is gestopt en geeft nu de geschiedenis van inburgering
NIEUWS | VRAGEN | SITEMAP | WAT WAS NIEUW | AGENDA | SERVICE | DISCUSSIE


Het traject is een stapsgewijze informatiebron over alle onderdelen van inburgering. Daarbij is er voor gekozen om niet alleen het directe traject van inburgering te volgen maar ook aandacht te besteden aan de voorgeschiedenis en aan het vervolg.

Nederlands als Tweede Taal voor volwassenen

Waarom dit pamflet?
Het lijkt wel alsof op dit moment iedereen in ons land zich met Nederlands als tweede taal bemoeit. Je leest en hoort uiteenlopende ideeën over NT2, in kranten, tijdschriften, op radio en tv. NT2 is een dankbaar onderwerp voor zowel de redactiekolommen als de ingezonden brieven. De geluiden zijn veelal negatief, NT2 staat niet in hoog aanzien. Politici, be-leidsmakers, financiers en pers becommentariëren de resultaten van het NT2-onderwijs; zij hebben een opvatting over de kwaliteit ervan; ze weten hoe snel allochtonen Nederlands zouden kunnen leren, waar je dat het beste zou kunnen doen, door wie het onderwijs zou moeten worden gegeven en op welke manier. En de man in de straat begrijpt niet waarom zijn allochtone buurman nog steeds geen Nederlands spreekt, terwijl die toch al zo’n dertig jaar in Nederland woont. Recht voor z’n raap geeft-ie zijn mening: “laten ze nou gewoon Nederlands leren, als wij naar een ander land verhuizen dan moeten we toch zeker ook de taal van dat land spreken?”

Ideeën over Nederlands als tweede taal zijn niet altijd gebaseerd op een gedegen kennis van het NT2-vak. Er is vaak een discrepantie tussen de dagelijkse NT2-praktijk en de inzichten van ‘de buitenwacht’. Met dit pamflet wil de Beroepsvereniging van docenten NT2 (bvNT2) proberen de kloof tussen ‘binnen’ (het NT2-veld) en ‘buiten’ (de politiek, het beleid, de verstrekkers van financiën en de media) enigszins te overbruggen.

Wat is NT2?
Tweede-taalonderwijs is onderwijs dat gegeven wordt in het land waar die taal tegelijkertijd voertaal is. Zo heb je in Engeland onderwijs van het Engels als tweede taal (English as a Second Language), in Duitsland van het Duits als tweede taal (Deutsch als Zweitsprache) en zo is er dus ook Nederlands als tweede taal (meestal afgekort tot NT2): taalonderwijs aan allochtonen hier in Nederland. Belangrijkste kenmerk is dat cursisten meteen buiten het leslo-kaal het Nederlands tegen komen, op straat, bij de buren, op radio en tv, in kranten en tijdschriften. Er is daarnaast ook Nederlands taalonderwijs in het buitenland, bijvoorbeeld aan studenten van een universiteit in Amerika, in Tsjechië of in Rusland. In dat geval spreek je van onderwijs Nederlands als vreemde taal.

Het grote verschil tussen het NT2-onderwijs en het onderwijs Nederlands als vreemde taal is dat je het Nederlands meteen ‘bij de hand hebt’. Dat heeft consequenties voor de aanpak van je onderwijs, en wel op twee manieren. Je kunt de Nederlandse taalomgeving gebruiken:

  • als input voor je onderwijs: het taalaanbod dat de cursist in z’n directe omgeving hoort is (onder voorwaarden) direct te gebruiken als leerstof;
  • als oefenplek: wat een cursist geleerd heeft kan hij direct in de praktijk oefenen.

Concreet komt dat erop neer dat er in het tweede-taalonderwijs al snel een verbinding gelegd kan worden met de maatschappelijke omgeving van de cursist: met de dagelijkse woonomge-ving, met faciliteiten uit de buurt, met de school van de kinderen, met de werksituatie, met een opleiding.

Wie zijn de NT2-cursisten?
Onder de deelnemers aan NT2-cursussen tref je enorme verschillen aan. Er is bijvoorbeeld verschil in taalachtergrond, in etnische afkomst, in verblijfstijd in Nederland, in verblijfstitel, in culturele afstand, in sociaal-economische status, in leeftijd, in school¬opleiding, in wat men met taalonderwijs wil bereiken, enzovoort. Cursisten hebben de meest uiteenlopende persoon-lijke ervaringen en achtergronden. Het is niet ongebruikelijk om in het NT2-onderwijs toegelaten vluchtelingen te vinden naast vreemdelingen zonder papieren; naast landarbeiders ook mensen die een eigen bedrijf hebben gehad; naast ambtenaren ook technici, legerperso-neel of sigarettenverkopers op de markt; naast alleenstaande vrouwen ook echtgenoten die een gezin moeten onderhouden of leerlingen met een afgebroken schoolopleiding; naast analfabe-ten die voor het eerst leren lezen en schrijven ook studenten met perspectief op een universitaire studie; naast jongeren ook ouderen en zelfs bejaarden.

Samenbindend element is dat we te maken hebben met volwassen cursisten. Kenmerk van de volwasseneneducatie, ook voor NT2, is dat

  • volwassenen de nodige kennis, vaardigheden en ervaringen hebben (gehad) die te gebruiken zijn in het leerproces
  • volwassenen dingen willen leren die direct toepasbaar zijn in hun leven; dus ‘leren-voor-nu’ in plaats van ‘leren-voor-later’ zoals bij het jeugd-onderwijs
  • volwassenen willen weten waarom ze iets (moeten) leren
  • volwassenen zelf richting kunnen geven aan hun leerproces
  • volwassenen in het algemeen praktische leerders zijn, gericht op het oplossen van problemen

Volwassen leerders willen NT2-onderwijs dat praktisch toepasbaar is, uitgaat van voor hen relevante inhouden, met leermiddelen en leermaterialen die tegemoetkomen aan hun leerbehoeften, waarin activiteiten plaatsvinden die hun interesse hebben, waarin ze hun ervaringen met anderen kunnen delen en hun kennis en vaardigheden kunnen laten zien.

Waarom willen allochtone cursisten Nederlands leren?
Op die vraag krijg je vaak geen duidelijk antwoord. Cursisten zijn soms weinig specifiek over het doel van hun leeractiviteiten en antwoorden daarom: “Gewoon om met de mensen te kunnen praten, we zijn nu eenmaal in Nederland en daarom moeten we Nederlands leren”. Er zijn uiteenlopende redenen waarom allochtone volwassenen deelnemen aan een cursus:

  • om met hun buren te praten over koetjes en kalfjes
  • om zelfstandig te opereren in het dagelijks leven, zoals boodschappen doen, naar de dokter gaan, geldzaken regelen, gebruik maken van het openbaar vervoer, etcetera
  • om te converseren met personeel van de school van hun kinderen
  • om een goede baan te krijgen
  • om zich op hun werk goed verstaanbaar te maken
  • om werkinstructies te lezen
  • om deel te nemen aan een opleiding of een studie
  • om instanties te woord te staan en de vele ingewikkelde formulieren te lezen
  • om hun kinderen te kunnen voorlezen en te helpen bij hun schoolwerk
  • om te leren lezen en schrijven

Enzovoort, enzovoort.

Kan elke anderstalige Nederlands leren?
In principe kan elke anderstalige Nederlands leren (als er tenminste geen lichamelijke gebreken zijn zoals doofheid of afasie). Er zijn genoeg voorbeelden van mensen – met uiteenlopende achtergronden- die goed Nederlands hebben leren spreken. Kennelijk is het taalvermogen van de mens in staat om naast de moedertaal ook een tweede taal goed te leren.

Hoe komt het dat zoveel anderstalige toch slecht of zelfs helemaal geen Nederlands spreken? Dat ligt aan allerlei factoren die van invloed zijn, zowel op het tempo waarin de tweede taal wordt geleerd als op het te bereiken eindniveau, dat wil zeggen: op het leersucces. Enerzijds heeft dat te maken met persoonlijke factoren. Bij veel NT2-cursussen hebben we te maken met allochtonen die ongunstige leerderskenmerken hebben: geen of weinig scholing; hun schoolopleiding is onderbroken bijvoorbeeld vanwege politieke spanningen of oorlog; ze zijn soms functioneel analfabeet in de moedertaal of gealfabetiseerd in een ander schrift dan het Latijnse; sommigen hebben te kampen met de gevolgen van marteling of langdurige gevan-genschap; velen hebben een grote afstand tot de westerse cultuur of hun moedertaal wijkt sterk af van het Nederlands (bv. Arabisch, Vietnamees of Chinees). Al dit soort factoren be-lemmeren het leersucces.

Daarnaast zijn er soms ongunstige omgevingsfactoren. Uit onderzoek is bekend dat de belang-rijkste succesfactor bij taalonderwijs is of de leerder voldoende taalcontact heeft met de sprekers van die taal. Veel allochtonen spreken niet of nauwelijks Nederlands in hun dagelijks leven, soms is de lesgroep de enige plaats waar het Nederlands geoefend wordt. Wie geen mogelijkheid heeft om regelmatig te oefenen zal de taal niet snel leren.

Ook het taalonderwijs zelf is van invloed op het leersucces. Hoe goed iemand Nederlands leert is afhankelijk van factoren als:

  • intensiteit van de cursus: intensief onderwijs levert méér op dan één keer per week les
  • inhoud van het onderwijs: leert de cursist iets wat hij kan gebruiken, waar hij direct wat aan heeft
  • groepssamenstelling: hoogopgeleiden horen niet bij laagopgeleiden in één lesgroep te zitten
  • deskundigheid van de docent
  • beschikbaarheid van zaken als een goed geoutilleerd leslokaal, computers, video, etcetera

Tenslotte is het resultaat sterk afhankelijk van de sociale context waarin het leren plaatsvind. Taalonderwijs is geen geïsoleerde activiteit maar vindt altijd plaats binnen een bepaalde maat-schappelijke constellatie. Die context is voor allochtonen -op z’n zachts gezegd- niet altijd gunstig. Er is een zekere machtsongelijkheid tussen leerder en samenleving, veelal is sprake van afwijzing, uitsluiting of beperkte toegang tot de maatschappij; soms is er discriminatie of zelfs openlijk racisme. In die context wordt het NT2-leren duidelijk bemoeilijkt. En zijn dus de resultaten van NT2-onderwijs navenant. Voor de taalleerder is uiterst belangrijk hoe open de Nederlandse maatschappij zich naar hem of haar opstelt. En vooral: wat voor voordeel het Nederlands leren oplevert. Uitspraak van een Marokkaan:“Ook als ik goed Nederlands spreek - welk beroep kan ik dan uitoefenen?” (Het voorbeeld is van Candlin)

Voor de NT2-leerder is er een cruciaal verband tussen de inspanning die hij moet leveren en het voordeel dat ermee kan worden behaald, dus tussen investering en beloning. Het NT2-onderwijs is daarom niet een kwestie van een individuele leerder die iets moet presteren, maar van de hele Nederlandse samenleving.

Hoe komt het dat Mohammed Azougar die al dertig jaar in Nederland is de taal nog zo slecht spreekt?

Het merendeel van de eerste-generatie gastarbeiders kwam hier met het idee dat zij slechts tijdelijk in Nederland zouden blijven, om geld te verdienen. Ook de Nederlandse samenleving dacht dat deze mensen weer snel zouden vertrekken. Noch de maatschappij noch de betrokkenen hebben daarom geïnvesteerd in een goede scholing, van gedegen inburge-ringsprogramma’s was al helemaal geen sprake. De gastarbeiders kregen geen of slechts beperkt taallessen, een paar uur per week, van ongeschoolde vrijwilligers. De noodzaak om Nederlands te leren werd eigenlijk miskend.

Daar komt bij dat de betrokkenen vaak laaggeschoold waren of zelfs analfabeet. Velen had-den geen of nauwelijks contacten met Nederlanders. Zij waren uitsluitend bezig met hun werk, kenden meestal nèt voldoende Nederlands om te overleven (maar ook niet méér dan dat). De toegang tot de omringende samenleving was beperkt. De betrokkenen bereikten dus al snel een ‘plafond’ in hun taalvaardigheid waar zij niet meer bovenuit kwamen.

Door het verdwijnen van veel ongeschoold werk uit het arbeidsproces zijn velen van de oorspronkelijke gastarbeiders uiteindelijk werkloos geworden of vanwege het zware werk in de WAO terecht gekomen. De behoefte om de taal te leren nam daardoor verder af.

Zijn cursisten gemotiveerd om Nederlands te leren?
In het algemeen geldt dat allochtonen zeer gemotiveerd zijn om Nederlands te leren. NT2-docenten melden dat de overgrote meerderheid van de cursisten bijzonder z’n best doet om het Nederlands onder de knie te krijgen. Verder blijkt die motivatie alleen al uit het feit dat er telkens weer nieuwe wachtlijsten voor NT2-cursussen ontstaan. De vraag is vele malen groter dan het aanbod. Per 1 december 2002 stonden er 8.759 personen op de wachtlijst voor een NT2-cursus. De meeste wachtenden (bijna 80%) staan ingeschreven bij ROC’s in de vier grote steden. Het idee dat anderstaligen geen Nederlands willen leren is dus volstrekt onjuist.

Waarom is er dan toch uitval uit de cursussen?
Een paar jaar geleden constateerde de Algemene Rekenkamer dat zo’n 20 % van de nieuw-komers de NT2-cursus vroegtijdig verliet. Bij oudkomers ligt dit percentage op ± 25 %. Als cursisten gemotiveerd zijn voor NT2, hoe is die uitval dan te verklaren? Uit een Vlaams on-derzoek naar uitval bij komen de volgende bevindingen.

Uitvallers kampen vaak met persoonlijke problemen. Sommigen gaan noodgedwongen wer-ken om in hun levensonderhoud te voorzien, er moet immers ‘brood op de plank’. Veel van die cursisten vinden het moeilijk om de lessen te combineren met werk. Verder maken cursisten die de cursus moeten onderbreken vanwege gezondheidsproblemen meer kans om uit te vallen. Ook cursisten die nog geen verblijfsvergunning hebben vallen gemakkelijk uit.

Verder zijn er soms praktische problemen. Uitvallers vinden bijvoorbeeld het tijdstip waarop zij de les moeten volgen niet goed. Soms ontbreekt kinderopvang; vooral voor vrouwen is dat een belemmering. Ook zijn de vervoersmogelijkheden van en naar de cursus soms onhandig. Tot slot is er meer uitval in cursussen van maar weinig lesuren per week en in cursussen die ‘s avonds plaats vinden.

Soms schort er iets aan de inhoud van een cursus, omdat deze niet afgestemd is op de behoefte van cursisten, zodat ze niet leren wat ze echt willen leren. Soms is er gebrek aan kwaliteit. Het te hoge tempo, de beperkte inlichtingen over opzet en inhoud van de cursus, het lesgeven en de kwaliteit van de docent, het niet interessant zijn van de cursus … het zijn alle-maal punten die volgens de uitvallers voor verbetering vatbaar zijn. Bij instellingen die de uitvallers aktief opsporen en weer proberen terug te halen naar de les, is de uitval kleiner dan in centra die dat niet doen.

Kan iedereen NT2 onderwijs geven?
Je hoort nogal eens de opvatting dat iemand die Nederlands spreekt gewoon les zou kunnen geven. Dat is absoluut onjuist. NT2 is een vak en net als elk ander vak moet je erop studeren en veel oefenen om het onder de knie te krijgen. Er is echter geen initiële opleiding voor NT2-docenten; in het verleden is weinig geïnvesteerd in deskundigheidsontwikkeling. Een wille-keurige docent Engels of Frans staat vreemd te kijken als hij hoort dat NT2 niet gewoon als vak aan een lerarenopleiding of universiteit gevolgd kan worden. De tijd ligt niet ver achter ons dat NT2 gegeven werd door werkloze kleuterleidsters, boventallige docenten geschiedenis of een huismoeder die terugkeerde naar het arbeidsproces. De gedachte dat wie Ne¬derlands spreekt ook Nederlands kan geven is nog springlevend.

Wat is er nodig om NT2 te kunnen geven? In de eerste plaats een zekere kennis hoe het tweede-taalverwervingsproces verloopt. Dan weet je bijvoorbeeld dat het heel gewoon is dat cursisten fouten maken, dat zulke fouten vaak horen bij het taalontwikkelingsproces waarin de cursist zit. Verder moet je weten op welke manier je de leerstof kunt overdragen, welke didac-tische werkvormen je kunt inzetten, hoe je de leerders kunt motiveren, op welke manieren je feed¬back kunt geven. Of: hoe je een bepaald onderwerp kunt omsmeden tot een serie lessen, hoe je een planning kunt maken, hoe je grammatika corrigeert, hoe je iemands uitspraak verbetert, enzovoort. Er is een waslijst aan kennis en vaardigheden waarover een goed NT2-docent dient te beschik¬ken en die een ‘gewone’ Nederlander die alleen Nederlands spreekt van nature niet zomaar in huis heeft.

Belangrijk is dat de uitvoerende NT2-docent gekwalificeerd is. De Beroepsvereniging NT2 is daarom op dit moment bezig om een dipoma voor bevoegde NT2-docenten te ontwikkelen.

Wim Coumou
Beroepsvereniging van docenten NT2, april 2004

InburgerNet werd mogelijk gemaakt door het ministerie van Justitie.
Iedere hoofdpagina van Inburgering in traject wordt gevolgd door achtergrondpagina's en voorbeeldpagina's. Deze pagina's worden regelmatig aangevuld en uitgebreid aan de hand van de ontwikkelingen in het beleid.