is gestopt en geeft nu de geschiedenis van inburgering
NIEUWS | VRAGEN | SITEMAP | WAT WAS NIEUW | AGENDA | SERVICE | DISCUSSIE

Service

Van deze pagina
kunt u naar:

Definities
Literatuur
De regels
Over InburgerNet
Overzicht van InburgerNet
Regiefunctie van de gemeenten
Landelijke structuur en organisaties

Rijksbijdrage inburgering nieuwkomers 2003 

Middelen

De verantwoordelijkheid voor het op lokaal niveau ontwikkelen en uitvoeren van een goed inburgeringsbeleid ligt bij gemeenten. De ministeries BZK (coördinatie), VWS (welzijnscomponent) en OCenW (educatie) hebben op landelijk niveau een innoverende en stimulerende rol. De inzet van middelen door de landelijke overheid is erop gericht alle daarvoor in aanmerking komende nieuwkomers een inburgeringsprogramma aan te bieden. Deze programma's moeten gericht zijn op het bereiken van zelfredzaamheid van de nieuwkomers. Er worden drie vormen van zelfredzaamheid onderscheiden:

  • sociale redzaamheid: Nederlandse taal beheersen op NT2 2/3
  • educatieve zelfredzaamheid: toegang hebben tot vervolgopleiding
  • professionele zelfredzaamheid: ingeschreven staan als werkzoekende bij het arbeidsbureau of (bemiddeld naar) werk

Sociale zelfredzaamheid wordt beschouwd als het minimumniveau dat elke nieuwkomer moet bereiken.

Het Rijk stelt middelen ter beschikking aan de gemeenten om de inburgering van nieuwkomers adequaat te kunnen realiseren. De (samenwerkende) gemeente(n) is/zijn verantwoordelijk voor het beleid, de planning en uitvoering van de inburgering, binnen de door het Rijk gestelde kaders. Het Rijk bevordert de kwaliteit van de integratie door het laten uitvoeren van onderzoek en experimenten, het laten ontwikkelen van materialen, methodieken en deskundigheidsbevordering ten behoeve van de integratie in de gemeenten.
Deze pagina behandelt achtereenvolgens:

  • Aanpassing regelingen i.v.m. invoering WIN
  • Bedragen
  • Aanvullende financiering
  • Aanvraag
  • Verantwoording
  • Regionale samenwerking

Met het oog op de invoering van de Wet Inburgering Nieuwkomers in 1998 is de regelgeving voor 1998 aangepast. De financiering blijft een outputkarakter behouden; ze vindt plaats op basis van een raming van het aantal nieuwkomers per gemeente gerelateerd aan het landelijk aantal gerealiseerde programma's. Voor elk inburgeringsprogramma wordt een vast bedrag toegekend, dat bestaat uit een educatieve en een welzijnscomponent. Voor de vergoeding van inburgeringstrajecten geldt voortaan een 100%-garantstelling. Het totale budget wordt verdeeld over alle gemeenten naar rato van het aantal gerealiseerde inburgeringsprogramma's twee jaar eerder, de zogenaamde t-2 systematiek. In 2000 moet deze systematiek volledig zijn ingevoerd.

Bedragen
Naar aanleiding van opmerkingen uit de Tweede Kamer is het budget voor inburgering verhoogd. Daarmee wordt het mogelijk niet langer uit te gaan van gemiddeld 500 uur educatie, maar gemiddeld 600 uur. Dit betekent een belangrijke verbetering en vergroot de kansen van de nieuwkomers bij verdere scholing of op de arbeidsmarkt aanzienlijk.

De mogelijkheid voor gemeenten om middelen te verschuiven tussen de welzijnscomponent en de onderwijscomponent blijft bestaan. Verder wordt het mogelijk de middelen breder in te zetten. Voor zover de middelen aantoonbaar niet aan inburgering besteed kunnen worden, kunnen de middelen voor de onderwijscomponent ook worden ingezet voor reguliere educatie en de middelen voor de welzijnscomponent kunnen ook worden ingezet voor de integratie van minderheden (uitvoerend werk als bedoeld in artikel 2, onder k van de Welzijnswet 1994). Gemeenten kunnen er ook voor kiezen de middelen voor zover zij niet aan inburgering besteed kunnen worden, te reserveren ten behoeve van inburgeringsactiviteiten in volgende jaren. Hiermee kunnen eventuele schommelingen in het aantal nieuwkomers worden opgevangen.

Na inwerkingtreding van de Wet Inburgering Nieuwkomers zullen gemeenten bijdragen ontvangen voor inburgering van nieuwkomers op basis van de Wet educatie en beroepsonderwijs voor het educatief programma en op basis van de Wet Inburgering Nieuwkomers, artikel 16, voor de welzijnscomponent. De welzijnscomponent bestaat uit het inburgeringsonderzoek, de kosten voor het afsluiten van een traject, de trajectbegeleiding, eventuele schakeling, de maatschappelijke begeleiding en de doorgeleiding naar een instantie die zorg draagt voor verdere scholing of voor toegang tot de arbeidsmarkt.

Aanvullende financiering
Naast de budgetten die worden toegekend door de ministeries, is het de bedoeling dat gemeenten zoveel mogelijk gebruik maken van bestaande algemene voorzieningen en budgetten. Aangezien er in inburgeringsprogramma's veelal sprake is van toeleiding naar de arbeidsmarkt is een inspanning van gemeenten in RBA-verband van belang om ondersteuning van arbeidsbureaus te verkrijgen. Om diezelfde reden dienen gemeenten zich in te spannen financiering op grond van het Europees Sociaal Fonds te verkrijgen. Hiertoe moeten zij, waar mogelijk en rekening houdend met de doelstellingen van het ESF, een aanvraag bij de RBA's indienen.

Aanvraag
Het OCenW-gedeelte van het budget zal zonder aanvraag naar de gemeente worden overgemaakt. De welzijnswet 1994 schrijft voor dat de gemeente voor het VWS-gedeelte wel een aanvraag moet indienen. Hiervoor ontvangen gemeenten een voorbedrukt formulier dat binnen zes weken na ontvangst retour moet worden gezonden. In de aanvraag moet in ieder geval worden aangegeven:
hoe men in het traject komt tot integratie van alle daarvoor in aanmerking komende nieuwkomers (hoeveel nieuwkomers men verwacht, hoeveel nieuwkomers men denkt op te vangen, de begroting en de dekking);
een werkplan met een beschrijving van het gemeentelijk inburgeringsprogramma.

Verantwoording
Gemeenten moeten voor 1 februari 1999 de aantallen van 1998 toezenden aan de ministeries, zodat de verdeling van de onderwijs- en welzijnscomponent voor 2000 kan worden bepaald. Daarnaast moeten gemeenten voor 1 oktober 1999 een verklaring indienen waaruit een rechtmatige besteding van de toegekende middelen blijkt, en waaruit de juistheid van de opgegeven aantallen inburgeringsovereenkomsten en toetsen blijkt. Gemeenten kunnen volstaan met één verklaring voor beide ministeries. Voor het opstellen van deze verklaring ontvangen gemeenten uiterlijk in juli 1998 een accountantsprotocol. Naast de financiële verantwoording moeten de gemeenten ook een inhoudelijk verslag van de inburgeringsprogramma's inleveren. Ook bij dit verslag kunnen gemeenten volstaan met een enkel verslag voor beide ministeries. Het inhoudelijk verslag zal inzicht moeten geven in de kwantiteit en de kwaliteit van de geboden inburgeringsprogramma's: de aantallen binnengekomen nieuwkomers en opgevangen nieuwkomers, alsmede de resultaten van de inburgeringsprogramma's. Voor dit inhoudelijk verslag zal een model aan de gemeenten worden uitgereikt.

Regionale samenwerking
Als gemeenten samenwerken bij de uitvoering van het inburgeringsbeleid kunnen zij, indien ze dit wensen, gezamenlijk een verzoek indienen om te worden beschouwd als één gemeente. De gemeenten kunnen onderling het budget verdelen. Een van de gemeenten wordt daarbij aangewezen als de gemeente die optreedt namens alle betrokken gemeenten. Een dergelijk verzoek moet bij voorkeur voor 1 januari van het betreffende jaar, maar in ieder geval binnen zes weken na ontvangst van de circulaire zijn ingediend bij VWS. VWS verstrekt de gegevens aan OCenW.

Klik hier voor de circulaire van VWS over de financiering van inburgeringsprogramma's in 2001.
Klik hier voor "Budget van gemeenten voor 2001"

InburgerNet werd mogelijk gemaakt door het ministerie van Justitie.
Ideeën &
Media van Gelder &
Partners bv