Middelen
De verantwoordelijkheid voor het op
lokaal niveau ontwikkelen en uitvoeren van een goed inburgeringsbeleid
ligt bij gemeenten. De ministeries BZK (coördinatie), VWS
(welzijnscomponent) en OCenW (educatie) hebben op landelijk niveau een
innoverende en stimulerende rol. De inzet van middelen door de
landelijke overheid is erop gericht alle daarvoor in aanmerking
komende nieuwkomers een inburgeringsprogramma aan te bieden. Deze
programma's moeten gericht zijn op het bereiken van zelfredzaamheid
van de nieuwkomers. Er worden drie vormen van zelfredzaamheid
onderscheiden:
- sociale redzaamheid: Nederlandse
taal beheersen op NT2 2/3
- educatieve zelfredzaamheid:
toegang hebben tot vervolgopleiding
- professionele zelfredzaamheid:
ingeschreven staan als werkzoekende bij het arbeidsbureau of
(bemiddeld naar) werk
Sociale zelfredzaamheid wordt
beschouwd als het minimumniveau dat elke nieuwkomer moet bereiken.
Het Rijk stelt middelen ter
beschikking aan de gemeenten om de inburgering van nieuwkomers
adequaat te kunnen realiseren. De (samenwerkende) gemeente(n) is/zijn
verantwoordelijk voor het beleid, de planning en uitvoering van de
inburgering, binnen de door het Rijk gestelde kaders. Het Rijk
bevordert de kwaliteit van de integratie door het laten uitvoeren van
onderzoek en experimenten, het laten ontwikkelen van materialen,
methodieken en deskundigheidsbevordering ten behoeve van de integratie
in de gemeenten.
Deze pagina behandelt achtereenvolgens:
- Aanpassing regelingen i.v.m.
invoering WIN
- Bedragen
- Aanvullende financiering
- Aanvraag
- Verantwoording
- Regionale samenwerking
Met het oog op de invoering van de
Wet Inburgering Nieuwkomers in 1998 is de regelgeving voor 1998
aangepast. De financiering blijft een outputkarakter behouden; ze
vindt plaats op basis van een raming van het aantal nieuwkomers per
gemeente gerelateerd aan het landelijk aantal gerealiseerde
programma's. Voor elk inburgeringsprogramma wordt een vast bedrag
toegekend, dat bestaat uit een educatieve en een welzijnscomponent.
Voor de vergoeding van inburgeringstrajecten geldt voortaan een
100%-garantstelling. Het totale budget wordt verdeeld over alle
gemeenten naar rato van het aantal gerealiseerde
inburgeringsprogramma's twee jaar eerder, de zogenaamde t-2
systematiek. In 2000 moet deze systematiek volledig zijn ingevoerd.
Bedragen
Naar aanleiding van opmerkingen uit de Tweede Kamer is het budget voor
inburgering verhoogd. Daarmee wordt het mogelijk niet langer uit te
gaan van gemiddeld 500 uur educatie, maar gemiddeld 600 uur. Dit
betekent een belangrijke verbetering en vergroot de kansen van de
nieuwkomers bij verdere scholing of op de arbeidsmarkt aanzienlijk.
De mogelijkheid voor gemeenten om middelen te verschuiven tussen de
welzijnscomponent en de onderwijscomponent blijft bestaan. Verder
wordt het mogelijk de middelen breder in te zetten. Voor zover de
middelen aantoonbaar niet aan inburgering besteed kunnen worden,
kunnen de middelen voor de onderwijscomponent ook worden ingezet voor
reguliere educatie en de middelen voor de welzijnscomponent kunnen ook
worden ingezet voor de integratie van minderheden (uitvoerend werk als
bedoeld in artikel 2, onder k van de Welzijnswet 1994). Gemeenten
kunnen er ook voor kiezen de middelen voor zover zij niet aan
inburgering besteed kunnen worden, te reserveren ten behoeve van
inburgeringsactiviteiten in volgende jaren. Hiermee kunnen eventuele
schommelingen in het aantal nieuwkomers worden opgevangen.
Na inwerkingtreding van de Wet
Inburgering Nieuwkomers zullen gemeenten bijdragen ontvangen voor
inburgering van nieuwkomers op basis van de Wet educatie en
beroepsonderwijs voor het educatief programma en op basis van de Wet
Inburgering Nieuwkomers, artikel 16, voor de welzijnscomponent. De
welzijnscomponent bestaat uit het inburgeringsonderzoek, de kosten
voor het afsluiten van een traject, de trajectbegeleiding, eventuele
schakeling, de maatschappelijke begeleiding en de doorgeleiding naar
een instantie die zorg draagt voor verdere scholing of voor toegang
tot de arbeidsmarkt.
Aanvullende financiering
Naast de budgetten die worden toegekend door de ministeries, is het de
bedoeling dat gemeenten zoveel mogelijk gebruik maken van bestaande
algemene voorzieningen en budgetten. Aangezien er in
inburgeringsprogramma's veelal sprake is van toeleiding naar de
arbeidsmarkt is een inspanning van gemeenten in RBA-verband van belang
om ondersteuning van arbeidsbureaus te verkrijgen. Om diezelfde reden
dienen gemeenten zich in te spannen financiering op grond van het
Europees Sociaal Fonds te verkrijgen. Hiertoe moeten zij, waar
mogelijk en rekening houdend met de doelstellingen van het ESF, een
aanvraag bij de RBA's indienen.
Aanvraag
Het OCenW-gedeelte van het budget zal zonder aanvraag naar de gemeente
worden overgemaakt. De welzijnswet 1994 schrijft voor dat de gemeente
voor het VWS-gedeelte wel een aanvraag moet indienen. Hiervoor
ontvangen gemeenten een voorbedrukt formulier dat binnen zes weken na
ontvangst retour moet worden gezonden. In de aanvraag moet in ieder
geval worden aangegeven:
hoe men in het traject komt tot integratie van alle daarvoor in
aanmerking komende nieuwkomers (hoeveel nieuwkomers men verwacht,
hoeveel nieuwkomers men denkt op te vangen, de begroting en de
dekking);
een werkplan met een beschrijving van het gemeentelijk
inburgeringsprogramma.
Verantwoording
Gemeenten moeten voor 1 februari 1999 de aantallen van 1998 toezenden
aan de ministeries, zodat de verdeling van de onderwijs- en
welzijnscomponent voor 2000 kan worden bepaald. Daarnaast moeten
gemeenten voor 1 oktober 1999 een verklaring indienen waaruit een
rechtmatige besteding van de toegekende middelen blijkt, en waaruit de
juistheid van de opgegeven aantallen inburgeringsovereenkomsten en
toetsen blijkt. Gemeenten kunnen volstaan met één verklaring voor
beide ministeries. Voor het opstellen van deze verklaring ontvangen
gemeenten uiterlijk in juli 1998 een accountantsprotocol. Naast de
financiële verantwoording moeten de gemeenten ook een inhoudelijk
verslag van de inburgeringsprogramma's inleveren. Ook bij dit verslag
kunnen gemeenten volstaan met een enkel verslag voor beide
ministeries. Het inhoudelijk verslag zal inzicht moeten geven in de
kwantiteit en de kwaliteit van de geboden inburgeringsprogramma's: de
aantallen binnengekomen nieuwkomers en opgevangen nieuwkomers, alsmede
de resultaten van de inburgeringsprogramma's. Voor dit inhoudelijk
verslag zal een model aan de gemeenten worden uitgereikt.
Regionale samenwerking
Als gemeenten samenwerken bij de uitvoering van het inburgeringsbeleid
kunnen zij, indien ze dit wensen, gezamenlijk een verzoek indienen om
te worden beschouwd als één gemeente. De gemeenten kunnen onderling
het budget verdelen. Een van de gemeenten wordt daarbij aangewezen als
de gemeente die optreedt namens alle betrokken gemeenten. Een
dergelijk verzoek moet bij voorkeur voor 1 januari van het betreffende
jaar, maar in ieder geval binnen zes weken na ontvangst van de
circulaire zijn ingediend bij VWS. VWS verstrekt de gegevens aan
OCenW.
Klik hier
voor de circulaire van VWS over de financiering van
inburgeringsprogramma's in 2001.
Klik hier voor "Budget van gemeenten voor 2001" |