling met een oudkomer slechts één overeenkomst als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 7
-
et gemeentebestuur aan wie het voorschot, bedoeld in artikel 5, is verleend,
draagt zorg dat de oudkomer met wie een overeenkomst als bedoeld in artikel 6 is gesloten een begintoets en een eindtoets wordt afgenomen op grond waarvan het niveau Nederlands als tweede taal van de oudkomer wordt vastgesteld.
-
Voor de begintoets en de eindtoets, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de hierna volgende combinaties van toetsen:
a. de Intaketoets NT2 als begintoets met de NT2-Profieltoets, NT2-Cat of Itemdito als eindtoets; of
b. de Intaketoets Alfabetisering NT2 als begintoets met de NT2-Profieltoets Alfabetisering als eindtoets.
Artikel 8
-
Indien het gemeentebestuur het voorschot is verleend op grond van
een aanvraag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, verstrekt het gemeentebestuur de
Minister de informatie over de gegevens die in de monitor worden gevraagd,
uiterlijk 1 oktober 2004 over de periode januari 2004 tot en met juni 2004,
uiterlijk 1 april 2005 over de periode juli 2004 tot en met december 2004,
uiterlijk 1 oktober 2005 over de periode januari 2005 tot en met juni 2005 en 1
april 2006 over de periode juli 2005 tot en met december 2005.
-
In de monitor worden in ieder geval de volgende prestatiegegevens
gevraagd:
a. het aantal oudkomers met wie een overeenkomst als bedoeld in artikel 6 is gesloten;
b. het aantal oudkomers dat een traject heeft afgerond;
c. het aantal oudkomers dat een traject voortijdig heeft beëindigd;
d. het niveau Nederlands als tweede taal van de oudkomers, bedoeld in onderdeel b, bij afronding van het traject ten opzichte van het niveau Nederlands als tweede taal bij de start van het traject.
-
De verstrekte informatie, bedoeld in het eerste lid, heeft alleen betrekking op trajecten die geheel of gedeeltelijk zijn bekostigd door de bijdrage, bedoeld in artikel 3, eerste lid.
-
Ten behoeve van deze regeling stelt de Minister een accountantsprotocol vast.
-
De verstrekte informatie, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van een accountantsverklaring.
-
Het gemeentebestuur draagt er zorg voor dat zijn accountant meewerkt aan de door of namens de auditdienst van het ministerie van Justitie in te stellen onderzoeken naar de verrichte controlewerkzaamheden door die accountant. De daaraan verbonden kosten zijn begrepen in de bijdrage, bedoeld in artikel 3, eerste lid.
Hoofdstuk 4. Vaststelling bijdrage
Artikel 9
- De Minister stelt de bijdrage vast aan de hand van de in de
monitor verstrekte informatie.
-
De hoogte van de bijdrage voor de kosten wordt als volgt
vastgesteld:
a. vóór 1 juni 2005 over 2004 € 2.667 voor iedere oudkomer met wie een overeenkomst als bedoeld in artikel 6 is gesloten; en
b. vóór 1 juni 2006 over 2005 € 5.333 voor iedere oudkomer die, evenals het gemeentebestuur, aan de verplichtingen, genoemd in de overeenkomst, bedoeld in artikel 6, heeft voldaan en die een begintoets en een eindtoets als bedoeld in artikel 7 is afgenomen.
- Het aantal oudkomers dat de Minister bij het vaststellen
van de bijdrage betrekt, kan het aantal in de beschikking genoemde oudkomers
niet overtreffen.
Artikel 10
-
Het bedrag van de vastgestelde bijdrage, bedoeld in artikel 9, eerste lid, wordt betaald onder verrekening van het voorschot.
-
Indien het bedrag van het voorschot hoger is dan het bedrag van de vastgestelde bijdrage, bedoeld in artikel 9, eerste lid, kan de Minister het verschil terugvorderen.
Artikel 11
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 12
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling inburgering oudkomers 54 gemeenten.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
TOELICHTING
I. Algemeen
Inleiding
Sinds 1999 is door het kabinet structureel geïnvesteerd in het oudkomersbeleid.
Geconstateerd was dat de veelal langer in Nederland verblijvende
leden uit etnische minderheidsgroepen de Nederlandse taal niet of onvoldoende
beheersen om een zelfstandig bestaan te kunnen opbouwen en/of om hun kinderen
voldoende te kunnen ondersteunen bij hun schoolcarrière in het Nederlandse
onderwijssysteem. Als eerste is aan 25 gemeenten die betrokken zijn bij het
Grotestedenbeleid een rijksbijdrage verstrekt via de ‘Bijdrageregeling sociale
integratie en veiligheid G25’ (Stcrt. 1999, 162). Vervolgens zijn via specifieke
bijdrageregelingen middelen ter beschikking gesteld aan 17 gemeenten met meer
dan 60.000 inwoners waarvan 7% of meer etnische minderheden (de Bijdrageregeling
inburgering oudkomers, Stcrt. 1999, 230), en aan 12 gemeenten met tussen de
18.000 en 60.000 inwoners waarvan 7% of meer etnische minderheden (de
Bijdrageregeling inburgering oudkomers 12 gemeenten, Stcrt. 2001, 44). Via de
‘Regeling aanvullende bijdrage inburgering oudkomers 54 gemeenten’ (Stcrt. 2001,
231) zijn aan bedoelde gemeenten extra middelen beschikbaar gesteld. Tot slot
zijn in 2002 middelen ter beschikking gekomen voor landelijke uitbreiding van
het oudkomersbeleid, waar inmiddels ruim 280 gemeenten gebruik van maken
(Regeling inburgering oudkomers, Stcrt. 2002, 175).
De bijdrageregelingen voor de G54 lopen in 2003 af. Om het
oudkomersbeleid in die gemeenten ook in 2004 te continueren is onderhavige
regeling opgesteld. Hiermee wordt tevens een eerste stap gezet op weg naar
harmonisatie van wet- en regelgeving op het gebied van inburgering. Gekozen is
voor een nieuwe systematiek, waarbij meer dan voorheen nadruk wordt gelegd op
het belang van het behalen van resultaten in de inburgering. Dit past in de
ontwikkeling naar een minder vrijblijvend en meer op prestaties gericht
inburgeringsbeleid. Hiermee wordt bovendien aangesloten bij de ontwikkelingen
binnen het Grotestedenbeleid, waarin resultaatsafspraken en prestaties steeds
centraler zijn komen te staan. Toekenning van middelen aan de 54 grote gemeenten
heeft in het kader van de eerdere regelingen plaats gevonden op basis van
meerjarige plannen van gemeenten. Na afloop dienen gemeenten zich te
verantwoorden over de rechtmatigheid van de bestedingen middels een financieel
verslag. Met deze nieuwe regeling worden middelen toegekend op basis van
outputfinanciering. Dit betekent dat achteraf een verrekening plaatsvindt op
basis van de geleverde prestaties. In eerdere regelingen voor de G54 is al wel
voorzien in een rapportage over prestatie-indicatoren om de resultaten, die zijn
behaald met middelen die voor de inburgering van oudkomers ter beschikking
worden gesteld, inzichtelijk te maken. Door in de onderhavige regeling ook op
een deel van die resultaten af te rekenen wordt beoogd om de resultaten van
inburgering te verbeteren.
Inburgeringsovereenkomst
Op grond van deze regeling dienen de oudkomer en het gemeentebestuur een
overeenkomst te sluiten over de individuele afspraken die zij maken over de
invulling van het inburgeringstraject. Door de medeverantwoordelijkheid voor die
individuele afspraken wordt de eigen verantwoordelijkheid van de oudkomer
benadrukt. Dit houdt tevens in dat sancties kunnen worden opgelegd, indien de
oudkomer de overeenkomst niet nakomt.
Gemeentelijke beleidsvrijheid
Het inburgeringsbeleid wordt decentraal uitgevoerd.
Dit betekent dat gemeenten naar eigen inzicht vorm dienen te geven aan de
uitvoering van het inburgeringsbeleid voor oudkomers.
Bij de vormgeving van het traject dient aangesloten te worden bij de situatie
van de individuele oudkomer en bij de gemeentelijke situatie. Bovendien kan bij
het vaststellen van trajecten gebruik worden gemaakt van combinatie van
budgetten. Eén traject bestaat immers vaak uit een combinatie van componenten op
het gebied van Nederlands als tweede taal, werk, toegang tot beroepsonderwijs,
opvoedingsondersteuning of sociale activering.
Outputfinanciering
In de Regeling aanvullende bijdrage inburgering oudkomers 54
gemeenten werd vooruitgelopen op de invoering van outputfinanciering. In
genoemde regeling was voorzien in de aanlevering van gegevens door gemeenten
over de resultaten van het oudkomersbeleid.
Gemeenten verstrekken gegevens over de instroom, succesvolle afronding, uitval
en taalniveau van de oudkomers bij afronding van het traject ten opzichte van
het taalniveau bij de start van het traject. Deze gegevens worden met behulp van
de monitor oudkomers twee keer per jaar verzameld. De reden hiertoe is mede
gelegen in het feit dat de inburgering van oudkomers door de Tweede Kamer als
Groot Project is aangewezen.
In de genoemde regeling voor de kleinere gemeenten, die in 2002 van start is
gegaan, is een stap verder gezet met outputfinanciering en worden gemeenten ook
feitelijk afgerekend op de behaalde resultaten. Deze lijn wordt doorgezet in de
onderhavige regeling. Ook voor de 54 grote gemeenten wordt per 2004 een
bekostigingssystematiek geïntroduceerd die afhankelijk is van het resultaat.
Daarbij worden twee prestatie-indicatoren gehanteerd: het aantal oudkomers
waarmee een overeenkomst wordt gesloten en het aantal afgeronde trajecten. Dit
is een beperkte vorm van outputfinanciering die minder ver gaat dan de regeling
voor de andere gemeenten, waarbinnen ook wordt afgerekend op de toetsresultaten.
De verrekencriteria zijn vergelijkbaar met die voor de Wet inburgering
nieuwkomers.
Normbedrag en normvergoedingen
Uitgangspunt van de bekostigingssystematiek is dat deze
gemiddeld genomen kostendekkend is. Voorafgaand aan het vaststellen van het
normbedrag is onderzoek uitgevoerd onder gemeenten naar de kosten die gemaakt
worden bij de uitvoering van het inburgeringsbeleid. De uitkomsten van dit
onderzoek zijn betrokken bij de vaststelling van het normbedrag. In het
normbedrag is rekening gehouden met de kosten die door de gemeente worden
gemaakt voor educatie, begeleiding, overhead en de overige kosten. Het
normbedrag is de basis voor de bevoorschotting.
Van het normbedrag worden de normvergoedingen afgeleid die van
belang zijn bij de verrekening. Bij de verrekening spelen twee normvergoedingen
een rol. De eerste normvergoeding is voor elke afgesloten overeenkomst en is
aanzienlijk lager dan het normbedrag. De tweede normvergoeding is voor elk
afgerond traject. Het totaal van de twee normvergoedingen ligt hoger dan het
normbedrag. De normvergoedingen zijn zodanig vastgesteld dat geen terugvordering
van middelen zal plaatsvinden bij een gemiddeld presterende gemeente. Maatwerk
blijft het uitgangspunt bij de vormgeving van trajecten. Vanuit dit perspectief
kunnen de kosten per individueel traject variëren, evenals de wijze waarop
bekostiging van een traject in zijn geheel plaatsvindt, rekening houdend met
eventuele educatie- en reïntegratiecomponenten en met de mogelijke extra inzet
van eigen middelen door de gemeente.
Procedure
Gemeenten kunnen in 2003 een aanvraag indienen voor een
bijdrage. Deze aanvraag dient een prognose te bevatten. De prognose vormt het
ambitieniveau die de gemeente heeft met betrekking tot het aantal oudkomers dat
in 2004 een inburgeringstraject zal starten. De hoogte van het voorschot is
afhankelijk van deze gemeentelijke prognose en van het bedrag, genoemd in de
bijlage. Dit bedrag is op zijn beurt weer afhankelijk van het aantal oudkomers
dat in de bijlage is genoemd en het normbedrag voor een traject. Het aantal
oudkomers, genoemd in de bijlage, is vastgesteld naar evenredigheid van het
aantal leden van etnische minderheidsgroepen uit de 1e generatie die behoren tot
de groep Niet-westerse allochtonen in de leeftijdscategorie 15 jaar en ouder
over de afzonderlijke gemeenten. Het voorschot is zodanig bepaald dat een
gemiddeld presterende gemeente kostendekkend kan werken. De prestaties van de
gemeente worden tweemaal per jaar gemeten door middel van de monitor oudkomers.
Vanaf 2004 vormt de monitor eveneens de basis voor financiering. De resultaten
worden vastgesteld op basis van de twee prestatie-indicatoren: het aantal
oudkomers waarmee een overeenkomst is gesloten en het aantal oudkomers dat een
traject heeft afgerond. Op basis van de resultaten in de monitor wordt de hoogte
van de bijdrage definitief vastgesteld onder verrekening van het betaalde
voorschot.
Procesvoorwaarden
De regeling kent een aantal procesmatige
verplichtingen. Deze verplichtingen waren deels reeds opgenomen in de Regeling
aanvullende bijdrage inburgering oudkomers 54 gemeenten. Allereerst zijn
gemeenten verplicht met oudkomers een overeenkomst te sluiten. Hierin zijn de
rechten en plichten van zowel oudkomers als gemeenten vastgelegd. In de
onderhavige regeling is het sluiten van een overeenkomst essentieel voor de
financiering. Alleen oudkomers met wie een overeenkomst is gesloten conform de
eisen in deze regeling, tellen mee bij het vaststellen van de bijdrage. Dit
sluit aan bij de eerste prestatie-indicator. De tweede procesvoorwaarde sluit
aan bij de tweede prestatie-indicator: alleen trajecten die conform de
overeenkomst zijn uitgevoerd en waarvoor tevens een begin- en eindtoets is
uitgevoerd tellen mee als ‘afgerond’. In de regeling is vastgelegd welke toetsen
hiervoor gebruikt mogen worden.
De laatste procesmatige voorwaarde heeft betrekking op de
wijze waarop gegevens worden aangeleverd die benodigd zijn voor het vaststellen
van de bijdrage. Dit gebeurt via de monitor oudkomers. Dit vereist het bijhouden
van persoonsdossiers en de inrichting van een registratiesysteem binnen de
gemeente. Het aanleveren van monitorgegevens dient vergezeld te gaan van een
accountantsverklaring.
Prioritaire doelgroepen
Oudkomers uit de groep werklozen, opvoeders en
geestelijke bedienaren dienen met voorrang een aanbod te krijgen boven andere
groepen oudkomers. Aanleiding voor deze prioritering is dat veel leden uit
etnische minderheidsgroepen die al langer in Nederland verblijven, de
Nederlandse taal niet of onvoldoende beheersen om een zelfstandig bestaan op te
bouwen, hun kinderen te ondersteunen bij de opvoeding en hun schoolcarrière of
op professionele wijze invulling kunnen geven aan hun functie in de Nederlandse
samenleving.
II. Artikelsgewijs
Artikel 1, onderdeel b
De onderhavige regeling is van toepassing op de 54 gemeenten die reeds eerder op grond van de Bijdrageregeling sociale integratie en veiligheid G25, de Bijdrageregeling inburgering oudkomers, de Bijdrageregeling inburgering oudkomers 12 gemeenten of de regeling aanvullende bijdrage inburgering oudkomers 54 gemeenten een bijdrage ontvingen ter uitvoering van het gemeentelijke beleid ter verbetering van de inburgering van oudkomers. De gemeenten worden in de bijlage bij deze regeling met name genoemd.
Artikel 1, onderdeel c
Met de definitie van oudkomer in onderdeel c is aangesloten bij de oudkomer, bedoeld in de bovengenoemde regelingen. Deze definitie sluit personen die reeds op grond van de Wet inburgering nieuwkomers (Win) een inburgeringsprogramma hebben gevolgd niet uit, personen die nog een inburgeringsplicht in het kader van de Win hebben uiteraard wel. Onder leden van etnische minderheidsgroepen die al voor langere tijd in Nederland verblijven worden tevens personen met de Nederlandse nationaliteit verstaan.
Artikel 1, onderdeel d
Trajecten zijn inburgeringsprogramma’s waarbij taalonderwijs gekoppeld kan worden aan andere componenten. De trajecten dienen in het teken te staan van het tussen gemeentebestuur en oudkomer overeengekomen perspectief van de oudkomer om in de Nederlandse samenleving te participeren. Gelet daarop is het van belang taalonderwijs te koppelen aan andere componenten, zoals: werk, toegang tot beroepsonderwijs, opvoedingsondersteuning of sociale activering. Sociale activering moet ruim worden opgevat. Het traject is in dat geval voornamelijk gericht op maatschappelijke participatie.
Artikel 1, onderdeel e
Met de prognose geeft het gemeentebestuur het ambitieniveau aan in termen van het aantal oudkomers dat naar verwachting in 2004 een traject zal starten.
Artikel 2
Het doel van de regeling sluit in voorkomende gevallen niet uit dat ook personen die niet tot genoemde prioritaire doelgroepen behoren trajecten kan worden aangeboden. In de bovengenoemde bijdrageregelingen ten behoeve van de inburgering van oudkomers waren de geestelijke bedienaren niet als prioritaire groep aangewezen. Sinds de motie van het lid Lazrak van 3 juli 2002 (Kamerstukken II 2001/2002, 28 006, nr. 14) dient het gemeentelijke oudkomersbeleid, naast de opvoeders en werklozen, zich echter ook te richten op geestelijke bedienaren. Als geestelijke bedienaar wordt aangemerkt de persoon die arbeid verricht als geestelijk voorganger of godsdienstleraar.
Artikel 3, eerste lid
Ten einde voor een bijdrage op grond van de onderhavige regeling in aanmerking te komen dient het gemeentebestuur een aanvraag in. Voor het indienen van bedoelde aanvraag zal een standaard document worden verstrekt. De Minister keurt de aanvraag in beginsel goed, tenzij het evidente onjuistheden of vergissingen bevat ten aanzien van bijvoorbeeld de prognose van het gemeentebestuur. Dit lid bepaalt dat de bijdrage wordt verleend voor het in 2004 aanbieden van trajecten. Dit betekent dat trajecten die starten in 2005 niet kunnen worden gefinancierd op basis van de onderhavige regeling.
Artikel 3, derde lid
De regeling heeft een eindig karakter. Om voor financiering voor een afgerond traject in aanmerking te komen dient een traject uiterlijk 31 december 2005 te zijn afgerond. Bij het vaststellen van de normvergoeding is rekening gehouden met het feit dat voor 31 december 2005 niet alle gestarte trajecten zullen worden afgerond. Dit betekent dat een gemeente geen nadeel ondervindt als trajecten die uitlopen of worden onderbroken en daardoor niet uiterlijk 31 december 2005 kunnen worden afgerond zolang het percentage trajecten, dat niet tijdig wordt afgerond, niet hoger is dan het gemiddelde.
Artikel 4, eerste lid
De in dit lid bedoelde aantallen zijn gebaseerd op cijfers die jaarlijks door het CBS worden verzameld bij de zogenaamde structurele tellingen op basis van de GBA (peildatum 1-1-03). Met deze cijfers wordt de doelgroep zo goed mogelijk benaderd.
Artikel 4, tweede lid
Voor de totstandkoming van het normbedrag voor een traject wordt verwezen naar het algemeen deel van de toelichting.
Artikel 5, tweede lid
De prognose van de gemeente kan gelijk zijn als, lager of hoger zijn dan het aantal oudkomers genoemd in de bijlage. In onderdeel a van dit lid is geregeld dat het voorschot gelijk is aan het bedrag dat in de bijlage is genoemd, indien de prognose gelijk is aan het aantal oudkomers, genoemd in de bijlage. Onderdeel b regelt de hoogte van het voorschot indien de prognose lager is dan het aantal oudkomers dat genoemd is in de bijlage. In dat geval wordt de hoogte van het bedrag,
genoemd in de bijlage, naar evenredigheid verminderd. De gemeente beoogt in dit geval immers minder oudkomers een traject te laten starten. Indien de prognose hoger is dan het aantal oudkomers, genoemd in de bijlage, is de hoogte van het voorschot geregeld in onderdeel c. Bij het vaststellen van de hoogte van het voorschot in deze situatie speelt de toereikendheid van het budget een rol. Van verhoging kan alleen sprake zijn als andere gemeenten een lagere prognose hebben opgesteld dan het aantal oudkomers genoemd in de bijlage, waardoor middelen kunnen worden herverdeeld. Als het budget toereikend is om alle prognoses van gemeenten te honoreren wordt het bedrag, genoemd in de bijlage, naar evenredigheid vermeerderd. Dit is geregeld in het eerste deel van onderdeel c. Als het budget niet toereikend (onderdeel c, tweede deel) kan slechts een beperkte hoeveelheid middelen herverdeeld worden en kan ingeval de prognose hoger is dan het aantal oudkomers, genoemd in de bijlage, het in de bijlage genoemde bedrag niet naar evenredigheid worden vermeerderd. In dat geval wordt aan gemeenten die een hogere prognose hebben ingediend allereerst het bedrag toebedeeld, zoals genoemd in de bijlage. De resterende middelen worden vervolgens verdeeld over die gemeenten die een hogere prognose hebben ingediend dan het aantal oudkomers, genoemd in de bijlage. Deze verdeling gebeurt naar evenredigheid van het aantal oudkomers, zoals genoemd in de bijlage. Het spreekt voor zich dat gemeenten nooit een hoger voorschot kunnen ontvangen dan behorend bij de prognose die is ingediend.
In de ministeriële beschikking die naar de gemeenten zal worden verstuurd, zal de hoogte van het voorschot worden vermeld, evenals het aantal oudkomers waarvan wordt verwacht dat de gemeente een traject zal laten starten. In de situaties zoals beschreven in de onderdelen a, b, en het eerste deel van c zal dat aantal hetzelfde aantal zijn dat door de gemeente in haar prognose is genoemd. In de situatie van onderdeel c, tweede deel, zal het aantal oudkomers in de beschikking lager zijn dan het aantal dat de gemeente genoemd heeft in haar prognose. De verrekening van de resultaten met de gemeenten vindt plaats op basis van het aantal oudkomers dat in de beschikking is genoemd.
Artikel 6, eerste lid
Krachtens dit artikel is het gemeentebestuur dat een voorschot als bedoeld in artikel 5 heeft ontvangen, verplicht de individuele afspraken tussen het gemeentebestuur en de oudkomer met betrekking tot het traject in de overeenkomst neer te leggen. Door een dergelijke overeenkomst worden de wederzijdse rechten en verplichtingen inzake het aanbieden en volgen van het traject eenduidig vastgelegd. Het ligt voor de hand dat in de overeenkomst als eerste het doel van het traject wordt omschreven. Voorts wordt door het vastleggen van de onderdelen van het traject bepaald wat het traject voor de oudkomer precies inhoudt. In de overeenkomst worden ook de verplichtingen van het gemeentebestuur neergelegd. Door het opnemen van deze verplichtingen wordt het tweezijdige karakter van het volgen van een traject benadrukt. Tegenover de verplichtingen van de oudkomer, die krachtens onderdeel f, in de overeenkomst dienen te worden vastgelegd, staat in ieder geval de verplichting van het gemeentebestuur om het traject te realiseren en aan te bieden. Voorts valt te denken aan een afsluitend gesprek en doorgeleiding naar verdere scholing of werk. Voor het succesvol afronden van een traject is individuele begeleiding van groot belang. Daarom dienen de afspraken omtrent aard en omvang ervan ook in de overeenkomst te worden opgenomen. Bij verplichtingen van de oudkomer valt te denken aan: de verplichting om te starten met het volgen van de onderdelen van het traject zodra de oudkomer door de onderwijsinstelling daartoe wordt uitgenodigd, het naleven van de regels die de onderwijsinstelling aan cursisten stelt, het bijwonen van bijeenkomsten van de onderwijsinstelling, het verschijnen op gesprekken op uitnodiging van een van de betrokken instellingen en het deelnemen aan de begin- en eindtoets. Het wordt gemeenten aangeraden om in de overeenkomst neer te leggen dat de oudkomer, indien dringende redenen hem belemmeren om te voldoen aan zijn verplichtingen zoals deze zijn neergelegd in de overeenkomst, hij de gemeente en de
betrokken instellingen van deze dringende redenen op de hoogte stelt. De informatieoverdracht tussen de bij het traject betrokken partijen (de oudkomer, de gemeente en de betrokken instellingen) is noodzakelijk om de voortgang van de oudkomer in het traject te bewaken. In de overeenkomst dienen tenslotte in ieder geval de gevolgen te worden neergelegd van het door de oudkomer niet nakomen van de overeenkomst. Bij dergelijke gevolgen kan zowel worden gedacht aan het achterwege laten van een beloning als aan het opleggen van een sanctie. Terzake van het opleggen van sancties zij nog vermeld dat het gemeenten wordt aangeraden om in de overeenkomst neer te leggen dat dringende redenen (bijvoorbeeld zwangerschap en ziekte) de oudkomer (tijdelijk) van zijn verplichtingen kunnen ontslaan. Voor het vastleggen van de rechten en verplichtingen van de gemeente en de oudkomer wordt door het ministerie aan de gemeenten een model-overeenkomst verstrekt. Het gemeentebestuur kan de model-overeenkomst gebruiken bij het opstellen van de overeenkomst met de oudkomer, welke zo veel als mogelijk moet zijn toegesneden op de persoonlijke situatie van de oudkomer.
Artikel 6, tweede lid
De onderhavige regeling beoogt oudkomers die de Nederlandse taal nog onvoldoende beheersen om een zelfstandig bestaan op te kunnen bouwen een inburgeringstraject te kunnen laten volgen. Het is de bedoeling van het oudkomersbeleid een zo groot mogelijke groep oudkomers te bereiken. Daarom is in dit lid ook opgenomen dat het gemeentebestuur op grond van deze regeling slechts één overeenkomst met een oudkomer sluit. Voorts is het de intentie van de onderhavige regeling om die oudkomers een traject te laten volgen die niet al eerder op grond van andere regelingen een inburgeringstraject hebben gevolgd.
Artikel 7, eerste lid
Iedere oudkomer dient aan het begin van een traject een begintoets te worden afgenomen en op het eind van een traject een eindtoets. De toetsen stellen het niveau Nederlands als tweede taal vast. Het Referentiekader Nederlands als tweede taal dat is vastgelegd door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen beschrijft de verschillende niveaus voor de lees-, schrijf-, spreek- en luistervaardigheid. Het afnemen van deze toetsen vervult, op grond van artikel 9, tweede lid, onderdeel b, een rol bij het vaststellen van de bijdrage als voorwaarde voor de financiering van een afgerond traject.
Artikel 7, tweede lid
In het tweede lid zijn de combinaties van toetsen genoemd die in het kader van deze regeling mogen worden gebruikt om het niveau Nederlands als tweede taal te meten. De Intaketoets NT2 is een toetsinstrument waarmee de taalvaardigheid Nederlands als tweede taal kan worden gemeten zodat een adequate plaatsing in een NT2-traject mogelijk is. De toets meet de vaardigheden lezen, schrijven, luisteren en spreken. De toets meet de vaardigheden op de niveaus 1 tot en met 4 van het hierboven genoemde referentiekader. De NT2-Profieltoets meet de beheersing van de taalvaardigheid Nederlands als tweede taal aan het einde van het inburgeringsprogramma. De toets meet de vaardigheden lezen, luisteren, spreken en schrijven. De toets bestaat uit twee delen, te weten een lagere variant (niveaus 1, 2 en 3) en een hogere variant (niveaus 2, 3 en 4). NT2Cat is een computergestuurde adaptieve toets die de vaardigheden lezen en luisteren volledig geautomatiseerd toetst. De moeilijkheidsgraad van de opgaven wordt automatisch aangepast aan het taalvaardigheidsniveau van de cursist. De score wordt automatisch bijgehouden en op basis daarvan wordt het NT2-niveau berekend. NT2-Cat meet de vaardigheden op de niveaus 1 tot en met 3 van het referentiekader. Itemdito is een digitale adaptieve toets die nu nog alleen de leesvaardigheid Nederlands als tweede taal volledig geautomatiseerd toetst. De score wordt automatisch bijgehouden en op basis daarvan wordt het NT2-niveau berekend. Itemdito meet de leesvaardigheid op de niveaus 1 tot en met 5 van het referentiekader. De Intaketoets Alfabetisering NT2 bestaat uit een serie toetsen die een adequate plaatsing van een niet-gealfabetiseerde in een alfabetiseringstraject mogelijk maakt. De NT2-Profieltoets Alfabetisering meet de beheersing van de taalvaardigheid
Nederlands als tweede taal aan het einde van het inburgeringsprogramma van nietgealfabetiseerden. De toets meet de vaardigheden lezen, luisteren, spreken en schrijven op een voor de niet-gealfabetiseerde geëigende wijze. Met de NT2-Cat worden slechts twee van de vier aspecten van taalbeheersing gemeten en met itemdito vooralsnog slechts een.
De opsomming van toetsen is identiek aan hetgeen hierover is opgenomen in de eerder genoemde Regeling inburgering oudkomers. De functie verschilt echter. In de genoemde regeling wordt expliciet afgerekend op de vooruitgang in het niveau voor taalbeheersing dat met de toetsen wordt gemeten. In de onderhavige regeling is dit niet het geval, maar is het afnemen van deze toetsen een voorwaarde om in aanmerking te komen voor de normvergoeding van een afgerond traject.
Artikel 8
Op grond van het eerste lid dient het gemeentebestuur dat een aanvraag heeft ingediend binnen 6 weken na inwerkingtreding van deze regeling aan de Minister halfjaarlijks informatie te verstrekken over het gemeentelijke uitvoeringsbeleid inzake inburgering van oudkomers en over de resultaten ervan. De te verstrekken informatie heeft telkens alleen betrekking op de periode, genoemd in het eerste lid. De monitor zal voor de gemeentebesturen beschikbaar zijn via het internet. Ook het verstrekken van de informatie aan de Minister geschiedt via het internet. De ingevulde monitor moet, overeenkomstig de wens van de Tweede Kamer, worden voorzien van een accountantsverklaring. Voor deze accountantsverklaring wordt een accountantsprotocol vastgesteld. Dit protocol is naar verwachting beschikbaar voor 1 januari 2004. De criteria waaraan volgens dit protocol een traject moet voldoen zijn dezelfde als de criteria, genoemd in artikel 1, onderdeel d.
Artikel 9, eerste lid
De Minister stelt de bijdrage voor 2004 in twee fasen vast aan de hand van de door het gemeentebestuur verstrekte informatie en de daarbij behorende accountantsverklaring. Trajecten in het kader van de onderhavige regeling komen alleen in aanmerking voor financiering indien deze trajecten starten in 2004 en afgerond zijn voor 1 januari 2006. Een traject wordt beschouwd als afgerond indien beide partijen aan alle verplichtingen uit de overeenkomst hebben voldaan en de oudkomer de begin- en eindtoets is afgenomen.
Artikel 9, tweede lid, onderdeel a
Het voorschot is gebaseerd op het aantal oudkomers genoemd in de beschikking. Indien bij de vaststelling van het eerste deel van de bijdrage in 2005 het aantal oudkomers met wie een overeenkomst in 2004 is gesloten lager is dan het aantal oudkomers genoemd in de beschikking, dan vindt verrekening plaats van het deel van de bijdrage dat gekoppeld is aan het sluiten van overeenkomsten, met het voorschot. Ter verduidelijking het volgende voorbeeld. In de beschikking van gemeente A is opgenomen dat van deze gemeente wordt verwacht dat zij op basis van het voorschot 100 oudkomers trajecten zullen laten starten in 2004. Omdat uit de monitor blijkt dat in gemeente A in 2004 met maar 90 oudkomers een overeenkomst is gesloten, wordt het deel van het voorschot dat is gekoppeld aan het sluiten van overeenkomsten (in casu gebaseerd op 100 oudkomers) verrekend met het werkelijke aantal oudkomers waarmee een overeenkomst is gesloten: 90. Dit betekent dat in dat geval 10 maal € 2.667 zal worden teruggevorderd. Indien de gemeente daadwerkelijk het veronderstelde aantal oudkomers een traject heeft laten starten door het sluiten van een overeenkomst, vindt geen verrekening plaats.
Artikel 9, tweede lid, onderdeel b
Bij het vaststellen van de normvergoedingen is uitgegaan van het streven dat 70% van de oudkomers waarmee een overeenkomst is afgesloten, het traject daadwerkelijk voor 1 januari 2006 af zal ronden. Als de gemeente precies 70% van de trajecten tot een afronding brengt, zijn de normvergoedingen die de gemeente voor deze afgeronde trajecten ontvangt gemiddeld genomen voldoende om ook de kosten die voor de niet afgeronde trajecten zijn gemaakt, te dekken. Als een gemeente minder trajecten tot afronding brengt dan 70% van het aantal oudkomers zal deze gemeente geld terug moeten betalen, als een gemeente meer trajecten tot afronding brengt krijgt die gemeente een nabetaling.
Indien bij de vaststelling van het tweede deel van de bijdrage in 2006 het aantal oudkomers dat een traject heeft afgerond lager is dan het verwachte aantal afronders, in het bovengenoemde voorbeeld bijvoorbeeld 60 in plaats van 70, dan wordt dit betrokken bij het vaststellen van de bijdrage in 2006. In 2006 zal van de gemeente het verschil in het aantal oudkomers dat geen traject heeft afgerond (in het voorbeeld 10) maal het bedrag van € 5.333 worden teruggevorderd.
Indien een gemeente er in slaagt om meer oudkomers trajecten te laten afronden dan wordt verondersteld op basis van gemiddeld presteren, in het bovengenoemde voorbeeld bijvoorbeeld 80, dan wordt zij hiervoor financieel beloond. De gemeente ontvangt een nabetaling van 10 maal € 5.333.
Artikel 9, derde lid
Op grond van het derde lid kan het aantal oudkomers dat wordt betrokken bij het vaststellen van de bijdrage het aantal genoemd in de beschikking niet overtreffen. Indien het aantal genoemd in de beschikking bijvoorbeeld 100 was, worden de resultaten van maximaal 100 oudkomers betrokken bij het vaststellen van de bijdrage. Deze bepaling is uiteraard alleen van belang indien het aantal oudkomers waarmee een overeenkomst als bedoeld in artikel 6 is gesloten, het aantal genoemd in de beschikking overtreft.
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie
|
|