|
Service
Wet
inburgering nieuwkomers
Op deze pagina vindt
u een overzicht van relevante wetten, regelingen en circulaires.
De tekst van de Wet inburgering nieuwkomers kunt u nu via InburgerNet
opvragen. Van de overige wetten wordt vermeld van welk ministerie de
regelgeving afkomstig is. Mogelijk zijn ook deze wetten in de toekomst
via InburgerNet opvraagbaar.
Management
Summary WIN in Engels (Download PDF 2,160 kb.) |

Management Summary
In het hiernavolgende treft u een samenvatting aan
van twee studies die samen de evaluatie van de WIN vormen.
Doel van de evaluaties is om inzicht te bieden in
zowel de doeltreffendheid (effectiviteit) als de doelmatigheid
(efficiency) van de wet in de praktijk. Met betrekking tot de
doeltreffendheid is vooral gekeken naar het bereik van de WIN bij de
nieuwkomers en de opbrengst voor de groep die het programma heeft
doorlopen. Met betrekking tot de doelmatigheid is vooral de kwaliteit
van de regie en het lokale beleid beoordeeld. Daarnaast is gekeken
naar de wijze waarop de financiële middelen worden ingezet.
De studies zijn uitgevoerd door:
- Regioplan OAI, dat zich heeft gericht op de
beoordeling van de effectiviteit en het bereik (paragraaf 1 tot en
met 10).
- PwC Consulting, dat zich heeft gericht op de
efficiency waarmee de gemeenten de regeling uitvoeren (paragraaf 11
tot en met 19).
De evaluaties richten zich op de periode van 30
september 1998 - 2001. De evaluatie heeft zich beperkt tot het proces
van identificatie van de nieuwkomer tot en met de doorgeleiding. Bij
de evaluatie is niet ingegaan op de vervolgtrajecten na het
inburgeringsprogramma.
De aanpak die bij de evaluatie van de effectiviteit
is gevolgd kende de volgende activiteiten:
- Desk study: bestudering van eerdere rapporten en
relevante literatuur.
- Face to face interviews met 10 dieptegemeenten
(gecombineerd met PwC).
- Telefonische interviews met 40 andere gemeenten
aan de hand van een gestructureerde vragenlijst (gecombineerd met
PwC).
- Bereikmeting in vijf dieptegemeenten over het
jaar 2000.
- Cohortmeting in de 10 dieptegemeenten teneinde
aan de hand van een cohort nieuwkomers een kwantitatief beeld te
krijgen van ondermeer instroom, uitstroom, uitval en doorgeleiding.
De cohortanalyse is verricht voor nieuwkomers uit de periode 1999.
- Een schriftelijke enquête onder nieuwkomers uit
1999 in de tien dieptegemeenten.
- Groepsgesprekken met de nieuwkomers.
De aanpak die bij de evaluatie van de efficiency is
gevolgd, bestond uit de volgende stappen:
- Desk study: bestudering van eerdere rapporten en
relevante literatuur.
- Face to face interviews met 10 dieptegemeenten
(gecombineerd met Regioplan).
- Telefonische interviews met 40 andere gemeenten
aan de hand van een gestructureerde vragenlijst (gecombineerd met
Regioplan).
- Telefonische interviews met alle 50 gemeenten en
ROC s voor het verkrijgen van zicht op de financiële aspecten.
- Analyse van de door de gemeenten opgestelde
jaarrapportages teneinde een kwantitatief beeld te krijgen van
ondermeer instroom, uitstroom, uitval en doorgeleiding. De
jaarrapportages van de gemeenten waren alleen van het jaar 1999 min
of meer volledig beschikbaar. Van een beperkt aantal gemeenten was
ook het jaarverslag van 2000 beschikbaar.
In het onderzoek zijn in totaal vijftig gemeenten
opgenomen. Bij de keuze voor de vijftig gemeenten is rekening gehouden
met zowel voldoende representativiteit van in Nederland woonachtige
nieuwkomers als een zekere spreiding naar grootte van de gemeenten.
Bij de analyses van de nieuwkomers is systematisch
onderscheid gemaakt naar de volgende drie categorieën.
Nederlandse nieuwkomers.
Deze groep betreft overwegend nieuwkomers uit de Nederlandse
Antillen/Aruba. Het zijn vooral alleenstaande migranten en ongehuwde
vrouwen met kinderen die in Nederland bij familie inwonen. Het
percentage gehuwden onder deze nieuwkomers is klein. Veruit de meeste
Nederlandse migranten vestigen zich in de grote steden. Het gemiddelde
opleidingsniveau onder deze categorie nieuwkomers is zeer laag. Zowel
uitkeringsgerechtigde als niet-uitkeringsgerechtigde nieuwkomers maken
deel uit van deze categorie migranten.
Migrantennieuwkomers. Deze
categorie wordt gevormd door nieuwkomers die voor redenen van
gezinshereniging of -vorming naar Nederland zijn gekomen. Zij komen
met name uit Turkije, Marokko, Suriname en Zuidoost Azië. Het
percentage (samenwonende of gehuwde) vrouwen is naar verhouding erg
groot. Er is sprake van een hoge oriëntatie op de grote en middelgrote
steden. Het opleidingsniveau varieert sterk; zowel analfabeten als
academici maken deel van deze categorie nieuwkomers uit. In deze
categorie vallen geen uitkeringsgerechtigden.
Vluchtelingennieuwkomers.
Deze categorie komt voor een belangrijk gedeelte uit het Afrikaanse
continent en het Midden-Oosten. Mannen zijn binnen de categorie
vluchtelingen sterk vertegenwoordigd. Eenderde van deze nieuwkomers
komt als alleenstaande naar Nederland. Vluchtelingen zijn relatief
sterk vertegenwoordigd in de middelgrote steden. Het opleidingsniveau
is iets hoger dan dat van de migrantennieuwkomers. Vluchtelingen zijn
in verhoudingsgewijs hoge mate uitkeringsgerechtigd.
Op basis van een representatieve steekproef is de
verdeling van de nieuwkomers in de gebruikte analyse als volgt:
tweederde van de nieuwkomers valt in de categorie
migrantennieuwkomers. Voor de vluchtelingen en Nederlandse nieuwkomers
zijn de percentages respectievelijk 17 en 16 procent.
De voornaamste bevindingen zijn in het onderstaande
weergegeven. Hierbij worden allereerst de belangrijkste vragen met
betrekking tot de effectiviteit beantwoord. Vervolgens wordt ingegaan
op de efficiency van de WIN. Voor een meer uitgebreide toelichting
wordt verwezen naar de twee deelrapporten.
De effectiviteit van de WIN is niet voor alle nieuwkomers even
groot
1. De WIN heeft een hoog berei
Een overgrote meerderheid van alle nieuwkomers die door de
Gemeentelijke Basis Administratie en de Vreemdelingendienst als
zodanig zijn aangemerkt, wordt door Bureau Nieuwkomers in het kader
van de WIN bereikt. Met 77 procent van de nieuwkomers die reeds bekend
zijn bij Bureau Nieuwkomers, is ook een inburgeringsonderzoek
afgenomen. We spreken van het nettobereik. Redenen waarom geen
inburgeringsonderzoek is afgenomen hebben vooral betrekking op de
verstrekking van ontheffingen, het niet behoren tot de doelgroep en
het niet komen opdagen van nieuwkomers voor de intake. Er doen zich
bij het nettobereik verschillen voor tussen de te onderscheiden
categorieën nieuwkomers: met Nederlandse nieuwkomers worden in
vergelijking tot vluchtelingen en overige niet-Nederlandse migranten
(i.c. gezinsherenigers en -vormers) in mindere mate
inburgeringsonderzoeken afgenomen. Het nettobereik voor de eerste
categorie is 48 procent. Voor de tweede categorie is dit 85 procent.
Knelpunten ten aanzien van het bereiken van
nieuwkomers die in aanmerking komen voor de WIN, hebben betrekking op
zowel een aantal risicogroepen als de onderlinge uitwisseling van
gegevens:
- In het bijzonder onder de groep van Antillianen/Arubanen,
evenals de categorie verhuizers is het bereik verhoudingsgewijs
laag. Voor de eerste groep geldt dat zij lang niet altijd reageren
op een uitnodiging. Voor de tweede groep geldt dat zij in het
systeem niet worden herkend als nieuwkomer en dus niet worden
uitgenodigd voor een onderzoek.
- Soms zijn de lijsten van nieuwkomers die GBA/Burgerzaken
en de Vreemdelingendienst aan Bureau Nieuwkomers aanleveren te grof,
met als gevolg dat laatstgenoemde instelling zelf opnieuw
(handmatig) moet selecteren.
Oplossingen om het bereik verder te verhogen liggen
op het vlak van:
- Het instellen van een één-loketsysteem of een
geïntegreerd automatiseringssysteem, waarbij in het bijzonder
Burgerzaken, de Vreemdelingendienst en Bureau Nieuwkomers betrokken
zijn.
- Een meer nauwkeurige selectie van nieuwkomers
door aanleverende instanties (GBA en Vreemdelingendienst), zodat
extra werk en onnodige vertragingen worden voorkomen. Hierbij moet
worden opgemerkt dat met de gewijzigde codes voor een
verblijfsstatus (naar aanleiding van de Vreemdelingenwet 2000) dit
knelpunt grotendeels verholpen is.
- Herhaalde oproepen en vervolgacties om
nieuwkomers te bereiken. De ervaring leert dat het opnieuw
aanschrijven of anderszins benaderen van nieuwkomers effect
sorteert.
2. Er is betrekkelijk weinig uitval uit het inburgeringsprogramma
De tussentijdse uitval is 13 procent van de nieuwkomers die zijn
begonnen met een inburgeringsprogramma. Van 7 procent is niet bekend
of ze zijn uitgevallen. Dit houdt verband met een tekortschietende
registratie van Bureau Nieuwkomers in sommige gemeenten.We schatten de
uitval uit het inburgeringsprogramma daarom op een percentage tussen
de 15 en 20 procent. De uitval ligt onder Nederlandse nieuwkomers op
een verhoudingsgewijs hoog niveau (tenminste 17%). Voor
migrantennieuwkomers en de vluchtelingen is de uitval kleiner
(tenminste 12%). Er doen zich geen significante verschillen voor naar
geslacht in de omvang van de uitval.
De belangrijkste oorzaken voor uitval zijn
vierledig:
- Werk vormt een belangrijke reden voor voortijdige
uitval; deze factor speelt vooral bij mannelijke
gezinsherenigers/-vormers. Bij vrouwen en vluchtelingen speelt het
nauwelijks een rol van betekenis.
- Persoonlijke omstandigheden, waaronder ziekte en
psychische problemen, zijn vooral bij vluchtelingen van betekenis.
Ruim eenderde van de uitval onder deze groep wordt door deze factor
verklaard.
- Zwangerschap is met name onder niet-Nederlandse
migranten (voor een belangrijk gedeelte bestaande uit gezinsvormers
en -herenigers) een prominente reden voor tussentijdse uitval.
- Gebrek aan voldoende capaciteit en een juiste
inzet van kinderopvang, hetgeen vooral speelt onder nieuwkomers die
zich in het kader van gezinshereniging en -vorming in Nederland
hebben gevestigd.
Oplossingen gericht om de uitval terug te dringen,
dienen tegemoet te komen aan de behoeften en wensen van de nieuwkomers
zelf, in het bijzonder:
- Een verdere ontwikkeling van duale trajecten
waarbij taalles wordt gecombineerd met werk of een beroepsopleiding.
- Een grotere betrokkenheid bij de begeleiding van
vluchtelingen in het geval van medische en psychische problemen.
- Het ontwikkelen van een (ziekte-)verzuimbeleid.
In dit beleid dient te worden aangegeven welke uren ingehaald kunnen
worden bij verzuim en hoe verzuim bestreden kan worden. Ook kan
gedacht worden aan een tijdelijke tussentijdse ontheffing van het
inburgeringsprogramma.
- Meer inzet ten behoeve van een ruimer aanbod en
een meer flexibele inrichting van kinderopvang.
- Het sanctioneren van nieuwkomers in geval van
onrechtmatige tijdelijke of permanente uitval. N.b. volgens de
gemeenten gaat het hier om een kleine groep.
- Het instellen van een beloning (incentive) voor
diegenen die het gehele inburgeringsprogramma hebben doorlopen en de
profieltoetsen hebben afgelegd.
3. Het inburgeringsonderzoek leidt onvoldoende tot verscheidenheid
in de inrichting van het programma.
In de opzet en uitvoering van het inburgeringsonderzoek wordt een
behoorlijke mate van maatwerk gerealiseerd. Uiteindelijk komt dit
maatwerk echter onvoldoende tot uiting in een specifieke invulling van
het inburgeringsprogramma. De inrichting van dit programma is vooral
afhankelijk van het aanbod van het ROC. Mede daardoor is sprake van
een hoge mate van eenvormigheid bij de invulling van het programma:
Oplossingen liggen op het vlak van:
-
Het realiseren van meer maatwerk door
rekening te houden met de wensen en ambities van nieuwkomers in de
vaststelling van het cursusaanbod.
-
Met betrekking tot het
doorcontracteren vanuit ROC s zijn verbeteringen te realiseren,
waardoor nieuwkomers vanaf de start van het inburgeringsprogramma
aan onderwijs kunnen deelnemen dat meer op hun specifieke behoeften
is toegesneden.
-
Het (gedeeltelijk) opheffen van de
verplichte aanbesteding van de onderwijscomponent bij de ROC s zodat
doorcontracteren niet nodig is. De gemeente kan zelf het meest
geschikte aanbod uitzoeken.
-
Om de rol van het CWI te versterken,
kan gedacht worden aan het uitbreiden van taken in het kader van de
werkintake, onder andere met de aanvraag diplomawaardering (IDW),
een meer uitgebreide assessment (EVC-procedure) en advisering over
duale trajecten.
-
Een betere afstemming met de
instelling voor maatschappelijke begeleiding zal ertoe leiden dat,
althans ten behoeve van de groep vluchtelingen relevante
(persoonlijke) informatie, beter wordt meegenomen bij de
vaststelling van het programma.
Tenslotte doen zich voorafgaande aan
het inburgeringsonderzoek problemen voor met betrekking tot het
verlenen van een tijdelijke ontheffing:
-
Nieuwkomers krijgen soms een
tijdelijke ontheffing omdat er niet aan de organisatorische
randvoorwaarden zoals kinderopvang voldaan kan worden. Door
capaciteitsproblemen bij de kinderopvang duren deze perioden soms
erg lang en verdwijnt de nieuwkomer mogelijk uit zicht.
-
Vanuit de wet is niet voorzien in
maatschappelijke begeleiding bij een tijdelijke ontheffing, terwijl
hieraan wel behoefte kan bestaan, zoals bij nieuwkomers met
gezondheidsklachten en zwangere vrouwen.
Oplossingen houden verband met:
-
Verbeteringen in de
randvoorwaardelijke sfeer, waardoor de noodzaak van tijdelijke
ontheffingen kleiner wordt. In het bijzonder gaat het dan om het
verbeteren van de faciliteiten op het gebied van de kinderopvang.
-
Het aanbieden van maatschappelijke
begeleiding in het geval van een tijdelijke ontheffing of een
vrijstelling. Om dit mogelijk te maken is evenwel een aanpassing van
de wet nodig.
-
Goede registratie van de afloop van
de termijn van een tijdelijke ontheffing, zodat een nieuwkomer op
tijd opnieuw benaderd wordt.
4. Het inburgeringsprogramma is adequaat, doch
eenzijdig vormgegeven
Het inburgeringsprogramma bestaat voornamelijk uit het educatieve
programma bestaande uit NT2 en Maatschappij Oriëntatie (MO). Voor de
meeste nieuwkomers valt Beroepenoriëntatie niet binnen het
inburgeringsprogramma vanwege onvoldoende taalniveau. Er wordt in het
inburgeringsprogramma slechts zelden een directe relatie gelegd met
het vervolgtraject. Over het educatieve programma zijn de volgende
opmerkingen te maken:
-
Het educatieve programma voldoet op
de meeste ROC s aan de eisen die in de WIN worden gesteld: er wordt
gemiddeld 600 uur NT2 plus MO in een jaar geboden.
-
Er wordt voornamelijk maatwerk
geleverd op de volgende aspecten: verschillende instroommomenten,
niveaugroepen, intensief/niet-intensief, verschillende
uitstroomprofielen, klassikaal/computergestuurd onderwijs. Dit
maatwerk is vooral aanbodgericht.
-
Er is nog weinig sprake van
vraaggericht en inhoudelijk maatwerk. De uiteenlopende
interessevelden en kennisbehoeften van nieuwkomers weerspiegelen
zich nog onvoldoende in het aanbod.
-
Het vak Beroepenoriëntatie wordt nog
onvoldoende vormgegeven. Dit betreft zowel de wijze waarop dit vak
inhoudelijk wordt ingevuld als de mogelijkheid om dit vak in andere
talen aan te bieden.
-
De mogelijkheden voor maatwerk en
kwaliteit wisselen sterk per ROC en zijn in grote mate docent
afhankelijk.
Oplossingen voor een verbeterde
inrichting van het programma hebben betrekking op:
-
Het verbreden van de mogelijkheden
voor meer vraaggestuurd onderwijs en trajecten die gericht zijn op
uitstroom naar werk, opleiding of maatschappelijke participatie.
Hierbij is ook een betere afstemming met andere instanties over de
te volgen trajecten nodig.
-
Het vak Beroepenoriëntatie dient een
meer prominente plek in het programma te krijgen, met name door dit
vak ook aan te bieden aan nieuwkomers met een beperkte kennis van de
Nederlandse taal (o.a. door de inzet van tolken). Mogelijk zou het
CWI een rol kunnen spelen in de voorlichting over beroepen en de
arbeidsmarkt. De Wet SUWI voorziet reeds in deze taak.
-
Het verdient aanbeveling om ook het
aanbod van het vak Maatschappij Oriëntatie meer af te stemmen op de
informatiebehoefte van de verschillende categorieën nieuwkomers.
Bijvoorbeeld de categorieën laagst en hoogst opgeleiden zouden
hiervan kunnen profiteren.
5. De kwaliteit van de trajectbegeleiding wisselt
sterk per gemeente
De trajectbegeleiding wordt bijna altijd verzorgd door
trajectbegeleiders verbonden aan Bureau Nieuwkomers, al dan niet
ondergebracht bij de gemeente (ongeveer tweederde van de gemeenten) of
zelfstandige welzijnsorganisatie zoals VluchtelingenWerk (eenderde van
de gemeenten). De begeleiding bestaat uit een begin en een eindgesprek
en in de meeste gevallen uit enkele tussentijdse gesprekken. Ook zijn
er spreekuren. Er wordt in de praktijk nog weinig gewerkt met
trajectplannen, hoewel deze vaak wel aan het begin van het
inburgeringsprogramma worden opgesteld. De kwaliteit van de
trajectbegeleiding verschilt tussen de gemeenten. De belangrijkste
redenen zijn hiervoor:
-
De caseload. Met name in de grote
gemeenten is er sprake van een hoge caseload, waardoor de
begeleiding minder intensief is en een deel van de nieuwkomers
nauwelijks begeleiding krijgt.
-
De doelstelling van de
trajectbegeleiding. Bij een deel van de bureaus staat een brede
aanpak centraal, waarmee wordt beter aangesloten bij het
toekomstperspectief van de nieuwkomer. Bij andere bureaus is sprake
van een meer beperkte taakopvatting en is eerder sprake van
trajectbewaking dan trajectbegeleiding.
-
De samenwerking met andere
instanties. In een deel van de gemeenten wordt er beperkt
samengewerkt tussen de instellingen, waardoor de trajectbegeleider
niet de beoogde spin in het web is. Nieuwkomers krijgen in sommige
gevallen tegenstrijdige informatie uit verschillende bronnen.
De volgende oplossingen kunnen leiden
tot een verbeterde trajectbegeleiding:
-
De caseload mag niet te hoog zijn,
omdat de trajectbegeleiding anders niet aan haar taken toekomt. De
caseload zou, conform het verslag aan de Tweede Kamer naar
aanleiding van. het wetsvoorstel WIN, beperkt moeten worden tot
circa zestig nieuwkomers per tajectbegeleider.
-
Het ontwikkelen van een cursus ten
behoeve van (aankomende) trajectbegeleiders (bijvoorbeeld in het
kader van het post-hbo onderwijs) teneinde de deskundigheid beter te
kunnen bewaken.
-
Een goede afstemming tussen de
organisaties, zodat beter gebruik kan worden gemaakt van de
informatie op basis van de intakes bij VluchtelingenWerk en/of het
CWI.
-
Meer maatwerk in de begeleiding van
de nieuwkomers. Afspraken met de nieuwkomers dienen zo goed mogelijk
te worden afgestemd op specifieke individuele behoeften in plaats
van op het educatief programma.
-
Het organiseren van mogelijkheden
voor de trajectbegeleiding om ook na de termijn van het programma
voor de nieuwkomer beschikbaar te blijven. Het gaat hier om een
goede ( warme ) overdracht naar andere instanties en een meer
concrete invulling van de nazorg.
6. De kwaliteit van de maatschappelijke begeleiding
wisselt sterk per instelling
De maatschappelijke begeleiding voor vluchtelingennieuwkomers
functioneert naar tevredenheid. In meeste gevallen verzorgt
VluchtelingenWerk of een andere welzijnsorganisatie de
maatschappelijke begeleiding van vluchtelingennieuwkomers. In bijna
eenderde van de gemeenten doet VluchtelingenWerk ook de begeleiding
van migrantennieuwkomers. De begeleiding kan naar behoefte worden
ingezet en varieert van individuele begeleiding tot huisbezoeken en
groepsvoorlichting. Voor de migrantennieuwkomers zijn veel gemeenten
nog zoekende naar een werkbare vorm. De migranten die in het kader van
gezinsvorming en -hereniging naar Nederland zijn gekomen, hebben
doorgaans meer behoefte aan ondersteuning bij het oplossen van
praktische problemen en weinig interesse voor intensieve begeleiding.
Antillianen en Arubanen blijken wel behoefte te hebben aan intensieve
begeleiding.
Specifieke problemen houden verband met
het volgende:
-
Vanwege de hoge caseload van
trajectbegeleiders, met name in de grote steden, dreigt de
maatschappelijke begeleiding van nieuwkomers soms in de knel te
komen. Dit is in het bijzonder het geval daar waar er geen andere
instanties belast zijn met de maatschappelijke begeleiding of daar
waar Bureau Nieuwkomers geen aparte beroepskrachten of vrijwilligers
met deze taak heeft belast.
-
De maatschappelijk begeleiders
beschikken niet altijd over de relevante informatie die voor deze
taak nodig is. De oorzaak hiervan ligt in het feit dat er met de
andere instellingen onvoldoende gegevens op cliëntniveau worden
uitgewisseld.
De volgende oplossingen dragen bij aan
een hogere kwaliteit van de maatschappelijke begeleiding:
-
Voor Antillianen en Arubanen een meer
passende vorm van maatschappelijke begeleiding te kiezen. Deze groep
is gebaat bij een meer intensieve begeleiding dan de
trajectbegeleiders kunnen aanbieden. Voor de uitvoering van de
begeleiding kan gedacht worden aan de organisaties die al actief
zijn voor deze doelgroep.
-
Voor de gezinsvormers en -herenigers
invulling van de maatschappelijke begeleiding die beter aansluit bij
hun behoefte. Hierbij dient tevens nagedacht te over het bereik van
deze groep voor maatschappelijke begeleiding.
-
Tot een betere afstemming en
uitwisseling van gegevens tussen de traject- en maatschappelijke
begeleiding te komen.
7. De WIN brengt deelnemers in beperkte mate op een
hoger niveau
De meeste nieuwkomers (voor zover bekend: ruim 60%) beheersen geen
Nederlands bij aanvang van het inburgeringsprogramma. Vrijwel alle
nieuwkomers bereiken een hoger niveau op het moment van de eindtoets.
Slechts een minderheid van de nieuwkomers (rond de 40%) die aan het
inburgeringsprogramma deelneemt haalt echter bij de profieltoets NT2
niveau 2 of hoger. De meerderheid van de nieuwkomers haalt dus
onvoldoende niveau om in aanmerking te komen voor de meeste
vervolgtrajecten zoals die nu zijn vormgegeven. De behaalde
eindniveaus hangen nauw samen met het niveau van vooropleiding van de
nieuwkomer. Laag opgeleiden halen gemiddeld niveau 1, middelbaar
opgeleiden realiseren gemiddeld op weg naar niveau 2 en hoog
opgeleiden bereiken gemiddeld niveau 2.
Het behalen van onvoldoende taalniveau
heeft verschillende oorzaken:
-
Niet of laaggeschoolde deelnemers
hebben veel moeite met de taalverwerving en zullen met de huidige
NT2-programma s de hogere niveaus waarschijnlijk nooit halen. De
verwachting is dat bij een andere methode (bijvoorbeeld
contextrijk leren) de taalvaardigheid van de nieuwkomers mogelijk
wel zal toenemen.
-
Zoals het inburgeringsprogramma thans
georganiseerd is, is 600 uur voor de meeste nieuwkomers niet genoeg
om voldoende taalniveau te behalen.
-
Een groot deel van de nieuwkomers
komt niet toe aan de 600 uur, mede omdat de meeste deelnemers minder
uren volgen door verzuim en uitval van lessen.
Zoals aangegeven, is het verband tussen
het lage opleidingsniveau en de bereikte eindniveaus zeer sterk.
Vandaar ook dat verbeteringen aan de aanbodzijde (inhoud programma s,
afstemming, en dergelijke) slechts ten dele zullen leiden tot grotere
progressie bij de nieuwkomers. Dit neemt niet weg dat van de volgende
maatregelen wordt verwacht dat zij de effectiviteit van de
inburgeringsprogramma s vergroten:
-
De eindtermijn van 1 jaar minder
centraal stellen en, in plaats daarvan, meer uitgaan van de
termijnen die nodig zijn om specifieke, meer op het individu
toegesneden, afspraken te realiseren.
-
Voor ongeschoolde of laaggeschoolde
nieuwkomers meer doelgerichte programma s richting werk,
vrijwilligers- of welzijnsactiviteiten, waarbij niet de toetsniveaus
centraal staan, maar het gebruik van de taal in specifieke
situaties. Voor hoger opgeleiden intensievere taalprogramma s, zodat
zij sneller een hoger taalniveau bereiken en kunnen doorstromen naar
vervolgactiviteiten.
-
Een beter en meer veelvuldig gebruik
van doorcontractering in het geval van gewenste onderwijsprogramma s
waarin het ROC niet voorziet. Ook kan gedacht worden aan het
(gedeeltelijk) afschaffen van de verplichte winkelnering.
8. De aansluiting met vervolgstappen laat te wensen over
De ambitie om nieuwkomers in het kader van de WIN door te geleiden
naar vervolgonderwijs, de arbeidsmarkt of maatschappelijke
participatie wordt slechts ten dele verwezenlijkt. Van alle
nieuwkomers die het educatieve programma hebben afgerond c.q. een
profieltoets hebben afgelegd, wordt vijftig procent doorgeleid. De
overige nieuwkomers trachten zelf hun weg in de Nederlandse
samenleving te vinden. Algemeen gesteld, past de conclusie dat de
progressie van nieuwkomers in veel gevallen tekortschiet om
daadwerkelijk te kunnen worden doorgeleid. Veruit de meeste
nieuwkomers bereiken na een jaar van inburgering ten hoogste niveau 2
van NT2, hetgeen onvoldoende is bij het huidige aanbod om aan een
beroepsopleiding te kunnen deelnemen of om direct bemiddelbaar op de
arbeidsmarkt te worden geacht.
Bovendien houdt doorgeleiding in de praktijk veelal
in dat na het afleggen van de profieltoets de taallessen worden
gecontinueerd; dit geldt voor meer dan veertig procent van de
doorgeleide nieuwkomers (voor de niet-Nederlandse migranten is dit
zelfs de helft). Minder dan een kwart van de nieuwkomers die worden
doorgeleid wordt daadwerkelijk overgedragen aan het CWI of een
reïntegratiebedrijf. Overigens betekent dit niet dat de nieuwkomers
tijdens het inburgeringsprogramma geen contact met het CWI hebben
gehad. Veelal plaatst de uitkomst van de kwalificerende intake deze
groep echter op een te grote afstand van de arbeidsmarkt om na het
inburgeringsprogramma direct naar werk te worden bemiddeld.
Doorgeleiding naar een vervolgopleiding is slechts voor een kleine
groep nieuwkomers (7%) weggelegd. Doorgeleiding in het kader van
maatschappelijke participatie vindt op nog kleinere schaal plaats;
minder dan vijf procent van de doorgeleide nieuwkomers wordt verwezen
naar vrijwilligerswerk, een welzijnsorganisatie, en dergelijke
Tenslotte is het voor bijna een kwart van alle doorgeleide nieuwkomers
niet mogelijk gebleken te achterhalen wat de inhoud van de
doorgeleiding is geweest.
Gemeenten kiezen er in de praktijk voor om de
trajectbegeleiding gedurende de periode van de WIN onder te brengen
bij Bureau Nieuwkomers. Dit leidt ertoe dat na beëindiging van het
inburgeringsprogramma Bureau Nieuwkomers veelal niet meer betrokken is
bij de daadwerkelijke doorgeleiding in het kader van de WIN. In het
geval van uitkeringsgerechtigde nieuwkomers neemt de Sociale Dienst of
het CWI deze taak veelal over, maar voor niet-uitkeringsgerechtigde
nieuwkomers hangt veel van hun eigen initiatief af.
Aanbevelingen om verbetering aan te brengen in de
doorgeleiding in het kader van de WIN zijn:
- De inrichting van het inburgeringsprogramma na
het afnemen van de profieltoets NT2 meer toespitsen op
vervolgactiviteiten dan alleen op vervolg NT2-activiteiten. Op deze
wijze krijgt de fase van doorgeleiding een meer onderscheidende vorm
ten opzichte van de fase voor de profieltoets NT2.
- Meer aandacht voor de doorgeleiding van de
nieuwkomers die sociale zelfredzaamheid nastreven. De kansen die er
voor deze groep liggen in het welzijns- en vrijwilligerswerk worden
onvoldoende benut.
- Het creëren van een grotere betrokkenheid van het
CWI en de organisatie belast met de maatschappelijke begeleiding, i.c.
VluchtelingenWerk, bij de doorgeleiding. Beide organisaties spelen
in het advies over een vervolgtraject slechts een beperkte rol.
- Continueren van contactmomenten met
maatschappelijke of trajectbegeleiders tot na het moment dat het
taalprogramma daadwerkelijk is afgerond (bijvoorbeeld door middel
van case-management). In het bijzonder de groep
niet-uitkeringsgerechtigden is na anderhalf jaar inburgering
goeddeels op zichzelf aangewezen.
9. Het oordeel over de het inburgeringsprogramma onder nieuwkomers
is redelijk positief
De nieuwkomers zijn tevreden over het feit dat zij taallessen en
begeleiding aangeboden krijgen. De grote meerderheid onderkent het
belang van taallessen om toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt.
Veruit de meeste nieuwkomers zijn ook van mening dat zij door de
begeleiding van Bureau Nieuwkomers sneller hun weg hebben kunnen
vinden in de Nederlandse samenleving. Niettemin is er ook kritiek.
Eenderde van de nieuwkomers is negatief over de inhoud van de
taallessen. Meer specifiek is het verwijt dat de taallessen
onvoldoende aansluiten bij de belevingswereld van de kandidaten.
De verschillen in mening over het effect van het
inburgeringsprogramma worden mede veroorzaakt door het
opleidingsniveau van de nieuwkomers. Laagopgeleide nieuwkomers zijn
vaker dan de hogeropgeleiden van oordeel dat hun Nederlands na
afronding van het inburgeringsprogramma onvoldoende is voor vrijwel
alle vormen van zelfredzaamheid. De groep van hogeropgeleiden is
beduidend positiever over het effect van inburgering. De algemene
gedachte is dan dat het inburgeringsprogramma een goede voorbereiding
vormt op deelname aan de Nederlandse samenleving. Overigens komen ook
de hogeropgeleide nieuwkomers na afronding van het
inburgeringsprogramma overwegend op kwalitatief laagwaardige banen
terecht.
Opvallend is het verschil in het belang dat aan de
begeleiding wordt gehecht. Vluchtelingennieuwkomers en Nederlandse
nieuwkomers hebben naar verhouding veel behoefte aan zowel
maatschappelijke begeleiding als trajectbegeleiding en waarderen beide
vormen van begeleiding ook meer. Migrantennieuwkomers (i.c.
gezinsvormers en -herenigers) zoeken dergelijke vormen van
ondersteuning vooral in eigen kring.
Daarnaast speelt ook het opleidingsniveau een rol in
de behoefte aan begeleiding. Vooral lageropgeleide nieuwkomers geven
aan grote behoefte te hebben aan traject- en maatschappelijke
begeleiding. Dit verschil wordt in de uitvoeringspraktijk echter niet
zichtbaar. Bureau Nieuwkomers heeft juist meer contact heeft met
hogeropgeleide nieuwkomers. De reden hiervoor is dat laatstgenoemde
groep sneller vorderingen met het inburgeringsprogramma maakt, hetgeen
meer aanleiding voor een gesprek geeft. Aangaande de maatschappelijke
begeleiding door VluchtelingenWerk zijn dergelijke verschillen in
contact met nieuwkomers niet waargenomen.
10. Enkele aspecten van de effectiviteit in cijfers
Op basis van de bereikmeting en de cohortanalyse verkrijgen we een
betrouwbaar inzicht in de effectiviteit van de WIN. De bereikmeting is
in vijf gemeenten onder ruim 1100 nieuwkomers uitgevoerd en meet of
nieuwkomers die zich hebben ingeschreven bij de GBA of door de
Vreemdelingendienst zijn geregistreerd, ook op de lijsten van Bureau
Nieuwkomers voorkomen. Ook is hierbij nagegaan in hoeverre er met de
bereikte nieuwkomers een inburgeringsonderzoek is afgenomen. De
cohortmeting is in tien gemeenten uitgevoerd. Hierbij is informatie
over de deelname aan het inburgeringsprogramma van 970 nieuwkomers aan
de hand van dossiers verzameld.
De bereikmeting:
Nettobereik: 77.3 %
Het nettobereik = alle nieuwkomers waarmee een
inburgeringsonderzoek is afgenomen als percentage van alle nieuwkomers
die bij Bureau Nieuwkomers bekend zijn.
Met 22.7 procent is geen inburgeringsonderzoek afgenomen. De
redenen hiervoor hebben betrekking op het verlenen van ontheffingen
(53%), het feit dat de nieuwkomer niet tot de doelgroep behoort (19%),
het feit dat de nieuwkomer niet komt opdagen (15%) en overige redenen
c.q. onbekend (13%).
De cohortanalyse:
Nieuwkomers waarmee een inburgeringsonderzoek is afgenomen: 100.0 %
Zoals uit de bereikmeting naar voren kwam, wordt met ruim tachtig
procent van de nieuwkomers een inburgeringsonderzoek afgenomen. In de
cohortanalyse is een andere groep gevolgd en is het aandeel vanaf het
begin van het inburgeringsprogramma opnieuw op honderd procent gezet.
Aandeel waarvoor een inburgeringsprogramma is vastgesteld: 95.5 %
Aandeel voor wie geen inburgeringsprogramma is vastgesteld: 4.5 %
De redenen waarom geen programma is vastgesteld hebben betrekking
op het verlenen van een ontheffing voor onbepaalde tijd (49%) of het
verlenen van een vrijstelling (37%). Voor 14 procent bleek het niet
mogelijk de reden hiervoor te achterhalen.
Aandeel nieuwkomers dat begonnen is met het inburgeringsprogramma:
77.0 %
Aandeel dat niet begonnen is met het programma: 5.1 %
Onbekend of de nieuwkomer met het programma is begonnen: 13.6 %
De redenen waarom niet met het programma is begonnen hebben
betrekking op zwangerschap (26%), verhuizing (24%), geen
interesse/onbereikbaar (14%), het aanvaarden van werk (10%), gebrek
aan kinderopvang (10%) of overige persoonlijke omstandigheden (16%).
Aandeel nieuwkomers dat het inburgeringsprogramma heeft afgemaakt:
56.4 %
Aandeel nieuwkomers dat tijdens het programma is uitgevallen: 10.0
%
Nog bezig met het inburgeringsprogramma: 5.6 %
Onbekend of het programma is afgemaakt: 5.0 %
Uitval houdt verband met het aanvaarden van werk (23%),
zwangerschap (19%), ziekte en/of psychische problemen (14%), overige
persoonlijke omstandigheden (16%), verhuizing binnen Nederland (17%)
en overige motieven c.q. onbekend (36%). Doordat meerdere antwoorden
konden worden gegeven, is het percentage hoger dan 100.
Aandeel nieuwkomers dat is doorgeleid: 27.8 %
Aandeel nieuwkomers dat niet is doorgeleid vanwege werk 9.8%
Aandeel nieuwkomers dat niet is doorgeleid om andere redenen: 8.4 %
Onbekend of doorgeleiding heeft plaatsgehad: 10.4 %
Doorgeleiding in het kader van de WIN heeft plaatsgehad om redenen
van het vervolgen van de cursus NT2 (40%), bemiddeling door het CWI
(14%), een reïntegratietraject (9%), het volgen van een
beroepsopleiding (7%), maatschappelijke participatie (3%) en overig c.q.
onbekend (26%).
Samenvattend neemt bijna tachtig procent van alle
nieuwkomers die bekend zijn bij Bureau Nieuwkomers deel aan een
inburgeringsonderzoek. De meerderheid van de groep die buiten het
nettobereik valt, komt ook niet in aanmerking voor een onderzoek in
het kader van de WIN. Uiteindelijk rondt vijftig procent van de groep
waarmee een onderzoek is afgenomen het programma af, terwijl een kwart
wordt doorgeleid in het kader van de WIN. Deze cijfers dienen echter
op een zorgvuldige wijze te worden geïnterpreteerd. Met betrekking tot
de bereikmeting is het van belang te constateren dat de oorzaken voor
het niet afnemen van een inburgeringsonderzoek niet slechts door
negatieve of verwijtbare motieven begrepen kunnen worden. Wanneer er
geen onderzoek heeft plaatsgevonden, houdt dit in het bijzonder
verband met het feit dat de nieuwkomer een ontheffing heeft gekregen
of niet tot de doelgroep behoort. Met betrekking tot de cohortanalyse
past allereerst de opmerking dat de omvang van de groep onbekenden
negatieve invloed heeft op de cijfers over deelname aan het programma
en afronding ervan. De percentages dienen we dan ook als minimale
waarden te beschouwen. Daarnaast heeft uitval tijdens het programma
voor een deel te maken met het feit dat nieuwkomers zelf werk vinden.
Ongeveer een vijfde van de uitval wordt hierdoor verklaard. Tenslotte
is de laatste fase van doorgeleiding voor een overgrote meerderheid
ook niet opportuun omdat zij zelf hun aansluiting met een
vervolgtraject hebben georganiseerd of omdat zij hier geen behoefte
aan hebben.
Uitvoering WIN op hoofdlijnen in orde
Gemeenten ontvangen sinds de invoering van de WIN
een goede ondersteuning in de vorm van een handboek WIN, een helpdesk,
Inburgernet en de Taskforce Inburgering. Deze instrumenten zijn voor
gemeenten in het algemeen de leidraad bij de invoering en verbetering
van de WIN, echter de uiteindelijke vormgeving van de uitvoering is
vaak afgestemd op specifieke gemeentelijke situaties.
11. Kwaliteitsslag voor verbetering regie
Naar ons oordeel zijn de meeste gemeenten in het algemeen in het
stadium aangekomen dat de uitvoering van de WIN in structurele zin is
opgezet conform de aanwijzingen die ze hebben gehad van onder andere
het handboek WIN. Bij het onderzoek zijn geen gemeenten aangetroffen
waar nog wezenlijke structurele problemen bestaan ten aanzien van
verdeling van taken en verantwoordelijkheden. Dat blijkt onder andere
ook uit het feit dat over het algemeen de betrokken partijen de WIN
binnen de daarvoor geldende termijnen weten uit te voeren.
Desondanks zijn er wel enkele belangrijke knelpunten
aan te wijzen:
- Gemeenten hebben de maatschappelijke begeleiding
vaak te weinig gespecificeerd en/of voor migrant nieuwkomers in het
geheel niet ingevuld.
- Soms is de rol van het CWI, met name ten aanzien
van de werkintake, niet goed afgestemd. Daarbij gaat het vaak om
afstemming ten aanzien van nieuwkomers die voor een werkintake in
aanmerking komen. CWI s zijn dan ook relatief vaak ontevreden over
de regiefunctie.
- Bijna altijd is de controle op de uitvoering van
de door de regievoerder uitbestede taken onvoldoende vormgegeven.
Dat betreft zowel de maatschappelijke begeleiding als de
onderwijsactiviteiten. Ook hebben niet alle regisseurs goed zicht op
de activiteiten van het CWI.
- Daarmee verbonden ontbreekt het de gemeenten vaak
aan management informatie op basis waarvan beleid gemaakt kan worden
of de gemeentelijke uitvoering van de WIN kan worden bijgestuurd.
- Vaak zijn geen prikkels ingebouwd in de
contractuele relaties tussen regisseur en de andere partijen, al
zijn er wel veel gemeenten die over dergelijke prikkels nadenken.
- Er zijn maar weinig gemeenten die de uitvoering
van het WIN-proces afstemmen met flankerende beleidsterreinen van de
gemeente. Zo n integrale benadering kan belangrijke positieve
gevolgen hebben voor de effectiviteit.
- De inbedding van de WIN in de gemeentelijke
organisatie laat vaak te wensen over. Met name grote gemeenten zijn
soms sterk verkokerd hetgeen een goede integratie van onderwijs- en
welzijnsactiviteiten in de weg staat.
- De expertise op het gebied van onderwijs schiet
bij de gemeenten vaak tekort. Dat hindert de regisseur bij het
inkopen van onderwijs bij het ROC.
Aanpak van deze knelpunten kan bij veel gemeenten de
betrokkenheid van alle organisaties bij de uitvoering van de WIN
verder vergroten en kan daardoor een flinke impuls betekenen voor de
kwaliteit van het geleverde produkt.
De oplossingen liggen in het verlengde van de
gesignaleerde knelpunten. Eerstverantwoordelijk daarvoor zijn de
gemeenten aan wie per slot van rekening de uitvoering van de WIN
gedelegeerd is. De gemeentelijke regisseurs dienen met name meer en
gestructureerd aandacht te geven aan de vormgeving van, en het bewaken
en verbeteren van het proces. Om gemeenten te stimuleren tot een
verbetering van de regie zou de rapportageverplichting die de
gemeenten hebben, kunnen worden aangepast ten aanzien van de gebieden
die hierboven genoemd zijn. Zo n rapportageverplichting moet goed
worden afgestemd met andere rapportageverplichtingen en initiatieven
zoals de jaarrapportages, monitor oudkomers, state of the art
inburgering en het ontwikkelen van een informatiemodel door de
Taskforce Inburgering.
12. Vernieuwende aanpak
Wat in algemene zin ten aanzien van de structurele vormgeving van de
uitvoering van de WIN opvalt is dat er geen gemeenten zijn die van de
gebaande paden afwijken. Men voert de WIN uit conform de aanwijzingen
van de wet en het handboek WIN. De WIN biedt de regisseur echter veel
ruimte voor alternatieve aanpakken. Er zijn op verschillende delen van
de uitvoering baanbrekende vernieuwingen mogelijk die zouden kunnen
leiden tot een meer effectieve en efficiënte uitvoering van de WIN.
Het lijkt er echter op dat de wet en de ondersteuning de gemeenten
niet hebben uitgenodigd tot creativiteit en een vernieuwende aanpak.
De rijksoverheid moet aan de gemeenten duidelijk maken dat deze ruimte
niet alleen door de wet geboden wordt, maar dat vernieuwende aanpakken
op dit terrein zelfs zeer gewenst zijn. De rijksoverheid kan
specifieke knelpunten die dat in de weg staan aanpakken. Met name zou
het opheffen van de gedwongen winkelnering een belangrijke stap kunnen
zijn in de richting van maatwerk en zou de gemeenten duidelijk moeten
worden gemaakt welke vrijheid ze hebben bij de keuze van de toetsen.
13. Partijen werken redelijk samen, onderlinge communicatie dient
beter gestructureerd
Naar ons oordeel liggen de onderlinge afspraken en de kwaliteit van de
samenwerking op een redelijk niveau:
- Binnen het uitvoeringsproces blijken over het
algemeen alle partijen zich bewust van hun taken en
verantwoordelijkheden. Echter tussen gemeente en het CWI bestaan
soms afstemmingsproblemen rondom de positie van de werkintake. Voor
de maatschappelijke begeleiders zijn niet altijd de taken en
verantwoordelijkheden door de regisseur scherp gedefinieerd,
waardoor zij zelf de maatschappelijke begeleiding invullen. In niet
alle gevallen zijn bovendien taken en verantwoordelijkheden ook
eenduidig en schriftelijk vastgelegd.
- Een indicatie voor de voldoende samenwerking is
dat de in de wet gestelde termijnen (6 weken voor
inburgeringonderzoek, 4 maanden voor start onderwijs) in het
algemeen gehaald worden.
- Belangrijke operationele communicatiemomenten
(intake, doorgeleiding) zijn vaak wel tot op zekere hoogte geregeld,
hoewel niet altijd alle relevante partijen bij deze overlegsituaties
betrokken zijn en de frequentie vaak onvoldoende is.
Belangrijkste punt van verbetering is verbetering
van de onderlinge communicatie op cliëntniveau, operationeel niveau en
beleidsniveau . Een vuistregel die daarbij kan worden gehanteerd is
dat:
- Op beleidsniveau alle betrokkenen (gemeente,
Bureau Nieuwkomers, maatschappelijke begeleiders, CWI en ROC)
tenminste eenmaal per jaar met elkaar overleggen over doelen,
resultaten en flankerende beleidsterreinen.
- Op procesniveau alle betrokkenen tenminste
eenmaal per kwartaal afstemmen over het uitvoeringsproces. Daarbij
moet worden nagegaan of de werkzaamheden van de partijen nog steeds
goed op elkaar aansluiten. In dit overleg dienen primaire
prestatie-indicatoren zoals instroom, uitstroom en uitval aan de
orde te komen.
- Op cliëntniveau alle partijen een regelmatig
gezamenlijk overleg hebben over intakes en doorgeleiding.
Gemeenten moeten via de Taskforce Inburgering
gewezen worden op het belang van goede overlegstructuren.
14. Administratieve organisatie aanscherpen ten aanzien van
rapportages
Administratieve organisatie en registratie van de inburgering lijken
momenteel op een redelijk niveau. De processen bij de uitvoerders
worden in het algemeen ondersteund met geautomatiseerde WIN-specifieke
systemen. Uitzondering is het CWI dat een eigen systeem gebruikt en de
maatschappelijke begeleiders die wat vaker geen computerondersteuning
hebben.
Koppeling tussen de WIN-gerelateerde systemen is
zeldzaam, maar gezien de omvang van data-informatiestromen en de
huidige doorlooptijden niet echt nodig. Het zou echter wel voordelen
kunnen hebben voor het snel beschikbaar hebben van gegevens.
De administratieve organisatie schiet echter tekort
waar het gaat om rapporteren over en bewaken van het
uitvoeringsproces. Bij de evaluatie bleek dat de organisaties vaak
niet snel inzicht kunnen geven in kosten en aantallen. De verplichting
tot tijdige oplevering van inhoudelijke jaarverslagen wordt door
gemeenten niet strak nageleefd. Ten tijde van deze evaluatie van de
WIN waren de rapportages van het jaar 2000 niet volledig beschikbaar,
terwijl gemeenten daartoe wèl de formele plicht hebben. Ook dit wijst
op een tekortschieten van de administratieve organisatie. Er dient
daarom aandacht gegeven te worden aan monitoringsystemen die kunnen
voorzien in management informatie. Er dient aandacht gegeven te worden
aan monitoringsystemen die kunnen voorzien in management informatie.
Bij de interviews met de ROC s is verder gebleken
dat relatief vaak geklaagd wordt over een onnodig zware
administratieve last die door verschillende instanties opgelegd wordt.
Het is aan te bevelen dat de betrokken organisaties de opgevraagde
informatie met elkaar afstemmen en dat men zich beperkt tot die
informatie die nodig is voor aansturing.
15. Intergemeentelijke samenwerking
versterken
De intergemeentelijke samenwerking is naar onze mening onvoldoende. Er
wordt weliswaar veel samengewerkt (78% van de gemeenten) maar dat
gebeurt vaak niet intensief.Vooral kleine en zeer kleine gemeente
werken onvoldoende samen.
Door de kleine aantallen nieuwkomers kunnen de
kleinere gemeenten vaak onvoldoende kwaliteit (maatwerk en
flexibiliteit) bieden. Het gebrek aan samenwerking kan bovendien tot
inefficiency leiden. Nagegaan zou kunnen worden wat de minimale
schaalgrootte (aantal nieuwkomers) is om een redelijk product te
kunnen bieden.
Nut en noodzaak van samenwerking zijn erg
afhankelijk van de specifieke situatie van gemeenten. De Taskforce
Inburgering kan met haar brede kennis van gemeenten een actieve rol
spelen bij het diagnosticeren van de meerwaarde van samenwerking voor
gemeenten, en kan daar ook katalyserend optreden.
16. Sanctiebeleid aanscherpen
Uit het onderzoek blijkt dat een klein aantal nieuwkomers niet aan
haar verplichtingen jegens de WIN voldoet om redenen die niet
acceptabel zijn: ze vallen verwijtbaar uit.
Het opleggen van sancties aan zulke nieuwkomers is
een verplichting die door de wet aan de gemeenten is opgelegd. Het
handboek WIN biedt de gemeenten voor het opzetten van toezicht,
sanctie en sanctiebeleid voldoende handvatten. De sanctie hoort een
sluitstuk te zijn in de uitvalbestrijding die normaalgesproken gericht
is op het voorkomen van uitval: voorkomen is beter dan genezen.
Uit de interviews blijkt dat meer dan vijftig
procent van de gemeenten aan deze kleine groep geen sancties oplegt.
Redenen die men daarvoor aanvoert zijn:
- De administratieve last, het ontbreken van
ervaring en kennis van deze
specifieke groep bij de leerplichtambtenaar.
- De verwachting dat sanctie niet effectief is.
- De tijd en inspanning die het opleggen van
sancties kost.
- Sanctie wordt ook niet altijd als rechtvaardig
ervaren. De WIN stelt leren boven werken terwijl nieuwkomers recht
hebben op arbeid en naar hun
directe omgeving (familie) ook een morele plicht voelen om te werken
en inkomsten te genereren. Dat conflict leidt tot uitval waar een
sanctie geen structurele oplossing voor biedt.
- Soms wordt het afzien van sancties ook als
gemeentelijk beleid gezien.
Deze redenen zijn wettelijk niet voldoende voor het
niet-hebben van een sanctiebeleid of het niet-opleggen van sancties.
Gemeenten moeten daarop worden gewezen. Dat zou onder andere kunnen
door ze te dwingen te rapporteren over uitval en sancties en over de
invulling van het sanctiebeleid en op die rapportages zonodig actie te
nemen. Eventueel kan ook de Taskforce Inburgering nog een rol spelen
bij het aantonen van nut en noodzaak van sancties en bij een
efficiency implementatie er van.
Benadrukt moet worden dat de groep nieuwkomers die
verwijtbaar uitvallen slechts klein is. Een aanscherping van het
sanctiebeleid zal dan ook geen sterke stijging van de deelname of
daling van de uitval tot gevolg hebben, maar dient tot doel te hebben
om te zorgen dat de wet wordt nageleefd.
Voldoende financiële middelen voor de uitvoering
Het merendeel van de gemeenten blijkt in staat te
zijn de WIN te financieren uit de door het Rijk beschikbaar gestelde
middelen. Gemeenten zetten slechts in beperkte mate eigen middelen in
ten behoeve van de WIN. Dit sluit aan bij de bevinding dat de meeste
gemeenten in de praktijk de regeling procedureel blijken uit te voeren
en zich beperken tot het uitvoeren van de WIN zoals dat in de wet is
voorgeschreven. De wijze waarop de gemeenten de financiële middelen
besteden varieert. Het is opvallend dat geen van de gemeenten afrekent
met andere gemeenten indien de nieuwkomer gedurende het
inburgeringsprogramma verhuist. Daarnaast blijkt dat gemeenten uit
voorzichtigheid een belangrijk deel van de beschikbare middelen aan de
reserves toevoegen. Reservevorming biedt gemeenten de mogelijkheid
deze middelen in te zetten voor regulier onderwijs en welzijn. In de
praktijk wordt slechts in zeer beperkte mate van deze mogelijkheid
gebruik gemaakt.
17. Bewustmaking van, en sturing op, indirecte kosten
De verhouding tussen de directe en indirecte bestedingen varieert
tussen gemeenten. Met name de verschillen tussen deze categorieën van
kosten binnen de niet-educatieve bestedingen zijn opvallend. De
variatie wordt voornamelijk bepaald door het al dan niet doorberekenen
van indirecte kosten van het gemeentelijk apparaat. Naar onze mening
moet het percentage indirecte kosten in principe zo laag mogelijk
zijn, omdat alleen dan duidelijk wordt waar de WIN-gelden aan besteed
worden. Een bepaald minimumpercentage aan indirecte kosten is echter
onvermijdelijk. Omdat de percentages tussen de gemeenten uiteenlopen,
met name bij de bestedingen met een welzijnskarakter het percentage
indirecte kosten relatief hoog is en omdat veel gemeenten zich niet
bewust zijn van het onderscheid tussen directe en indirecte
bestedingen is het wenselijk dat gemeenten van dit onderscheid bewust
worden gemaakt. Uiteindelijk dienen de gemeenten een streefwaarde voor
het aandeel indirecte bestedingen in de totale bestedingen te
hanteren.
Bewustwording kan worden verbeterd door gemeenten te
verplichten tot het rapporteren van de indirecte kosten en het stellen
van doelen dienaangaande. Met name op het gebied van welzijn zullen
gemeenten daarvoor hun financiële WIN-administratie moeten verbeteren.
Momenteel zijn veel gemeenten beperkt in staat tijdig een betrouwbaar,
nauwkeurig en gedetailleerd inzicht te geven in de WIN-bestedingen.
Het inrichten van een verbeterde administratie zal de gemeenten in
staat stellen managementinformatie te genereren die kan bijdragen aan
het bepalen van doelgerichte acties.
18. Grote gemeenten voeren de WIN tegen lagere kosten uit
De totale kosten per nieuwkomer die door de gemeenten worden gemaakt
om een nieuwkomer in te burgeren varieert tussen 14.964,- en
18.102,- per nieuwkomer. De G4-gemeenten blijken de WIN tegen de
laagste prijs uit te voeren. Een deel van het verschil kan worden
verklaard uit schaalvoordelen die aanwezig zijn voor de grotere
gemeenten. De G4 blijken in staat om zowel een lagere prijs met het
ROC te realiseren, als ook tegen lagere kosten per nieuwkomer overige
WIN-gerelateerde elementen aan te bieden. Om een oordeel over de
efficiency te kunnen vellen moeten deze lagere kosten worden afgezet
tegen de kwaliteit van het gegeven product (onderwijs en begeleiding).
Daarvoor zijn echter geen objectieve maatstaven beschikbaar.
19. Heroverwegen financieringssystematiek
De huidige financieringssystematiek kent enkele aspecten die tot
problemen leiden c.q. kunnen leiden. De meeste problemen komen voort
uit het t-2 aspect en de dubbele functionaliteit van de profieltoets.
- Het gegeven dat de financiering plaatsvindt op
basis van de prestaties in het jaar t-2 is voor een aantal gemeenten
aanleiding voorzichtig te opereren. Dit is mede een verklaring voor
de aanzienlijke financiële reserves die zijn opgebouwd. Ook kan
geconstateerd worden dat de huidige t-2 financieringssystematiek de
gemeenten onvoldoende stimuleert tot het leveren van maatwerk per
nieuwkomer. Eén van de redenen indertijd om voor de t-2 systematiek
te kiezen was dat deze beter aansloot bij de WEB.
- De termijn waarbinnen de profieltoetsen dienen te
worden afgelegd is te rigide en houdt onvoldoende rekening met
specifieke omstandigheden van individuele nieuwkomers. Vanwege het
financiële belang worden de profieltoetsen ook afgenomen op momenten
dat dat gezien het niveau van de nieuwkomer nog niet wenselijk is.
- Verder leiden de afrekencriteria (beschikking en
verklaring/profieltoets) tot problemen. De profieltoetsen krijgen
daarmee een dubbele functionaliteit (onderwijskundige maar ook een
financiële) die tot problemen leidt. Gemeenten willen graag de
gelden in een zo vroeg mogelijk stadium zeker stellen en zijn
geneigd daarom het moment van de toets te vervroegen. Dat is echter
in strijd met de educatieve bedoelingen van de profieltoetsen: een
meting aan het eind die een rol moet spelen bij de doorgeleiding.
Hoewel elk van deze problemen individueel aan te
pakken is, verdient het naar onze mening de voorkeur om de gekozen
financieringssystematiek als geheel nog eens tegen het licht te
houden, teneinde na te gaan of er wellicht andere
financieringssystematieken zijn die gemeenten beter stimuleren tot het
leveren van maatwerk bij de inburgering van de individuele
nieuwkomers.
20. Wettelijke aspecten met betrekking tot de WIN
In het voorgaande is gebleken dat zich bij zowel de uitvoering van de
WIN als de inhoud van de programma s belemmeringen voordoen. In deze
paragraaf concentreren we ons op een aantal knelpunten die te maken
hebben met de wet- en regelgeving.
- De 18 maandentermijn, waarbinnen het
inburgeringsprogramma dient te worden afgrond, is te rigide. Niet
iedereen is klaar met het afgesproken programma binnen deze termijn,
bijvoorbeeld vanwege een onderbreking.
- Het afstemmen van de WIN en andere wetgeving
(bijvoorbeeld de ABW, WIW) is lastig. Hierdoor is bijvoorbeeld
sprake van onduidelijkheden bij het uitzetten van trajecten en
ontwikkelen van sanctiebeleid.
- De wet kent geen mogelijkheid om een tussentijdse
tijdelijke ontheffing te verlenen, bijvoorbeeld vanwege zwangerschap
of ziekte.
- De wet biedt geen mogelijkheid om gedeeltelijke
(tijdelijke) ontheffingen te verlenen. Een (tijdelijke) ontheffing
van de WIN houdt daarmee in dat een nieuwkomer niet alleen geen
onderwijs en trajectbegeleiding krijgt, maar ook geen
maatschappelijke begeleiding. Met name bij tijdelijke ontheffingen
vanwege persoonlijke, gezondheids- of psychische problemen kan deze
begeleiding juist belangrijk zijn voor de nieuwkomer.
- Bij vrijstelling van de educatieve onderdelen van
de WIN vervalt ook de traject- en maatschappelijke begeleiding,
terwijl sommige van deze nieuwkomers hieraan wel behoefte hebben.
- Doordat de gemeente geen executoriale titel heeft
bij de uitvoering van de WIN kost het opleggen van boetes aan niet
uitkeringsgerechtigden veel tijd en geld.
- Door de verplichte aanbesteding van de WIN bij de
ROC s hebben de gemeenten alleen via doorcontractering de
mogelijkheid andere (onderwijs)instellingen in te schakelen voor het
verzorgen van onderwijs aan de nieuwkomers.
- Door de dubbelfunctie van de verklaring c.q. de
toetsen als afrekenmiddel en niveaumeting kiezen de gemeenten vooral
voor de functie als afrekenmiddel. De profieltoetsen verliezen
daardoor waarde als niveaumeting omdat een groot deel van de
nieuwkomers worden getoetst op het moment dat ze daar nog niet aan
toe zijn.
- De financiering via de t-2 regeling leidt tot
reserveringen en stimuleert gemeente niet om maatwerk te leveren per
nieuwkomer.
Tot besluit
Alles overziend, kenmerken de uitkomsten, zowel met
betrekking tot de effectiviteit als de efficiency de WIN, zich door
een zekere mate van ambivalentie.
Met betrekking tot de wijze van uitvoering past de
conclusie dat de gemeenten drie jaar na de start de uitvoering ervan
redelijk adequaat hebben vormgegeven. De grootste uitvoeringsproblemen
(die in de beginperiode zeker aanwezig waren) zijn inmiddels
overwonnen. Evenmin zijn er grote knelpunten aangetroffen op het
financiële vlak. De overheidsfinanciering van aan de WIN gerelateerde
activiteiten blijkt voldoende: veel gemeenten zijn in staat te
reserveren. Dit neemt niet weg dat de gemeenten de regeling vooral
procedureel uitvoeren. De meeste gemeenten hebben onvoldoende zicht op
hun eigen efficiency en effectiviteit bij de uitvoering van de WIN en
maken onvoldoende gebruik van de vrijheid die deze wet biedt om tot
vernieuwing in aanpak en uitvoering te komen. Wij willen voorstellen
dat, nu de primaire zaken eenmaal op orde zijn, dit het juiste moment
is voor gemeenten om ten aanzien van de uitvoering van de WIN een
kwaliteitsslag te maken.
In termen van doeltreffendheid dient het
inburgeringprogramma voor de nieuwkomers als nuttige eerste stap
worden gezien op weg naar integratie. Dit wordt ook zo beleefd door de
nieuwkomers zelf. Groot winstpunt van de WIN is het hoge bereik
waardoor een groot deel van de nieuwkomers een inburgeringprogramma
krijgt aangeboden en kennismaakt met Nederlandse instanties. Daarnaast
is de permanente uitval slechts voor een kleine minderheid van
toepassing gebleken. Bovendien vormt het vinden van een baan een
prominent motief voor langdurig verzuim, waarmee duidelijk wordt dat
vele nieuwkomers op eigen kracht hun weg in de Nederlandse samenleving
weten te vinden. Niettemin dient geconstateerd te worden dat slechts
een minderheid van de inburgeraars na het anderhalf jaar durende
inburgeringsprogramma het beoogde niveau van zelfredzaamheid bereikt
en in staat is om met voldoende kennis van de Nederlandse taal
aansluiting te vinden bij de arbeidsmarkt of het vervolgonderwijs.
De wijze waarop de uitvoering van de WIN in de
gemeenten vorm krijgt, staat niet geheel los van het rendement van
deze wet. Daar waar een goede samenwerking tussen de afzonderlijke
partijen tot stand is gekomen, worden ook de resultaten van de WIN
positief beïnvloed. Een voorbeeld hiervan betreft de instelling van
een één-loketsysteem, met als gevolg dat het bereik van nieuwkomers
wordt verhoogd. Ook leidt een betere afstemming tussen de betrokken
instellingen tot een hogere mate van diversiteit in het invulling van
inburgeringersprogramma. Deze vorm van maatwerk betekent dat de
nieuwkomers een programma krijgen aangeboden dat meer toegesneden is
op hun behoeften en mogelijkheden.
Hiermee is niet gezegd dat een goede gemeentelijke
regievoering garant staat voor een doeltreffende uitvoering van de
WIN. Behalve een doelmatige organisatie dient met nadruk de inhoud van
het programma te worden beschouwd. Het gebrek aan maatwerk met
betrekking tot de invulling van het onderwijs heeft hierbij veel
aandacht gekregen. Daarnaast is gebleken dat sommige elementen uit de
wet een doeltreffende uitvoering in de weg kunnen staan. Niet in de
laatste plaats is duidelijk geworden dat de kandidaten lang niet
altijd in staat zijn op succesvolle wijze aan de inburgeringscursus
deel te nemen. Het vooropleidingsniveau van een aanzienlijke
meerderheid is laag, terwijl de omstandigheden waarin velen zich
verkeren vaak op gespannen voet staan met deelname aan een intensieve
taalcursus. Een evaluatie van het succes van de WIN kan niet aan deze
persoonskenmerken voorbij gaan. Sterker nog, wanneer meer rekening
wordt gehouden met de wensen en mogelijkheden van de nieuwkomers zal
het rendement van de WIN alleen maar worden vergroot.
April 2002
Management
Summary WIN in Engels (Download PDF 2,160 kb.)
|
|