
Het traject is een
stapsgewijze informatiebron over alle onderdelen van inburgering.
Daarbij is er voor gekozen om niet alleen het directe traject van
inburgering te volgen maar ook aandacht te besteden aan de
voorgeschiedenis en aan het vervolg. |

De onderwijsorganisatie:
een overeenkomst tussen gemeente en
instelling
Aan de middelen die het Rijk
beschikbaar stelt voor inburgering zijn voorwaarden verbonden. Zo moet
het inburgeringstraject een educatieve component hebben die per
nieuwkomer wordt vastgesteld aan de hand van diens bestaande kennis en
vaardigheden. Het educatieve programma bestaat uit Maatschappij
Oriëntatie, Nederlands en Beroepenoriëntatie en heeft als doel de
nieuwkomer toegang te verlenen tot de maatschappij (redzaamheid),
vervolgonderwijs of werk.
WEB
Vanaf 1 januari 1996 wordt - geregeld
in de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) - alle educatie door
gemeenten ingekocht bij reguliere
onderwijsinstellingen op basis van een privaatrechtelijke
overeenkomst.
Dit betekent dat de inhoud en
voorwaarden niet maar eenzijdig door de gemeente worden bepaald, maar
dat educatie een product is waarover onderhandeld kan worden. Die
onderhandelingen moeten resulteren in een overeenkomst. Dit vereist
antwoorden op vragen als:
- Over welke prestaties maken we
afspraken?
- Maken we afspraken per deelnemer
of per groep?
- Nemen we doelgroepen als
invalshoek voor de afspraken of praten we over functies en
opleidingen?
- Hoe bepalen we de prijs van het te
leveren product?
- Hoe verdelen we risico's en
verantwoordelijkheden?
- Hoe en waarover wordt
verantwoording gevraagd?
- Zullen gemeenten gezamenlijk
overeenkomsten afsluiten of afzonderlijk?
Eisen aan de onderwijsinstelling
Elke nieuwkomer die een
inburgeringstraject volgt, moet zich inschrijven bij de
onderwijsinstelling waarmee de gemeente een contract heeft gesloten.
Vanaf de invoering van de Wet Inburgering Nieuwkomers (30 september
1998) zijn gemeenten verplicht elke nieuwkomer een passend
inburgeringstraject aan te bieden. De overeenkomst tussen de
onderwijsinstelling en de gemeente moet er aldus in voorzien, dat elke
nieuwkomer een passende educatieve programma krijgt van gemiddeld 500
uur dat binnen een jaar na inschrijving bij de onderwijsinstelling
wordt afgesloten met een toets.
Om aan deze eisen tegemoet te kunnen
komen, zal de onderwijsinstelling het onderwijs zo veel mogelijk op
maat moeten aanbieden. Hierbij kan gedacht worden aan:
- het vergroeten van het aantal
instroommomenten per jaar
- differentiatie naar beginniveau
- afstemming met maatschappelijke en
trajectbegeleiding
- een gedegen
studievoortgangsregistratie
- afstemming op het overige
onderwijsaanbod om differentiatie in niveau te realiseren
- verschillende leermethodieken:
groepsonderwijs, zelfstudie met docentenbegeleiding, gebruik van
nieuwe media, modulering van het onderwijsaanbod
Financiering
De wijze van afrekening tussen
gemeente en ROC van het educatieve programma van nieuwkomers moet in
het contract worden opgenomen. Er zijn verschillende mogelijkheden
denkbaar:
- financiering van de middelen
(docenten, computers)
- financiering van de instroom
(aantal deelnemende nieuwkomers)
- financiering van de verrichte
handelingen (contacturen)
- financiering van de uitstroom
(aantal nieuwkomers dat een bepaald resultaat heeft behaald)
- financiering van de toegevoegde
waarde (vordering van de nieuwkomer ten opzichte van zijn of haar
beginniveau)
Elk van deze financieringswijzen
heeft voor- en nadelen. De eerste drie zeggen niets over het resultaat
van het educatieve programma. Financiering van uitstroom houdt geen
rekening met het beginniveau van de nieuwkomer. De laatste
mogelijkheid, de financiering van de toegevoegde waarde, is de moderne
outputfinanciering. Voor deze financiering zijn een aantal voorwaarden
gedefinieerd:
- Er wordt een gestandaardiseerde
intake gebruikt die door gemeente en instelling wordt geaccepteerd.
- Er is een (aantal)
gestandaardiseerd(e) plan(en) van aanpak, zoals bijvoorbeeld de
leerlijnen die door ICE zijn ontwikkeld.
- Er zijn onafhankelijke meet- en
toetsinstrumenten en een gestandaardiseerde output.
- Er is sprake van een goede
administratie, waarin een deelnemersvolgsysteem en
resultaatadministratie geïntegreerd zijn.
- De onderwijsinstelling hanteert
een kostprijsberekening op basis waarvan een tarief gesteld kan
worden naar de leer- of studielast.
De overeenkomst
De WEB schrijft een aantal
onderwerpen voor, die tenminste in de overeenkomst tussen gemeente en
onderwijsinstelling moet worden opgenomen:
- de aard van de activiteiten
- het aantal deelnemers, eventueel
onderscheiden naar doelgroep
- de periode
- de omvang van het bedrag, dan wel
de wijze waarop dit berekend wordt
- de wijze waarop het bedrag
beschikbaar wordt gesteld
- de wijze waarop verantwoording aan
het gemeentebestuur wordt afgelegd.
Er staat niet in de WEB wat er moet
worden geregeld, alleen maar dat er over deze onderwerpen iets moet
worden afgesproken.
Meestal zullen de afspraken tussen
gemeenten en instelling gevat worden in twee soorten overeenkomsten:
de raamovereenkomst en productovereenkomsten.
De raamovereenkomst is een meerjarige
afspraak, die de 'permanente onderhandeling' ondersteunt en nadruk
legt op overleg, evaluatie en bijstelling. De raamovereenkomst geeft
het kader. De productovereenkomst is de concrete vertaling van vraag
en aanbod. Hierin worden de opleidingen, termijnen, gewenste
resultaten en de prijs vastgelegd. De inhoud van een
productovereenkomst kan variëren van het voldoen aan minimale
vereisten tot een uitgebreide beschrijving van de afgesproken
prestaties.
Tip:
Raadpleeg het model productovereenkomst.
(bronnen: Spectra en WEB) |
Iedere
hoofdpagina van
Inburgering in traject
wordt gevolgd door achtergrondpagina's en voorbeeldpagina's. Deze
pagina's worden regelmatig aangevuld en uitgebreid aan de hand van
de ontwikkelingen in het beleid.
|