Factsheets Wet inburgering nieuwkomers (WIN)-NL
Inhoudsopgave
- Inleiding
- Doel en achtergrond Wet inburgering nieuwkomers
- Draagvlak en verantwoordelijkheidsverdeling
- Doelgroep
- Aanmelding en (tijdelijke) ontheffing
- Het inburgeringsonderzoek
- Het educatief gedeelte van het inburgerings programma
- De andere onderdelen van het inburgeringsprogramma
- Doorgeleiding en afsluiting met certificaat
- Handhaving, sancties en boeten
- Werk en inburgering
- Financiën
- Ondersteuningsstructuur
1. Inleiding
Vanaf 30 september 1998 is in Nederland de Wet inburgering nieuwkomers (WIN) van kracht. Krachtens deze wet is de nieuwkomer verplicht zich aan te melden voor een inburgeringsonderzoek. In dit onderzoek wordt bepaald of de nieuwkomer een programma nodig heeft en kan worden verplicht aan een inburgeringsprogramma deel te nemen. Dit inburgeringsprogramma bevat onderwijs in de Nederlandse taal, Maatschappij-oriëntatie en Beroepenoriëntatie. Daarnaast krijgen nieuwkomers maatschappelijke begeleiding en trajectbegeleiding. De WIN voorziet ook in een overdracht naar arbeidstoeleidende instanties of vervolgonderwijs. In de hierna volgende tekst wordt het inburgeringsbeleid voor nieuwkomers toegelicht. terug naar boven
2. Doel en achtergrond Wet inburgering nieuwkomers (WIN)
Doel van het inburgeringsbeleid is de zelfredzaamheid van nieuwkomers te bevorderen. Zij moeten zo snel spoedig mogelijk nadat zij een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd hebben ontvangen, benaderd en voorbereid op wat hen in Nederland te wachten staat. Vroegtijdig investeren in nieuwkomers voorkomt het ontstaan van nieuwe achterstandsgroepen. Daarom bevat de WIN verplichtingen en voorschriften die er bij elkaar toe moeten leiden dat:
-
alle nieuwkomers, die in een achterstandpositie kunnen geraken, deelnemen aan een inburgeringsprogramma;
-
nieuwkomers een kwalitatief hoogwaardig inburgeringsprogramma op maat krijgen aangeboden;
-
nieuwkomers optimaal van dit aanbod gebruik maken;
-
gemeenten voldoende ruimte krijgen om maatwerk te leveren;
-
snel toeleiding naar vervolgonderwijs of de arbeidsmarkt kan plaatsvinden.
De inrichting van de WIN stoelt op de eerdere ervaringen met de opvang van nieuwkomers en bouwt voort op de in 1996 ingevoerde regelingen. Daarbij werden op vrijwillige basis inburgeringscontracten gesloten. Besloten is het inburgeringsbeleid te versterken door middel van een wettelijke verplichting voor zowel nieuwkomers als gemeenten. De gemeente waar een nieuwkomer zich vestigt is verantwoordelijk voor de uitvoering van het inburgeringsbeleid. De nieuwkomer is verplicht zich te melden voor een inburgeringsonderzoek en deel te nemen aan een met hem overeengekomen inburgeringsprogramma. terug naar boven
3. Draagvlak en verantwoordelijkheidsverdeling
De WIN is in nauw overleg met de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het maatschappelijk middenveld en belangenorganisaties van migranten en vluchtelingen tot stand gekomen. Er is veel aandacht gegeven aan een goede aansluiting op onderwijs en mogelijk zelfstandig kunnen functioneren in de Nederlandse samenleving. Daarom worden zij zo arbeidsmarkt. Krachtens de WIN is de gemeente eerstverantwoordelijke voor de uitvoering van het inburgeringsbeleid voor nieuwkomers. De Rijksoverheid vervult een stimulerende en faciliterende rol. terug naar boven
4. Doelgroep
Iedere vreemdeling met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (vbt) asiel of regulier komt in principe in aanmerking voor deelname aan het inburgeringsprogramma in het kader van de WIN. Uitgesloten zijn diegenen die naar Nederland komen voor arbeid in loondienst of voor arbeid als zelfstandige (artikel 1, lid 2, onder a en b) of zich vestigen voor een tijdelijk doel (Regeling aanwijzing nieuwkomers wegens verblijf voor een tijdelijk doel, Stcrt. 1998, 185).
De wet geldt tevens voor nieuwkomers met de Nederlandse nationaliteit die buiten Nederland zijn geboren. Op basis van het Besluit opleidingseisen Nederlandse nieuwkomers (Stb. 1998, 408) kunnen zij, indien zij aan de genoemde opleidingseisen voldoen, om ontheffing van de meldingsplicht ten behoeve van de inburgering verzoeken. Het inburgeringsprogramma is voor 16- en 17-jarigen toegankelijk, voor zover zij niet meer volledig leerplichtig zijn en niet binnen het regulier onderwijs kunnen worden opgevangen.
terug naar boven
5. Aanmelding en (tijdelijke) ontheffing
De nieuwkomer met de Nederlandse nationaliteit is verplicht zich, binnen zes weken na inschrijving in het Gemeentelijk Basisadministratiesysteem (GBA), aan te melden voor het inburgeringsonderzoek. De nieuwkomer met een andere nationaliteit is verplicht zich binnen 6 weken na uitreiking van de verblijfsvergunning aan te melden voor een inburgeringsonderzoek of in geval de nieuwkomer in een opvangcentrum heeft verbleven of onder een zelfzorgarrangement (ZZA) bij familie of vrienden heeft verbleven binnen 6 weken na inschrijving in de gemeente van uitplaatsing. Dit is ook de termijn waarbinnen een tijdelijke of permanente ontheffing kan worden aangevraagd. Ontheffing kan worden aangevraagd als de nieuwkomer vanwege lichamelijke of psychische gronden of op andere gewichtige gronden niet in staat is tijdelijk of ooit aan de inburgering deel te nemen. Nieuwkomers met de Nederlandse nationaliteit komen voor een permanente ontheffing in aanmerking als zij aan bepaalde opleidingseisen voldoen. De gemeente beslist over de verlening van de ontheffing. De tijdelijke ontheffing kan voor de duur van maximaal 1 jaar worden verleend en kan daarna op aanvraag van de nieuwkomer worden verlengd. Voordat een individueel inburgeringsprogramma voor een nieuwkomer wordt vastgesteld vindt een inburgeringsonderzoek plaats waarin de noodzaak en samenstelling van een dergelijk programma wordt bepaald. Hierbij wordt rekening gehouden met reeds aanwezige kennis, vooropleiding en werkervaring.
In de volgende paragrafen worden de afzonderlijke gedeelten van het inburgeringsprogramma toegelicht. terug naar boven
6. Het inburgeringsonderzoek
Nadat de nieuwkomer zich heeft aangemeld, start het inburgeringsonderzoek. Dit onderzoek moet binnen een periode van vier maanden worden afgerond daar de nieuwkomer zich binnen vier maanden na aanmelding moet inschrijven bij een educatieve instelling. Doel van het inburgeringsonderzoek is na te gaan in welke mate een maatschappelijke achterstand voor de nieuwkomer dreigt en welke onderdelen van een inburgeringsprogramma derhalve verplicht worden gesteld. Het inburgeringsonderzoek bestaat uit tenminste de volgende onderdelen:
-
een beoordeling van het aanmeldingsformulier;
-
een begingesprek met uitleg over het inburgeringsonderzoek;
-
een toets op kennis en studievaardigheden, zoals de kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving;
-
een eindgesprek waarin het voor de betreffende nieuwkomer wenselijke inburgeringsprogramma wordt besproken, met name de te bereiken einddoelen, en de rechten en plichten van de nieuwkomer.
Om het startniveau en het na te streven einddoel van de nieuwkomer te kunnen bepalen is de reeds genoten opleiding en werkervaring mede van belang. Hierbij gaat het zowel om opleiding en ervaring opgedaan in Nederland - bijvoorbeeld tijdens het Dagstructureringsprogramma in een asielzoekerscentrum - als in het land van herkomst of elders. Indien nodig wordt een Internationale Diploma Waardering (IDW) uitgevoerd (artikel 7.4.7. WEB).
De educatieve instelling en het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) worden bij het inburgeringsonderzoek betrokken. Zodoende kunnen al tijdens het inburgeringsprogramma de individuele perspectieven in Nederland op vervolgonderwijs of op de arbeidsmarkt worden vergroot. Het inburgeringsonderzoek wordt afgesloten met een beschikking van de gemeente, waarin het programma dat de nieuwkomer moet volgen is vastgelegd. De volledige of gedeeltelijke vrijstelling voor delen van het educatief programma zijn hierin opgenomen. Niet iedereen die een vergunning bepaalde tijd krijgt, zal uiteindelijk in Nederland mogen blijven. De vergunning kan worden ingetrokken of niet worden omgezet in een vergunning voor onbepaalde tijd. De ambtenaar, belast met de uitvoering van het inburgeringsonderzoek, moet de nieuwkomer hiervan op de hoogte stellen . terug naar boven
7. Het educatief gedeelte van het inburgerings programma
Binnen 4 maanden na aanmelding voor het inburgeringsonderzoek moet de nieuwkomer zich inschrijven bij een educatieve instelling waar de gemeente een contract mee heeft gesloten. De nieuwkomer sluit een onderwijsovereenkomst met deze instelling. Nu start het educatieve gedeelte. Het onderwijsprogramma bevat Nederlands als Tweede taal (NT2), Maatschappij-oriëntatie (MO) en Beroepenoriëntatie (BO) en wordt afgesloten met een toets. Deze toets op de onderdelen NT2 (luisteren, spreken, lezen en schrijven) en MO vindt uiterlijk 12 maanden na inschrijving bij de educatieve instelling plaats. Op basis van de toets geeft de educatie-instelling een Verklaring af, waaruit blijkt welk niveau de nieuwkomer heeft behaald op de onderdelen van het educatief programma waaraan hij heeft deelgenomen. In het geval de resultaten van de toetsen uitwijzen dat de nieuwkomer het tijdens het inburgeringsonderzoek vastgestelde streefniveau nog niet heeft behaald dan kan worden besloten het inburgeringsprogramma met maximaal 6 maanden te verlengen (d.i. de maximale periode waarin de doorgeleiding moet plaatsvinden (zie onder paragraaf doorgeleiding). terug naar boven
8. De andere onderdelen van het inburgeringsprogramma
Naast het educatieve programma worden tevens trajectbegeleiding en maatschappelijke begeleiding aan de nieuwkomer geboden. De trajectbegeleiding is essentieel voor het welslagen van de inburgering. Het is de trajectbegeleider die de nieuwkomer vanaf het moment van aanmelding tot aan de doorgeleiding persoonlijk begeleidt, motiveert, ondersteunt bij eventuele problemen en voorlichting geeft over de verblijfsprocedure. In het geval de vbt asiel of regulier niet wordt verlengd, c.q. wordt ingetrokken, moet de betrokkene worden geïnformeerd en verwezen naar instanties die instructie en voorlichting geven over de terugkeer naar het land van herkomst . De basis van de trajectbegeleiding vormt het opstellen van een individueel trajectplan voor de duur van het gehele inburgeringsprogramma. De trajectbegeleider geeft zodoende aan de hand van het trajectplan inhoud aan het begrip individueel maatwerk. Het trajectplan wordt aan het eind van het inburgeringsonderzoek vastgesteld. In het trajectplan worden zowel de in het inburgeringsonderzoek vastgestelde kennis, inzicht en vaardigheden opgenomen, als de in te zetten middelen voor het te bereiken einddoel. Daarnaast bevat het trajectplan een regeling voor tussentijdse evaluatiegesprekken. Deze evaluatiegesprekken tijdens de trajectbegeleiding dienen om de voortgang bij te houden en eventueel de nieuwkomer te motiveren. Vanuit de educatieve instelling dient regelmatig terugkoppeling plaats te vinden aan de gemeente over de vorderingen van de nieuwkomer. Een goed registratie- en volgsysteem is hierbij noodzakelijk.
Maatschappelijke begeleiding is een verplicht onderdeel van het inburgeringsprogramma en bestaat, afgestemd op de behoefte van de nieuwkomer, uit een gevarieerd aanbod van praktische ondersteuning bij het dagelijkse leven van de nieuwkomer. Afhankelijk van de manier waarop een gemeente dit onderdeel heeft georganiseerd, kunnen zowel professionals als vrijwilligers worden ingeschakeld. terug naar boven
9. Doorgeleiding en afsluiting met certificaat
De afsluiting van het inburgeringsprogramma vindt uiterlijk 6 maanden na de afsluitende toetsen plaats. Een belangrijk onderdeel van de doorgeleiding is een gesprek met de nieuwkomer, een vertegenwoordiger van de educatieve instelling en het CWI waarin een advies over doorstroming wordt vastgesteld. Daarna zorgt de gemeente voor een advies over doorstroming naar zorgtaken, vervolgonderwijs of toeleiding naar de arbeidsmarkt. De nieuwkomer ontvangt van de gemeente een certificaat waaruit blijkt welk programma hij heeft gevolgd en welke resultaten daarmee zijn bereikt. De Verklaring, afgegeven door de educatieinstelling wordt als bijlage bij het certificaat gevoegd. terug naar boven
10. Handhaving, sancties en boeten
In de WIN is geregeld dat de gemeente toeziet op het nakomen van de verplichting door de nieuwkomer. In de WIN zijn sanctiemogelijkheden opgenomen als de nieuwkomer niet of onvoldoende voldoet aan een van de volgende verplichtingen:
-
zich melden voor een inburgeringsonderzoek (artikel 2 WIN);
-
verlenen van medewerking aan het inburgeringsonderzoek (artikel 4, vierde lid WIN);
-
zich laten inschrijven bij de educatieve instelling (artikel 8 WIN);
-
aanwezig zijn bij alle onderdelen van het voor hem vastgestelde educatief programma, daaronder begrepen het afleggen van een toets (artikel 9, eerste lid en artikel 10, derde lid WIN);
-
verlenen van medewerking aan de overige onderdelen van het voor hem vastgestelde inburgeringsprogramma (artikel 12, eerste lid WIN).
Indien een bijstandsgerechtigde nieuwkomer bedoelde verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt zal het college van burgemeester en wethouders hem veelal een administratieve maatregel in de zin van de Algemene bijstandswet (Abw) opleggen. Een bestuurlijke boete wordt opgelegd aan een niet-bijstandsgerechtigde nieuwkomer (Boetebesluit inburgering nieuwkomers, Stb. 1998, 330). Gemeenten zijn in alle gevallen gehouden om de maatregel, c.q. hoogte van de boete, af te stemmen op de mate van verwijtbaarheid , de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de nieuwkomer (artikel 2 Abw en artikel 2 van het Boetebesluit inburgering nieuwkomers). terug naar boven
11. Werk en inburgering
Het inburgeringsprogramma is erop gericht nieuwkomers zo snel mogelijk zelfredzaam te maken. Dat betekent ook dat nieuwkomers zo snel mogelijk in staat moeten worden gesteld om te participeren op de arbeidsmarkt. Om de toeleiding naar de arbeidsmarkt zo goed mogelijk te laten verlopen en hierbij passende ondersteuning te bieden, wordt het CWI vanaf het begin van het inburgeringsprogramma betrokken. Ook stelt het CWI na afloop van het programma een advies inburgering nieuwkomers op, waarin wordt ingegaan op het vervolgtraject na afronding van het programma en de eventuele resterende afstand tot de arbeidsmarkt. Al tijdens het inburgeringsprogramma kan worden begonnen met het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt. Experimenten hebben uitgewezen dat cursisten het Nederlands sneller leren als dit wordt gecombineerd met werken of een vakopleiding. Dit strookt met het doel van de WIN, namelijk de nieuwkomer zo snel mogelijk zelfredzaam te maken.
Binnen de kaders van de WIN is het mogelijk via een zogenaamd duaal traject werk en inburgering te combineren. Het kan dan gaan om:
-
De combinatie van een programma NT2 en een beroepsopleiding. Deze programmas worden uitgevoerd binnen een Regionaal Opleidingencentrum (ROC). Deze vorm kan worden uitgebreid met een stage of leerarbeidsplaats bij een bedrijf tijdens het duale traject);
-
De combinatie van een programma NT2 en werk. Het NT2-onderdeel wordt uitgevoerd door een ROC en kan eventueel in een bedrijf uitgevoerd worden. Voor de toeleiding van kandidaten naar bedrijven kan het CWI worden ingeschakeld. Deze vorm kan soms worden uitgebreid met een korte beroepsopleiding of functietraining tijdens het duale traject.
Door het aanbieden van een duaal traject kan beter worden aangesloten op de werk- en scholingservaring die de nieuwkomer in eigen land heeft opgebouwd en tegemoet worden gekomen aan de wens van veel nieuwkomers om in eigen onderhoud te voorzien. Gelijktijdig wordt voorkomen dat nieuwkomers voortijdig stoppen met het inburgeringsprogramma en onvoldoende gekwalificeerd op de arbeidsmarkt terechtkomen. Bedrijven hebben de keus de nieuwkomer het NT2-programma, naast het werken, op het ROC te laten afmaken of het inburgeringsprogramma binnen het bedrijf te combineren met werk. In het laatste geval moet het bedrijf het ROC inschakelen voor het verzorgen van het in-house inburgeringsprogramma en dit afstemmen met de gemeente waar de nieuwkomers gehuisvest is. Wanneer de gemeente akkoord gaat met het project van het bedrijf, kan de gemeente de kosten van het inburgeringsprogramma, binnen de kaders van de WIN, opvoeren in het kader van de afrekening met de rijksoverheid. terug naar boven
12. Financiën
De WIN kent een lump-sum financiering. Met andere woorden, de gemeenten hebben bestemmingsvrijheid over de budgetten. Gemeenten krijgen jaarlijks een bijdrage voor de welzijnscomponent van het Ministerie van VWS en een bijdrage voor educatieve programmas van het Ministerie van OCenW. De totale hoogte van de rijksbijdragen wordt door de begrotingswetgever vastgesteld aan de hand van een raming van het aantal te inburgeren nieuwkomers. In het jaar 2001 is door VWS en OCW gezamenlijk 360 miljoen gulden beschikbaar gesteld voor inburgeringsprogrammas van nieuwkomers. In het jaar 2002 is door beide ministeries een bedrag van 374 miljoen begroot.
De verdeling van deze middelen over de individuele gemeenten vindt plaats op basis van de zogenaamde t min 2-systematiek. Het aantal verklaringen en beschikkingen dat een gemeente heeft vastgesteld in een bepaald jaar is het uitgangspunt voor de hoogte van de rijksbijdragen twee jaar later. Elke gemeente ontvangt ten opzichte van het landelijke aantal beschikkingen en verklaringen een evenredig deel van de totale rijksbijdragen. Bij de toekenning van de bedragen per gemeente telt het aantal afgegeven verklaringen zwaarder dan het aantal afgegeven beschikkingen. De rijksbijdrage van OCW en de rijksbijdrage voor VWS zijn volledig uitwisselbaar voorzover het de verplichte activiteiten van de WIN betreffen. De gemeenten kunnen zelf een verdeelsleutel ontwikkelen, zolang de verplichte programmaonderdelen maar gerealiseerd worden. De middelen die gemeenten hierbij overhouden kunnen worden ingezet voor educatieve programmas als bedoeld in artikel 7.3.1 van de WEB of voor activiteiten uit artikel 2k van de Welzijnswet uit 1994. Deze overheveling is in het bekostigingsbesluit nieuwkomers wel gemaximeerd.
Overgebleven middelen die niet overgeheveld worden, kunnen worden gereserveerd. Gereserveerde middelen kunnen in het jaar dat ze gebruikt worden alleen worden ingezet ten behoeve van educatieve programmas of ten behoeve van de welzijnscomponent.
Omgekeerd kunnen middelen uit het reguliere educatiebudget (art. 2.3.1.WEB) en middelen voor artikel 2 welzijnswet 1994 ook worden ingezet ten behoeve van de WIN: hierbij is te denken aan middelen voor maatschappelijke dienstverlening, maatschappelijke opvang, kinderopvang, integratie en opvang van vluchtelingen, etc. terug naar boven
13. Ondersteuningstructuur
Taskforce Inburgering
Om gemeenten, ROCs en andere uitvoeringsorganisaties te ondersteunen bij de verbetering van het inburgeringsproces, heeft de minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid in juni 2000 de Taskforce Inburgering ingesteld. De opdracht van de Taskforce bestaat uit drie deelopdrachten:
-
Het vóór 1 mei 2001 wegwerken van de wachtlijsten NT2 voor oudkomers;
-
Het verbeteren van de uitvoering en de gemeentelijke regie van de inburgering, inclusief de regionale samenwerking;
-
Het verbeteren van de sturingsinformatie en monitoring met betrekking tot inburgering.
In de periode tot 1 mei 2001 heeft het accent van de activiteiten van de Taskforce gelegen op het wegwerken van de wachtlijsten voor oudkomers. In de periode tot eind 2002 ligt het accent op een structurele verbetering van het inburgeringsproces.
De Taskforce Inburgering is gevestigd op de Koningskade 30, 2596 AA Den Haag, en bereikbaar onder Postbus 16118, 2500 BC Den Haag, tel: 070-3626122, fax 070-3243676, www.taskforce-inburgering.nl, info@taskforce-inburgering.nl
Inburgernet
Inburgernet is een website waarop de informatie over inburgeringsbeleid en -uitvoering gebundeld en toegankelijk wordt aangeboden. De site is met name bedoeld voor ambtenaren op lokaal niveau die zich bezighouden met inburgering. Tevens is de site een belangrijke informatiebron voor medewerkers van andere instanties die te maken hebben met inburgering. De website maakt het mogelijk om nieuws, ervaringen en good practices snel en op effectieve wijze te verspreiden. De informatie op Inburgernet is afkomstig van de verschillende bij inburgering betrokken ministeries (BZK, OCenW, SZW en VWS) en (openbare) bronnen als kamerstukken, wet- en regelgeving, conferentieverslagen, persberichten e.d. www.inburgernet.nl,Informatie
Helpdesk Inburgering Cfi
De Helpdesk Inburgering van Cfi (Centrale Financiële Instellingen) beantwoordt vragen betreffende de weten regelgeving inburgering van nieuwkomers.
| Colofon
Publicatie
Ministerie van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties
Directie Coördinatie Integratiebeleid Minderheden
Lay-out, design en druk
Directie Informatievoorziening
Directie Voorlichting en Communicatie
Eén of meerdere exemplaren van deze factsheet kunt u aanvragen bij de directie Voorlichting en Communicatie, afdeling servicevoorlichting, telefoon (070) 426 60 38.
Indien u vragen heeft, kunt u zich wenden tot de Helpdesk Inburgering, telefoon (079) 323 40 00.
Den Haag
Januari 2002
Tweede herziene druk
|
De meeste vragen die binnenkomen zijn afkomstig van gemeenten. Website: www.cfi.nl (trefwoord: inburgering), tel: 079-3234000
Terug naar: Facsheets
terug naar boven
|